ECLI:NL:RBOVE:2026:1262

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
12084436 \ CV EXPL 26-213
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWRichtlijn 93/13/EEGArt. 6:96 lid 6 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand en onrechtmatige verbouwing

Ons Huis verhuurt sinds januari 2021 een woning aan [gedaagde], die een huurachterstand heeft opgebouwd van €1.996,89 en herstelkosten van €4.769,80 niet heeft betaald. Ondanks meerdere aanmaningen en een melding bij de gemeente voor schuldhulpverlening, is betaling uitgebleven.

De huurder erkent de achterstand maar beroept zich op persoonlijke en financiële omstandigheden, waaronder het ontbreken van inkomsten en het wachten op een uitkering. De kantonrechter oordeelt dat deze omstandigheden geen overmacht vormen en dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding van de huurovereenkomst.

De algemene voorwaarden bevatten een incassokostenbeding dat niet voldoet aan de wettelijke eisen en wordt vernietigd, waardoor de incassokosten niet worden toegewezen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, herstelkosten, wettelijke rente en een gebruiksvergoeding voor de periode na ontbinding tot ontruiming.

De kantonrechter bepaalt een termijn van veertien dagen voor ontruiming na betekening van het vonnis en veroordeelt de huurder in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, ontruiming bevolen en betaling van huurachterstand, herstelkosten en rente toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12084436 \ CV EXPL 26-213
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
R.K. WONINGSTICHTING ONS HUIS,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Ons Huis,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Ons Huis verhuurt met ingang van 21 januari 2021 aan [gedaagde] de woning aan het adres In de [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 665,63 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Ons Huis heeft [gedaagde] meerdere keren aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Ons Huis heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd. Ons Huis heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Ons Huis vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 1.996,89 aan huurachterstand en € 4.769,80 aan (restant) herstelkosten met nevenvorderingen.
3.2.
Ons Huis legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen en door zonder toestemming van Ons Huis het gehuurde ingrijpend te verbouwen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Ons Huis de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] erkent de huurachterstand, maar is het niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. [gedaagde] voert aan dat hij vanwege zijn persoonlijke en financiële omstandigheden niet in staat is de achterstallige huurpenningen te voldoen. [gedaagde] heeft geen inkomsten en wacht op een uitkering. Zodra de uitkering is toegekend kan hij weer de lopende huur betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden.
4.3.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat er een huurachterstand is die tot en met januari 2026 berekend is op een bedrag van € 1.996,89. Tevens heeft [gedaagde] de gevorderde (restant)herstelkosten aan het gehuurde van € 4.769,80 niet weersproken. De kantonrechter zal de gevorderde betaling van de hoofdsom van € 6.766,69 dan ook toewijzen.
4.4.
In artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden is het volgende opgenomen:
“13.1 Indien één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij.
13.2
De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 40,00 vermeerderd met het geldend BTW-percentage.”
4.5.
De kantonrechter is, los van de vraag of Ons Huis er in deze procedure een beroep op doet, verplicht om ambtshalve te toetsen of dit beding een eerlijk beding is. De stelling dat zij de vordering van buitengerechtelijke incassokosten enkel heeft gebaseerd op de wet doet daar onvoldoende aan af. Een en ander volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 december 2022 .
4.6.
De kantonrechter overweegt het volgende. Het incassobeding suggereert dat vanaf het moment van uit handen geven direct incassokosten verschuldigd zijn. Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW Pro genoemde eisen voldoet. Daarnaast moet de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden genoemd. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden. Daardoor wijkt dit beding ten nadele van consumenten aanzienlijk af van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en moet het worden vernietigd. Ons Huis heeft dus geen recht op de incassokosten.
4.7.
[gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en de herstelkosten en daarom zal de gevorderde wettelijke rente van € 1.037,55 worden toegewezen.
4.8.
[gedaagde] heeft tot het moment van dagvaarden € 200,00 aan de gemachtigde van Ons Huis betaald. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.604,24 aan Ons Huis (€ 6.766,69 aan hoofdsom + € 1.037,55 aan rente - € 200,00 aan betalingen).
4.9.
Het is partijen niet gelukt om tijdens de procedure een betalingsregeling af te spreken. Als [gedaagde] weer inkomsten heeft en toch nog een betalingsregeling wil afspreken, moet [gedaagde] contact opnemen met de gemachtigde Ons Huis. De gemachtigde van Ons Huis zal dan bekijken of en welke mogelijkheden er dan nog zijn voor een regeling.
4.10.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Ons Huis heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.11.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.12.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand drie maanden.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door [gedaagde] genoemde persoonlijke en financiële omstandigheden leveren geen overmacht op en ontslaan hem niet van de verplichting om de huurbedragen op tijd te betalen.
4.13.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.14.
Ons Huis wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 665,63, te rekenen vanaf de maand 1 februari 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van R.K. Woningstichting Ons Huis worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.576,02

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres In de [adres];
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ons Huis zijn, en de sleutels af te geven aan Ons Huis;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Ons Huis te betalen een bedrag van € 7.604,24 aan
aan herstelkosten en achterstallige huur tot en met januari 2026, te vermeerderen met
de wettelijke rente over € 6.766,69 vanaf 23 januari 2026 tot de dag van de volledige
betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs (thans € 665,63) als huurbedrag c.q. vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] de woning vanaf de ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.576,02, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)