ECLI:NL:RBOVE:2026:1247

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/08/341211 / HA ZA 25-404
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 4:58 BWArt. 4:66 BWArt. 4:67 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake beheer nalatenschap, gedenksteen en toedeling roerende zaken

Beide ouders van partijen zijn overleden. Gedaagde 1 kreeg na het overlijden van vader een algehele volmacht van moeder. Eiser vordert dat gedaagde 1 rekenschap geeft over het beheer, schadevergoeding betaalt wegens wanbeheer, de tekst op de gedenksteen wijzigt en roerende zaken toewijst.

Gedaagde 1 en 3 betwisten dat gedaagde 1 als gevolmachtigde heeft gehandeld en stellen dat moeder zelf het chalet verkocht, schenkingen deed en de tekst op de gedenksteen wenste. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagde 1 namens moeder handelde en dat moeder zelf wilsbekwaam bleef.

De rechtbank wijst de vorderingen af, omdat niet is vastgesteld dat gedaagde 1 de volmacht gebruikte, geen schadeplicht bestaat voor de verkoop van het chalet of schenkingen, en de tekst op de gedenksteen conform de wens van moeder is. Ook de toedeling van het grafrecht en roerende zaken wordt afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens onvoldoende bewijs dat gedaagde 1 als gevolmachtigde handelde en geen schadevergoeding of wijziging gedenksteen toewijst.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/341211 / HA ZA 25-404
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. I.M. Verhaar,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. E.J. Luursema,

2.2. [gedaagde 2] ,

wonende in [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
niet bij advocaat in de procedure verschenen,

3.3. [gedaagde 3] ,

wonende in [woonplaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. E.J. Luursema,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden.

