ECLI:NL:RBOVE:2026:1176

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/08/344031 / JE RK 26-116 en C/08/344632 / JE RK 26-187
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 807 RvArtikel 4.1.3 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging en afwijzing verzoeken omtrent schriftelijke aanwijzing in ondertoezichtstelling minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing gegeven op 22 januari 2026 aan de moeder van een minderjarige, en een tegenverzoek van de moeder tot vervallenverklaring van deze aanwijzing. De schriftelijke aanwijzing betreft speltherapie, systeemtherapie, omgangsregeling met overgrootouders onder begeleiding, en het toelaten van ambulante hulpverlening door Nieuw Gezin.

De moeder werkt mee aan de therapieën, maar heeft een onbegeleide omgang tussen de minderjarige en overgrootouders toegestaan, ondanks eerdere aanwijzingen. Ook is er sprake van miscommunicatie en terughoudendheid ten aanzien van de hulpverlening van Nieuw Gezin. De kinderrechter oordeelt dat de moeder zich houdt aan de therapieën, waardoor bekrachtiging daarvan niet noodzakelijk is, maar bekrachtigt de omgangsregeling en het binnenlaten van Nieuw Gezin vanwege het belang voor de minderjarige en eerdere overtredingen.

De verzoeken van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing worden afgewezen. De kinderrechter benadrukt het belang van continuering van de hulpverlening en de omgang onder begeleiding, en geeft de GI het advies om te onderzoeken of een andere hulpverlener kan worden toegewezen om de samenwerking te verbeteren.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing wordt deels bekrachtigd en het verzoek tot vervallenverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummers:
C/08/344031 / JE RK 26-116 (
verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing)
C/08/344632 / JE RK 26-187 (
verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing)
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekster in de zaak C/08/344031 / JE RK 26-116,
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
bijgestaan door advocaat: mr. S.C. Janssens- van Drooge uit Zwolle,
verzoekster in de zaak C/08/344632 / JE RK 26-187,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 23 januari 2026;
  • bijlage 7 van het verzoekschrift, ingediend door de GI, ontvangen op 30 januari 2026;
  • het verzoekschrift met bijlage van mr. Janssens- van Drooge, ontvangen op 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 augustus 2026.
2.4.
De GI heeft op 22 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Hierin is het volgende opgenomen:
  • Speltherapie: [minderjarige] blijft naar speltherapie gaan (we hebben ook geen signalen dat u dit wil tegenhouden. Maar voor de volledigheid wel meegenomen in deze SA). Het is belangrijk dat [minderjarige] hiervoor emotionele toestemming voelt van u. Dat hij daar mag uiten wat en hoe hij wil.
  • Systeemtherapie: U zult ook naar de afspraken met de systeemtherapeut moeten komen wanneer u wordt uitgenodigd.
  • Omgangsregeling: 1 keer in de 2 weken van [minderjarige] met overgrootouders onder begeleiding van Nieuw Gezin. Er wordt niet op eigen initiatief een omgangsregeling afspraken gepland met overgrootouders. Het contact tussen [minderjarige] en overgrootouders is enkel en alleen onder begeleiding van Nieuw Gezin. Samen monitoren we hoe dit verloopt en wanneer er uitbreiding mogelijk is. De jeugdbeschermer voert hierin de regie. Logeren bij opa en omastoptdus per direct. Als u hierin vragen heeft, of overgrootouders hebben dat, dan mag deze vraag gesteld worden aan de jeugdbeschermer die regie voert.
  • Ulaat per directNieuw Gezin binnen om een goeie start te kunnen maken met ambulante hulpverlening. (dit stond ook in de vorige SA van Juni 2025). U volgt adviezen op, en als blijkt dat meer hulpverlening noodzakelijk is, accepteert u dit en werkt u hieraan mee.
  • De afspraken rondom samenwerken met ons, Nieuw Gezin, of opa en oma gelden nog steeds (zie SA juni 2025).
  • We zullen een verzoek indienen bij de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing te laten bekrachtigen, gezien het lange afhouden van ambulante hulpverlening en daardoor de zorgen die blijven bestaan rondom [minderjarige]. Ook overwegen wij een melding te maken bij Veilig Thuis i.v.m. de andere 2 kinderen en het langdurig afhouden van hulpverlening.

