Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1174

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
08-260302-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 249 SrArt. 250 SrArt. 254 SrArt. 38z SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling vader voor meervoudige verkrachting en aanranding van minderjarige dochter

De rechtbank Overijssel heeft op 2 maart 2026 verdachte veroordeeld voor meervoudige verkrachting en aanranding van zijn minderjarige dochter, destijds vijf jaar oud. De feiten vonden plaats tussen 1 februari 2025 en 18 mei 2025. Het bewijs bestond uit de authentieke, consistente en zeer gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, ondersteund door de gedeeltelijke bekentenis van verdachte.

Verdachte ontkende het vaginaal binnendringen, maar de rechtbank achtte dit bewezen vanwege de gedetailleerde en geloofwaardige verklaring van het slachtoffer, die ook handelingen uitbeeldde en gevoelens beschreef. Verdachte bekende andere seksuele handelingen, maar ontkende het drukken van zijn penis tegen de anus, waarvoor hij werd vrijgesproken.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de persoon van verdachte, die licht verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht. Verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de voorlopige hechtenis. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

De benadeelde partij vorderde een immateriële schadevergoeding van €15.000, die de rechtbank toewijst, rekening houdend met de Rotterdamse schaal. De schadevergoeding wordt gestort op een spaarrekening met BEM-clausule ter bescherming van het minderjarige slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedende maatregel voor meervoudige verkrachting en aanranding van zijn minderjarige dochter.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-201529-25 (P)
Datum vonnis: 2 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1969 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [woonplaats] ,
nu verblijvende in P.I. [locatie] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. E.W. Baan en mr. R. Oude Breuil, advocaten in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. M. Adolfs, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 mei 2025 meermalen zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2019:
  • heeft verkracht, door zijn penis in haar vagina, tussen haar schaamlippen en/of in haar mond te brengen (feit 1);
  • heeft aangerand, door zijn penis tegen haar vagina, anus en/of
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 mei 2025 te [plaats] (telkens)
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, zijnde zijn, verdachtes, kind een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het in haar vagina, tussen haar schaamlippen en/of in haar mond brengen van zijn, verdachtes, penis;
feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 mei 2025 te [plaats] (telkens)
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, zijnde zijn, verdachtes, kind een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het tegen haar vagina, anus en/of tussen haar billen drukken van zijn, verdachtes, penis en/of
- het door haar laten likken van zijn, verdachtes, penis en/of
- het door haar laten vasthouden van, en/of trekken aan, zijn, verdachtes, penis.