1.Waar deze zaak over gaat

Beide ouders van partijen zijn overleden. [gedaagde 1] heeft na het overlijden van vader een algehele volmacht van moeder gekregen. [eiser] vordert dat [gedaagde 1] rekening en verantwoording aflegt over het door haar volgens hem gevoerde beheer, schadevergoeding betaalt vanwege door haar gevoerd wanbeheer, wijziging van de tekst op de gedenksteen van vader en moeder en toedeling van roerende zaken. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben aangevoerd dat [gedaagde 1] niet als gevolmachtigde van moeder heeft gehandeld waardoor zij geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen en geen schadevergoeding verschuldigd is. Daarnaast was de tekst op de gedenksteen de wens van moeder en heeft moeder de roerende zaken zelf voor haar overlijden verdeeld. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af en zal hierna motiveren hoe zij tot die beslissing komt.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 24 maart 2025,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- het tegen [gedaagde 2] verleende verstek,
- het vonnis van 4 november 2025 waarin deze zaak door de kantonrechtbank van de rechtbank Overijssel is verwezen naar de civiele rechtbank van de rechtbank Overijssel.
2.2.
In het vonnis van 4 november 2025 heeft de kantonrechter bepaald dat in deze procedure sprake is van een rechtsverhouding die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing, zodat de verweren die door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden gevoerd ook strekken ten gunste van [gedaagde 2] .
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
De vader van partijen, [naam 1] , is op [datum 1] 2020 overleden.
3.2.
De moeder van partijen, [naam 2] , heeft op 11 juni 2020 een algehele volmacht aan [gedaagde 1] gegeven. Deze volmacht had directe werking. In de volmacht staat voor zover relevant vermeld:
“Rekening en verantwoording:
Elke gevolmachtigde is verplicht rekening en verantwoording af te leggen aan de volmachtgeefster, zo dikwijls zij daarom verzoekt. Elke gevolmachtigde is voorts verplicht rekening en verantwoording af te leggen aan de erfgenamen van de volmachtgeefster, indien zij of één van hen daarom verzoeken.”
3.3.
In de periode augustus 2020 tot en met januari 2022 zijn er verschillende schenkingen uit het vermogen van moeder gedaan aan de kinderen en kleinkinderen van moeder. Er zijn geen schenkingen gedaan aan de kinderen van de echtgenote van [eiser] (de stiefkleinkinderen).
3.4.
In de zomer van 2021 nam moeder haar intrek in een verzorgingstehuis. Het chalet van moeder is verkocht tegen een koopprijs van € 35.000,00.
3.5.
Moeder is op [datum 2] 2022 overleden. Het grafrecht van vader en moeder is aan [gedaagde 1] toebedeeld.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert (samengevat):
a. [gedaagde 1] te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen over de periode 11 juni 2020 tot aan het overlijden van moeder,
b. [gedaagde 1] te veroordelen om € 7.500,00 aan [eiser] te betalen vanwege het chalet,
c. [gedaagde 1] te veroordelen om € 10.150,00 aan [eiser] te betalen vanwege de schenkingen,
d. toedeling van het grafrecht van de ouders aan [eiser] ,
e. afgifte van de beschilderde melkbus en koperen strijkbout,
f. [gedaagde 1] dan wel gedaagden te veroordelen tot betaling van 1/4de deel van de kosten voor het graveren van tekst op de gedenksteen van de ouders,
met veroordeling in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] als gevolmachtigde het chalet voor € 30.000,00 te weinig verkocht, heeft zij als gevolmachtigde schenkingen gedaan terwijl dit op grond van de algehele volmacht verboden is en heeft zij de wil van moeder ten aanzien van de tekst op de gedenksteen niet gehonoreerd.
4.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] voeren verweer. Volgens [gedaagde 1] heeft zij nooit gebruik gemaakt van de algehele volmacht en heeft moeder zelf het chalet verkocht en de schenkingen gedaan of daar opdracht toe gegeven. Ook is de huidige tekst op de gedenksteen conform de wil van moeder. [gedaagde 3] sluit zich hierbij aan. De gevoerde verweren door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] strekken ook ten gunste van [gedaagde 2] conform hetgeen de kantonrechtbank in haar vonnis heeft bepaald.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Achtergrond
5.1.