3.De verzoeken en de standpunten

Inzake C/08/344031 / JE RK 26-116
3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting verduidelijkt dat de schriftelijke aanwijzing zich richt op de onder r.o. 2.4. eerste vier beschreven bulletpoints. Bulletpoint vijf en zes zijn slechts mededelingen. Daarnaast wordt verduidelijkt dat wanneer er gesproken wordt over “
overgrootouders”of “
opa en oma”altijd de overgrootouders van [minderjarige] bedoeld wordt.
3.3.
Voor wat betreft de inhoud van de schriftelijke aanwijzing benoemt de GI dat de moeder zich vooralsnog houdt aan de aanwijzing met betrekking tot speltherapie en systeemtherapie. De GI vindt het belangrijk dat de moeder Nieuw Gezin bij haar thuis binnen laat, zodat geconstateerd kan worden dat zij de adviezen die zij krijgt vanuit de therapieën thuis opvolgt en zodat er zicht is op de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie. Vooralsnog is daar volgens de GI geen zicht op. Door een misverstand is Nieuw Gezin uit eigen beweging een tijd niet bij de moeder geweest, maar dit zal weer opgestart worden. De hulpverlening vanuit Nieuw Gezin is bedoeld voor [minderjarige] vanuit de Jeugdwet. De hulpverlening die de moeder zelf heeft aangevraagd bij de gemeente betreft hulpverlening voor haarzelf vanuit de WMO. Deze twee verschillende vormen van hulpverlening kunnen, volgens de GI, prima naast elkaar lopen. Tot slot vindt de GI het voor [minderjarige] van belang dat de omgang tussen [minderjarige] en zijn overgrootouders enkel onder begeleiding plaatsvindt. De moeder heeft op eigen initiatief omgang tussen [minderjarige] en zijn overgrootouders zonder begeleiding laten plaatsvinden.
Inzake C/08/344632 / JE RK 26-187
3.4.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.5.
Ter aanvulling heeft de moeder tijdens de zitting naar voren gebracht dat de GI niet aan de gestelde vereisten heeft voldaan. De schriftelijke aanwijzing en het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing hebben de moeder verrast. Volgens de moeder is de schriftelijke aanwijzing niet concreet en duidelijk genoeg en is het besluit niet goed voorbereid en te algemeen. Zij werkt mee aan de speltherapie en de systeemtherapie. De moeder heeft één keer onder druk van de overgrootouders een onbegeleide omgang toegestaan. Dit zal niet meer voorkomen, omdat de moeder geen rechtstreeks contact meer wil met de overgrootouders van [minderjarige]. De overgrootouders blijven echter contact met haar zoeken en de moeder wil dat dat stopt. De moeder vraagt zich af of een begeleide omgang tussen de overgrootouders en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is, omdat deze vorm van omgang slechts het uiterst haalbare is. Door de wijze hoe de overgrootouders zich over de moeder uitlaten tegenover [minderjarige] wordt [minderjarige] in een loyaliteitsconflict gebracht.
Wat de samenwerking met Nieuw Gezin betreft heeft Nieuw Gezin zelf aangegeven dat zij zouden stoppen, wat niet te wijten valt aan de moeder. De moeder had ook geen klik met de hulpverlener van Nieuw Gezin. Daarom heeft de moeder zelf een aanvraag voor ambulante hulpverlening gedaan via de WMO. De moeder wil weer een baan zoeken om haar gezin financieel te kunnen onderhouden. Met zo veel verschillende hulpverlening wordt het de moeder allemaal te veel. Als de ambulante hulpverlening vanuit de WMO wordt toegekend kan wat de moeder betreft de hulpverlening vanuit Nieuw Gezin stoppen.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader en de ontvankelijkheid
4.1.
De GI kan ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. [1] De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouders of de minderjarige niet instemt met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet, of indien dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. De met het gezag belaste ouder of de minderjarige volgt de schriftelijke aanwijzing op. [2] De GI kan de kinderrechter verzoeken om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. [3]
4.2.
De kinderrechter kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. [4] De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. [5] De kinderechter constateert dat de moeder het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing binnen twee weken na de dag waarop de aanwijzing is verzonden, heeft ingediend. Dit betekent dat de moeder ontvankelijk is in het verzoek.
De inhoudelijke beoordeling
4.3.
Ter zitting heeft de GI verduidelijkt dat de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 zich richt op de onder r.o. 2.4. eerste vier beschreven bulletpoints. De kinderrechter beschouwt dan ook dat het verzoek van de GI en van de moeder zich enkel strekken tot die vier bulletpoints. Over de overige twee bulletpoints zal de kinderrechter zich dan ook niet uitlaten.
