ECLI:NL:RBOVE:2026:1175

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/08/343577 / JE RK 26-44
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:446 BWArt. 1:265h BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor diagnostisch onderzoek bij minderjarigen in gezinshuis

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om vervangende toestemming te verkrijgen voor medische behandeling van twee minderjarigen die in een gezinshuis verblijven. De vader weigert toestemming te geven voor diagnostiek en behandeling. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd.

Tijdens de zitting is gebleken dat het diagnostisch onderzoek noodzakelijk is om zicht te krijgen op trauma's en hechtingsproblemen, en om passende hulp te kunnen bieden. De vader heeft geen onderbouwde redenen gegeven voor zijn weigering, enkel dat hij het niet eens is met het plan, zonder dit te specificeren.

De kinderrechter verleent daarom vervangende toestemming voor het diagnostisch onderzoek, omdat dit noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de kinderen af te wenden en hun positieve ontwikkeling voort te zetten. Vervangende toestemming voor een eventuele vervolgbehandeling wordt afgewezen omdat het behandelplan nog niet bekend is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Vervangende toestemming verleend voor diagnostisch onderzoek, maar niet voor eventuele vervolgbehandeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/343577 / JE RK 26-44
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat: mr. L.J.H.M. Achten uit Zwolle
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2026;
  • de brief met bijlagen van de GI, ontvangen op 22 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 november 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 november 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie tot 2 november 2026.
2.5.
De vader heeft toestemming geweigerd voor de medische behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze medische behandeling betreft de noodzakelijke behandeling en diagnostiek bij Ambiq. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat de diagnostiek al een tijd op zich laat wachten, vanwege het ontbreken van toestemming door de vader. Over een eventueel vervolgtraject of een vervolgbehandeling is nog niets te zeggen, dat zal moeten blijken aan de hand van de diagnostiek. De GI vraagt naast de vervangende toestemming voor diagnostiek ook vervangende toestemming voor de eventuele vervolgbehandeling, zodat na de diagnostiek direct doorgepakt kan worden.

4.De standpunten

4.1.
De moeder ziet dat de kinderen stil staan in hun ontwikkeling en dat diagnostiek nodig is. De kinderen hebben, volgens de moeder, passende hulp nodig en dat moet zo snel mogelijk opgestart worden.
4.2.
De vader stelt dat er geen duidelijk plan ligt en dat hij daarom geen toestemming voor behandeling wil geven. De vader is het niet eens met de inhoud van het plan. De vader wil wel dat de kinderen geholpen worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert. [1] De kinderrechter overweegt hierover het volgende.
5.2.
De kinderrechter overweegt dat voor een uitleg van het begrip ‘medische
behandeling’ aansluiting dient te worden gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze staat opgenomen in de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO), en daarmee in artikel 7:446 BW Pro en verder. Artikel 7:446 BW Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst wordt verstaan alle verrichtingen – het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen – ertoe strekkende een persoon van een ziekte te genezen, een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.
5.3
Uit de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting is naar het oordeel van de kinderrechter gebleken dat de beoogde behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder de hiervoor genoemde begripsomschrijving valt en zodoende kan worden aangemerkt als een ‘medische behandeling’. Het diagnostisch onderzoek is er immers op gericht om zicht te krijgen op opgelopen trauma's en de hechting van de kinderen, zodat duidelijk wordt welke hulpverlening voor de kinderen geïndiceerd is.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat uit de stukken en de mondelinge behandeling voldoende is gebleken dat het afnemen van het diagnostisch onderzoek, om van hieruit te kunnen bezien welke behandeling of therapie passend en nodig is, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wenden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bijna een jaar in het huidige gezinshuis en hebben daar inmiddels hun plek gevonden. Zij ervaren in het gezinshuis rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid en komen hierdoor inmiddels tot ontwikkeling. Gezien de hechting- en traumaklachten van de kinderen wil de GI onderzoeken bij welke therapieën en behandelingen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] baat hebben. Daarvoor wil de GI een diagnostisch onderzoek bij de kinderen laten afnemen. De kinderrechter is van oordeel dat het laten afnemen van het diagnostisch onderzoek voor de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is, zodat de positieve ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortgezet kan worden.
5.5
Gebleken is dat de vader geen toestemming geeft voor het afnemen van het diagnostisch onderzoek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel de vader aangeeft dat hij vindt dat de kinderen geholpen moeten worden, is hij niet bereid om de benodigde toestemmingsformulieren te tekenen. Volgens de vader ligt er geen goed plan en is hij het niet eens met de inhoud. De kinderrechter is van oordeel dat de vader dit standpunt niet onderbouwd. De kinderrechter constateert dat de vader, ook na doorvragen, niet anders aangeeft dan dat er geen goed plan ligt en dat hij het niet eens is met de inhoud. Het wordt de kinderrechter niet duidelijk op welk plan de vader doelt en met welke inhoud hij het niet eens is. De kinderrechter heeft van de vader geen goede redenen gehoord om bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het diagnostisch onderzoek niet te laten afnemen. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter, ter vervanging van de vader, vervangende toestemming geven voor het laten afnemen van het diagnostisch onderzoek bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.6
De kinderrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om op voorhand vervangende toestemming te verlenen voor de eventuele medische behandeling die vanuit de diagnostiek wordt voorgesteld, omdat het nog niet duidelijk is dat een verdere medische behandeling noodzakelijk is. Allereerst zal diagnostiek moeten worden uitgevoerd om te kunnen bezien of er een vervolgbehandeling nodig is. Indien een vervolgbehandeling wordt geadviseerd zullen de vader en de moeder gevraagd moeten worden om in te stemmen met de betreffende behandeling. Als de ouders, of één van hen, niet instemmen kan de GI, mits de behandeling gekwalificeerd kan worden als een medische behandeling die valt onder de reikwijdte van artikel 1:265h BW, wederom een verzoek tot vervangende toestemming indienen. In dit stadium kan de kinderrechter dat nog niet beoordelen. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.
5.7
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent vervangende toestemming - die de toestemming van de vader vervangt - voor de medische behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , inhoudende de aanmelding voor diagnostiek bij Ambiq;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. D.E. Schaap, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.1:265h BW.