Beide ouders hebben een testament opgesteld waarin zij de ouderlijke boedelverdeling (OBV) van toepassing hebben verklaard. Na het overlijden van vader hebben partijen als afstammelingen een geldvordering wegens overbedeling op hun moeder gekregen. De hoogte van deze geldvordering is tussen partijen nooit vastgesteld. Vanwege de toepassing van de OBV kan worden aangenomen dat de nalatenschap van vader is verdeeld.
5.2.
De nalatenschap van moeder is tussen partijen op informele wijze verdeeld. [gedaagde 1] heeft het saldo op de bankrekening – volgens haar het enige bestanddeel in de boedel - verdeeld over de vier erfgenamen. Wat gedaagden betreft is daarmee de nalatenschap van moeder afgewikkeld.
5.3.
[eiser] betoogt echter dat hij (via de nalatenschap) nog vorderingen heeft op [gedaagde 1] , omdat zij volgens hem onrechtmatig of onzorgvuldig heeft gehandeld als gevolmachtigde van hun moeder. [eiser] vordert rechtstreeks een vierde deel van de schadevergoeding van [gedaagde 1] . Hoewel [eiser] daarmee alleen vorderingen heeft ingesteld tegen [gedaagde 1] voor de schadevergoeding ter hoogte van zijn deel (1/4de deel) van de gestelde benadeling van de nalatenschap, hebben deze vorderingen tot schadevergoeding feitelijk betrekking op de (omvang van de) nalatenschap van moeder zoals de kantonrechter in het verwijzingsvonnis heeft bepaald.
5.4.
De rechtbank zal eerst de vorderingen a, b en c gezamenlijk beoordelen, omdat deze vorderingen de periode betreffen dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van moeder zou hebben gehandeld. Daarna zal de rechtbank de vorderingen d en f gezamenlijk beoordelen, omdat deze vorderingen het graf van de ouders betreffen. Tot slot zal de rechtbank vordering e beoordelen.
Niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] handelende als gevolmachtigde
5.5.
[eiser] vordert allereerst dat [gedaagde 1] rekening en verantwoording moet afleggen en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van zijn deel van de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] . [eiser] doet daarbij een beroep op de volmacht. [gedaagde 1] voert verweer en betoogt dat zij de volmacht nooit heeft gebruikt, omdat moeder zelf haar financiële belangen is blijven behartigen. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde 1] op basis van de volmacht heeft gehandeld. Dit brengt mee dat [gedaagde 1] geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen en dat zij geen betalingen aan [eiser] verschuldigd is vanwege de verkoop van het chalet en de schenkingen. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
Geen verplichting tot rekening en verantwoording
5.6.
In de volmacht is een bepaling opgenomen met daarin een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Op basis van deze bepaling kan [gedaagde 1] bij het handelen als gevolmachtigde worden verplicht tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de erfgenamen. [gedaagde 1] heeft echter betwist dat zij heeft gehandeld als gevolmachtigde van moeder. Daarom is het gebruik van de volmacht niet komen vast te staan. Het had op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde heeft opgetreden nader te onderbouwen. Dat [gedaagde 1] een algehele volmacht heeft gekregen met directe ingang is onvoldoende om aan te nemen dat zij als gevolmachtigde namens moeder optrad. Zolang moeder zelf wilsbekwaam bleef kon moeder bovendien zelfstandig handelingen in het juridisch verkeer blijven verrichten. Volgens [gedaagde 1] heeft moeder dit ook gedaan, zowel bij de verkoop van haar chalet als bij het doen van de schenkingen. Dat [gedaagde 1] zich eenmalig als gevolmachtigde van moeder heeft gepresenteerd is bovendien onvoldoende om aan te nemen dat zij ook als gevolmachtigde heeft gehandeld. Dit heeft zich voorgedaan bij de volgende situatie. [gedaagde 1] heeft na het overlijden van vader namens moeder de tekst voor de gedenksteen van vader aan het bedrijf [bedrijf] doorgegeven. [gedaagde 1] heeft hiervoor op 21 juli 2020 een e-mail gestuurd aan een medewerker met daarin, voor zover van belang, het volgende:
“Digitaal contact via gevolmachtigde:
[gedaagde 1] ”
Vervolgens is de medewerker bij moeder langs geweest om de definitieve tekst voor vader vast te leggen. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van moeder heeft gehandeld, omdat niet is gebleken dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van moeder opdracht heeft gegeven of een andere rechtshandeling heeft verricht. Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van moeder handelende, heeft [gedaagde 1] ook niets om rekening en verantwoording over af te leggen.
Vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen
5.7.