4.4.
De GI heeft voorafgaande aan de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 reeds een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven op 19 juni 2025. De schriftelijke aanwijzing van 19 juni 2025 heeft veel overlap met de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026. In de schriftelijke aanwijzing van 19 juni 2025 is onder andere opgenomen dat speltherapie en systeemtherapie voor [minderjarige] wordt ingezet, dat de omgang tussen de overgrootouders en [minderjarige] een keer in de twee weken begeleid zal plaatsvinden en dat ambulante hulp vanuit de Jeugdwet wordt ingezet. De kinderrechter gaat niet mee in de stelling van de moeder dat zij verrast kan zijn door de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 en het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De inhoud van de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 wijkt niet veel af van de inhoud van de schriftelijke aanwijzing van 19 juni 2025. Gezien de overlap van beide schriftelijke aanwijzingen wist de moeder vanaf 19 juni 2025 al aan welke aanwijzingen zij zich moest houden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende gemotiveerd is.
De eerste en tweede bulletpoint: “Speltherapie” en “Systeemtherapie”
4.5.
De GI stelt dat de speltherapie en systeemtherapie in het belang zijn van [minderjarige] en dat wordt niet weersproken. De moeder geeft aan dat zij hier medewerking aan verleend en dat ook altijd heeft gedaan. In de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 beschrijft de GI ook dat zij geen signalen hebben waaruit blijkt dat de moeder dit zou willen tegenhouden. De kinderrechter constateert dan ook dat de moeder vooralsnog meewerkt aan de speltherapie en systeemtherapie.
4.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 op deze punten niet bekrachtigd hoeft te worden. Reeds bij de schriftelijke aanwijzing van 19 juni 2025 is de moeder opgedragen om haar medewerking te verlenen aan de speltherapie en systeemtherapie en daar houdt de moeder zich ook aan. Omdat de moeder zich reeds een lange periode houdt aan deze punten uit de aanwijzing van 19 juni 2025 en er geen signalen zijn waaruit zou blijken dat de moeder zich hier niet meer aan zal houden is een bekrachtiging op deze punten niet noodzakelijk. De kinderrechter zal het verzoek van de GI om de schriftelijke aanwijzing op deze punten te bekrachtigen dan ook afwijzen.
4.7.
Evenmin is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 op deze punten vervallen verklaard moet worden. De kinderrechter ziet namelijk wel het belang in dat de speltherapie en systeemtherapie voor [minderjarige] door blijft gaan. De kinderrechter ziet het opnemen van deze punten in de schriftelijke aanwijzing als een goede stok achter de deur om de moeder er toe te bewegen de speltherapie en systeemtherapie voort te zetten. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de GI terecht deze punten heeft opgenomen in de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026. De kinderrechter zal dan ook het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing op deze punten vervallen te verklaren afwijzen.
De derde bulletpoint: “Omgangsregeling”
4.8.
De kinderrechter constateert dat de moeder in ieder geval één keer op eigen initiatief omgang tussen [minderjarige] en zijn overgrootouders zonder begeleiding heeft laten plaatsvinden. Dat volgens de moeder dit komt door druk vanuit de overgrootouders doet volgens de kinderrechter daar niet aan af. De moeder was immers bij schriftelijke aanwijzing van 19 juni 2025 reeds op de hoogte gebracht dat de omgang tussen [minderjarige] en zijn overgrootouders begeleid moeten plaatsvinden. Omdat de moeder [minderjarige], in de periode tussen beide aanwijzingen, bij zijn overgrootouders zonder begeleiding heeft laten logeren is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 op dit punt terecht is. Omgang tussen [minderjarige] en zijn overgrootouders moet onder begeleiding plaatsvinden en daar is de moeder het ook mee eens. Gezien het belang van deze aanwijzing en aangezien de moeder zich in ieder geval één keer hier niet aan heeft gehouden is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing op dit punt bekrachtigd zal moeten worden. Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing op dit punt vervallen te verklaren zal dan ook worden afgewezen.
De vierde bulletpoint: “Binnenlaten Nieuw Gezin”
4.9.
In de schriftelijke aanwijzing van 19 juni 2025 heeft de GI beschreven dat ambulante hulp vanuit de Jeugdwet wordt ingezet. De ingezette hulp betreft de ambulante hulpverlening vanuit Nieuw Gezin. In de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 beschrijft de GI dat de moeder Nieuw Gezin per direct binnen moet laten voor een goede start met de ambulante hulpverlening.
4.10.
Zoals in de tussenevaluatie van Nieuw Gezin van januari 2026 beschreven staat is één van de doelen van de hulpverlening het zicht krijgen op de thuissituatie en zicht krijgen of de moeder de opvoedtaken voldoende aan kan. Dit doel is volgens Nieuw Gezin niet behaald, omdat de gezinshulpverlener niet in gesprek komt met de moeder en de moeder van mening is dat zij de hulpverlening niet nodig heeft. Helaas is door bepaalde miscommunicatie de ambulante hulpverlening stil komen te liggen. De GI heeft aangegeven dat de hulp vanuit Nieuw Gezin weer zal worden opgestart. De moeder heeft zelf ambulante hulpverlening vanuit de WMO aangevraagd.
4.11.
De kinderrechter begrijpt de zorgen van de GI. Het is tot op heden onvoldoende gelukt om zicht te krijgen op de thuissituatie van [minderjarige]. Dat er zicht moet komen is in het kader van een ondertoezichtstelling zeer begrijpelijk. De inzet vanuit Nieuw Gezin is gericht op het gezin en systeem, immers faciliteert Nieuw Gezin ook de speltherapie, systeemtherapie en begeleiden zij de omgang tussen [minderjarige] en de overgrootouders. Dat Nieuw Gezin bij de moeder thuis moet komen om te zien hoe het in het gezin gaat en hoe de moeder omgaat met de gekregen adviezen vanuit de therapieën is dan ook van groot belang. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de moeder Nieuw Gezin bij haar thuis moet binnenlaten en dat de moeder de hulpverlening van Nieuw Gezin aangaat. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de GI terecht dit punt heeft opgenomen in de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026. Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing op dit punt vervallen te verklaren zal dan ook worden afgewezen.
4.12.
De kinderrechter begrijpt dat er miscommunicatie is ontstaan tussen de moeder en Nieuw Gezin en dat dat niet te wijten valt aan de moeder. Dit neemt volgens de kinderrechter echter niet weg dat het in de periode voorafgaand aan de miscommunicatie al niet goed liep met deze ambulante hulpverlening. Zo heeft de moeder Nieuw Gezin om uiteenlopende redenen meerdere keren niet bij haar thuis binnengelaten of heeft de moeder afspraken afgezegd. Daarnaast constateert de kinderrechter dat de moeder wispelturig tegenover deze hulpverlening staat. Zo heeft de moeder ter zitting te kennen gegeven dat zij enerzijds bereid is om medewerking te verlenen, maar anderzijds geeft zij aan dat zij de hulpverlening vanuit Nieuw Gezin niet meer wil als zij ambulante hulpverlening vanuit de WMO ontvangt. Om de moeder er toe te bewegen om de hulpverlening vanuit Nieuw Gezin aan te gaan en hen bij haar thuis binnen te laten zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing op dit punt bekrachtigen.
4.13.
De kinderrechter overweegt ten overvloede nog het volgende. Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij veel last ervaart van de druk die de overgrootouders van [minderjarige] op haar leggen om [minderjarige] zonder begeleiding te kunnen zien. De moeder kan hier moeilijk weerstand aan bieden en verzoekt de GI hierin actie te ondernemen. Vanuit de GI is hierop aangegeven dat zij de overgrootouders hierop aan zullen spreken en hierover een brief zullen versturen. De moeder heeft voorts aangegeven dat zij geen goede klik ervaart met de ambulante hulpverlener vanuit Nieuw Gezin. De kinderrechter geeft de GI in overweging om hierover contact te leggen met Nieuw Gezin om te bezien of het mogelijk en wenselijk is dat de moeder een andere ambulante hulpverlener vanuit Nieuw Gezin toegewezen krijgt.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst af het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 voor wat betreft de onderdelen
“Speltherapie”en
“Systeemtherapie”;
5.2.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026 voor wat betreft de onderdelen “
Omgangsregeling”en
“Binnenlaten Nieuw Gezin”;
5.3.
wijst af het verzoek van de moeder tot het geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing van 22 januari 2026;
5.4.
wijst verder af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.E. Schaap, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 in tegenwoordigheid van J.G.J. Remeijsen, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [6]

Voetnoten

1.Artikel 1:263, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:263, tweede lid, BW.
3.Artikel 1:263, derde lid, BW.
4.Artikel 1:264 lid 1 BW Pro.
5.Artikel 1:264 lid 3 BW Pro.
6.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).