Voor zover [eiser] heeft bedoeld dat [gedaagde 1] op grond van een onrechtmatige daad de gevorderde bedragen rechtstreeks aan hem is verschuldigd, heeft [eiser] dit, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft bijvoorbeeld niet aangevoerd hoe het handelen van [gedaagde 1] een onrechtmatige gedraging tegenover [eiser] heeft opgeleverd. [gedaagde 1] heeft als gevolmachtigde van moeder gehandeld. Als zij al aansprakelijk is, dan geldt haar aansprakelijkheid tegenover de nalatenschap en niet tegenover [eiser] . [eiser] kan daarom niet rechtstreeks een vordering tot schadevergoeding richting [gedaagde 1] instellen.
5.8.
[eiser] betoogt in de tekst van zijn dagvaarding nog dat de omvang van de nalatenschap te laag is vastgesteld door partijen, omdat daarbij geen rekening is gehouden met de vorderingen die de nalatenschap volgens [eiser] nog heeft op [gedaagde 1] en verwijst daarbij naar de verdelingsartikelen in het Burgerlijk Wetboek. Ook als de rechtbank de vorderingen van [eiser] gelet hierop zou moeten begrijpen als een vordering tot het vaststellen van een andere omvang en verdeling van de nalatenschap waarbij aan [eiser] zijn deel zou moeten worden uitbetaald, zal de rechtbank deze vorderingen afwijzen. Voor een andere omvang en verdeling van de nalatenschap zou aanleiding kunnen bestaan als [gedaagde 1] schadevergoeding aan de nalatenschap verschuldigd zou zijn, omdat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld als gevolmachtigde tegenover moeder. Niet vastgesteld kan echter worden dat [gedaagde 1] op basis van de volmacht het chalet heeft verkocht of schenkingen heeft gedaan.
Chalet
5.9.
Tussen partijen staat vast dat het chalet voor een lager bedrag dan de verkoopwaarde is verkocht. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of [gedaagde 1] hiervoor schadeplichtig is als gevolmachtigde, of dat moeder zelf het chalet heeft verkocht. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] het chalet heeft verkocht door gebruik te maken van de volmacht, terwijl zij wist of kon weten dat het chalet veel meer waard was. [gedaagde 1] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij het chalet op basis van de volmacht heeft verkocht. Zij heeft toegelicht dat moeder zelf die beslissing heeft genomen. Volgens [gedaagde 1] heeft de verkoop van het chalet als volgt plaatsgevonden. Moeder wilde het chalet verkopen aan een opkoper omdat zij geen risico wilde lopen om achteraf schadevergoeding te moeten betalen vanwege mogelijke gebreken aan het chalet bij verkoop aan een particulier. [gedaagde 1] is vervolgens in opdracht van moeder naar de opkoper toegegaan en de opkoper heeft een bedrag van € 30.000,00 geboden. [gedaagde 1] heeft dit bedrag aan moeder doorgeven. Moeder vond dit bedrag laag en heeft telefonisch, met [gedaagde 1] erbij, een tegenbod gedaan van € 35.000,00. De opkoper heeft dit tegenbod geaccepteerd. De opkoper heeft [gedaagde 1] vervolgens de inkoopverklaring per e-mail toegestuurd. [gedaagde 1] heeft deze inkoopverklaring uitgeprint en deels ingevuld. Moeder heeft zelf de inkoopverklaring ondertekend. Hiermee heeft [gedaagde 1] voldoende gemotiveerd betwist dat zij bij de verkoop van het chalet als gevolmachtigde van moeder heeft gehandeld. [eiser] heeft vervolgens onvoldoende onderbouwd dat het niet de beslissing van moeder zelf was om het chalet voor € 35.000,00 te verkopen. Dat [gedaagde 1] heeft vernomen dat het chalet een bedrag van ongeveer € 80.000,00 waard was maakt dit niet anders, omdat niet [gedaagde 1] maar moeder heeft ingestemd met de verkoopprijs. Nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat [gedaagde 1] het chalet heeft verkocht op basis van de volmacht, is zij ook niet schadeplichtig tegenover de nalatenschap. De lage opbrengst van het chalet door de verkoop van moeder, kan niet voor rekening van [gedaagde 1] worden gebracht.
Schenkingen
5.10.
Uit de tekst van de volmacht blijkt dat [gedaagde 1] op grond van de volmacht ‘niet bevoegd is giften te doen’. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde 1] desondanks schenkingen namens moeder heeft verricht door onrechtmatig gebruik van de volmacht, terwijl dit niet in lijn was met de wil van moeder. [gedaagde 1] heeft deze stelling ook gemotiveerd betwist. Zij heeft in dit kader aangevoerd dat moeder zelf heeft besloten om schenkingen te doen. Na het overlijden van vader voelde moeder zich volgens [gedaagde 1] vrij om meer te schenken. Dit werd versterkt door het geld dat vrijkwam door de verkoop van het chalet. Ook wilde moeder belastingvoordeel behalen en heeft ze [gedaagde 1] gevraagd hoe zij dit het beste kon doen. [gedaagde 1] heeft dit vervolgens op internet uitgezocht en een print van de website van de belastingdienst aan moeder overlegd. Moeder kon niet internetbankieren en heeft [gedaagde 1] daarom gevraagd om de schenkingsbedragen voor haar over te maken. Volgens [gedaagde 1] heeft moeder niet geschonken aan de stiefkleinkinderen, omdat moeder in lijn met haar testament wilde schenken waarin stond dat alleen eigen kinderen erven. [gedaagde 1] heeft hiermee voldoende gemotiveerd betwist dat zij bij het doen van de schenkingen als gevolmachtigde van moeder optrad en [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit wel het geval was. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde 1] op grond van de volmacht schenkingen heeft verricht. Dat moeder geen onderscheid maakte tussen stiefkleinkinderen en andere kleinkinderen bij het geven van kleine contante bedragen maakt dit niet anders. [eiser] heeft namelijk niet verder onderbouwd dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van moeder, tegen de wil van moeder in, de schenkingen heeft verricht en niet aan de stiefkleinkinderen heeft geschonken. [eiser] heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat [gedaagde 1] de schenkingen heeft verricht en niet moeder zelf. [gedaagde 1] kan daarom niet aansprakelijk worden geacht voor het door [eiser] gestelde verschil in schenkingen.
5.11.
De rechtbank zal de vorderingen onder a, b en c dus afwijzen.
Het grafrecht en de tekst op de steen
5.12.
De rechtbank zal de vordering van [eiser] om het grafrecht toebedeeld te krijgen afwijzen. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde 1] of gedaagden niet gehouden zijn de kosten te voldoen voor het opnieuw laten graveren van de tekst op de gedenksteen van ouders. De rechtbank motiveert deze beslissingen als volgt.
5.13.
Ten aanzien van het grafrecht geldt het volgende. Aangenomen kan worden dat het grafrecht onderdeel uitmaakte van de nalatenschap. Partijen zijn het oneens over de vraag op wiens naam het grafrecht staat, maar zijn het er wel over eens dat [gedaagde 1] zich over het grafrecht heeft ontfermd en hierover het eerste aanspreekpunt was. [eiser] vordert dat het grafrecht aan hem toebedeeld wordt, omdat hij niet heeft ingestemd met die tenaamstelling. Hij wil het grafrecht toebedeeld krijgen, omdat hij de tekst op de steen wil kunnen laten wijzigen. De rechtbank ziet daarin onvoldoende grond om het grafrecht toe te delen aan [eiser] .
5.14.
[eiser] heeft uitgelegd dat de tekst op de grafsteen volgens hem niet in lijn is met de wens van moeder. Het is voor hem belangrijk dat de tekst wordt gewijzigd en [eiser] heeft daarvoor ook een tekstvoorstel gedaan. [eiser] vordert dat [gedaagde 1] dan wel alle erfgenamen voor 1/4de deel worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het opnieuw graveren van de tekst op de steen. De andere erfgenamen willen de oorspronkelijke tekst handhaven. Hoewel [eiser] heeft toegelicht dat moeder volgens hem een andere tekst op haar gedenksteen wilde dan de tekst die er nu op staat, kan dit op grond van de stellingen van [eiser] niet in rechte worden vastgesteld. [eiser] heeft in dit kader verwezen naar notities van moeder op het document met de proeftekst voor de gedenksteen in verband met het overlijden van vader. Daarop staat de opmerking van moeder
“geen lieve op de steen”.Nu die opmerking is geschreven naar aanleiding van de proeftekst voor vader op de steen, kan niet worden aangenomen dat deze opmerking ook bedoeld was voor haar eigen tekst. Niet vastgesteld kan worden dat deze notitie de wens was van moeder ten aanzien van haar tekst op de steen.
5.15.
Aangezien het merendeel van de erfgenamen hebben ingestemd met de huidige tekst op de gedenksteen, is de rechtbank van oordeel dat deze tekst moet worden gehandhaafd. De rechtbank ziet hierin dus onvoldoende grond om het grafrecht alleen aan [eiser] toe te delen. De rechtbank zal de vorderingen onder d en f afwijzen.
De melkbus en strijkbout waren al bij leven door moeder geschonken
5.16.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen aanspraak heeft op de beschilderde melkbus en de koperen strijkbout. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze spullen onderdeel uitmaken van de nalatenschap. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben aangevoerd dat deze spullen door moeder tijdens haar leven aan hen zijn toebedeeld. De rechtbank zal de vordering onder e ook afwijzen.
Proceskosten
5.17.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. (hg)