3.De bewijsmotivering

3.1
Aanleiding onderzoek
In het weekend van 25 mei 2025 logeerde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) bij haar opa en oma. [slachtoffer] heeft eerst aan haar opa en vervolgens aan haar oma en moeder verteld over de piemel van haar vader en onder meer gezegd hoe haar vader zijn piemel tegen haar vagina drukt. Op 26 mei 2025 heeft de moeder van [slachtoffer] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft vervolgens aangifte gedaan, waarna [slachtoffer] is verhoord.
Verdachte is op 3 juli 2025 aangehouden.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De pleegperiode moet echter worden ingekort, in die zin dat zij een aanvang neemt vanaf 1 februari 2025, aldus de officier van justitie.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte (partieel) moet worden vrijgesproken, te weten van het vaginaal binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , zoals onder 1 ten laste is gelegd. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte deze handeling van meet af aan uitdrukkelijk heeft ontkend, terwijl het dossier op dit punt geen aanvullend steunbewijs bevat.
Met betrekking tot de onder 1 en 2 tenlastegelegde periode heeft de verdediging vrijspraak bepleit voor zover deze betrekking heeft op de periode voor 1 februari 2025.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zich bij zedenzaken vaak de situatie voordoet dat slechts twee
personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is hier ook het geval. Als een verdachte ontkent dan kan het feit worden bewezen als de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en voldoende steun vindt in enig ander bewijsmiddel. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Het steunbewijs hoeft niet alle onderdelen van de tenlastelegging te dekken.
Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten grotendeels bekend, behoudens het binnendringen van de vagina van [slachtoffer] . Daarnaast heeft hij verklaard dat de feiten zijn gepleegd in een kortere periode dan ten laste gelegd. Door zowel de officier van justitie als de verdediging is betoogd dat de periode waarin de feiten zijn gepleegd moet worden beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat deze periode aanvangt op 1 februari 2025 en eindigt op 18 mei 2025.
Ten aanzien van het binnendringen van de vagina (feit 1) overweegt de rechtbank als volgt.
[slachtoffer] heeft, tijdens het zogenoemde studioverhoor, zeer gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die verdachte met haar verrichtte.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van [slachtoffer] authentiek, consistent en mede gelet op haar jonge leeftijd, zeer gedetailleerd. Zij heeft in de studio niet alleen over de seksuele handelingen zelf verklaard, maar de handelingen ook uitgebeeld en aangegeven wat ze ervan vond en hoe het voelde: “niet fijn”, “pijnlijk”, “raar”, “smaakt naar snot”. Daarnaast heeft ze verklaard over wat verdachte tijdens de handelingen tegen haar zei: “'ik ben een lolly, ik ben een lolly” en “heel even nog”. Specifiek over het seksueel binnendringen met de penis in de vagina verklaart zij: “(…) dan gaat die elke keer met zijn piemel heel hard drukken op mijn vagina. En dan zegt die “heel even, heel even, heel even” terwijl die dan de hele tijd nog doorgaat.” En (terwijl ze houding en handeling uitbeeldt): “Dan gaat die zo drukken en drukken en drukken, En dan deed ik ook wel een beetje drukken maar ik pas wel een beetje op. (…) Anders doet het heel veel pijn en vagina’s zijn heel gevoelig.”
Bovendien vindt de verklaring van [slachtoffer] op concrete onderdelen steun in andere bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van verdachte. Hij heeft immers de tenlastegelegde seksuele handelingen grotendeels bekend, - bijvoorbeeld ook het gebruik van de door [slachtoffer] genoemde term “lolly” bij het oraal binnendringen van zijn dochter - met uitzondering van het brengen van zijn penis in de vagina. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, de verklaring van [slachtoffer] , betrouwbaar en merkt deze dan ook in het geheel aan als bewijsmiddel, óók ten aanzien van het brengen van de penis in de vagina. Zoals hiervoor overwogen verklaart [slachtoffer] (ook) zeer gedetailleerd over deze seksuele handeling. Het drukken en (heel) pijnlijke gevoel, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, passen niet bij het enkel het met de penis “erlangs glijden” zoals verdachte verklaart, maar wel bij het brengen van de penis in de vagina. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte desgevraagd niet nader heeft kunnen duiden wat hij bedoelt met “erlangs glijden”.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen, genoemd in de bijlage, vast dat verdachte seksueel is binnengedrongen in het lichaam van zijn kind, [slachtoffer] , door zijn penis in haar vagina, tussen haar schaamlippen en in haar mond te brengen (feit 1) en dat hij zijn kind, [slachtoffer] , heeft aangerand (feit 2). Hij heeft zijn penis tegen haar vagina en tussen haar billen gedrukt, zijn penis door haar laten likken, zijn penis door haar laten vasthouden en haar aan zijn penis laten trekken. Verdachte heeft deze seksuele handelingen bekend.
De rechtbank acht niet bewezen het onder feit 2 ten laste gelegde ‘het tegen haar anus drukken van zijn, verdachtes, penis’ (eerste gedachtestreepje). Het dossier bevat hiervoor geen bewijsmiddelen: [slachtoffer] en verdachte hebben over deze seksuele handeling niet verklaard. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1:
hij in
of omstreeksde periode van 1 februari 2025 tot en met 18 mei 2025 te [plaats]
(telkens
)met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, zijnde zijn, verdachtes, kind
een of meerseksuele handelingen, die bestonden uit
of mede bestonden uithet seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het in haar vagina, tussen haar schaamlippen en
/ofin haar mond brengen van zijn, verdachtes, penis;
feit 2:
hij in
of omstreeksde periode van 1 februari 2025 tot en met 18 mei 2025 te [plaats]
(telkens
)met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, zijnde zijn, verdachtes, kind
een of meerseksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het tegen haar vagina
, anusen
/oftussen haar billen drukken van zijn, verdachtes, penis en
/of
- het door haar laten likken van zijn, verdachtes, penis en
/of
- het door haar laten vasthouden van, en
/oftrekken aan, zijn, verdachtes, penis.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 249, 250 en 254 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaanjegens een kind van diegene, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind van diegene, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel), als bedoeld in artikel 38z Sr, op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte al ruim zeven maanden in voorlopige hechtenis verblijft. Verder is het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft openheid van zaken gegeven, actief hulp gezocht en volledig meegewerkt aan het Pro Justitia-rapport en het daarop gebaseerde reclasseringsadvies. Volgens de psycholoog is sprake van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. Deze conclusie moet worden overgenomen. Verdachte heeft verder een blanco strafblad. Vanwege al deze omstandigheden kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van 36 maanden. Het daarnaast opleggen van de GVM-maatregel is niet noodzakelijk, omdat er al voldoende hulpinstanties bij verdachte en zijn gezin zijn betrokken. Bovendien adviseren de deskundigen niet om de GVM-maatregel op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan herhaalde verkrachting en aanranding van zijn dochter [slachtoffer] , destijds een vijfjarige kleuter. Dit seksueel misbruik heeft ruim drie maanden geduurd. Het is enkel gestopt omdat [slachtoffer] over het seksueel misbruik begon te vertellen tegen opa en oma en niet op initiatief van verdachte zelf.
Verdachte heeft zeer vergaande seksuele handelingen bij [slachtoffer] verricht, waaronder het vaginaal en oraal binnendringen van haar lichaam met zijn geslachtsdeel. Hij heeft hierbij telkens zijn eigen behoeften vooropgesteld boven het welzijn van [slachtoffer] en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem, als vader, had. Seksueel misbruik maakt niet alleen op grove wijze inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers, in dit geval [slachtoffer] , maar de ervaring leert dat dat de slachtoffers nog lang mentale klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid die zijn veroorzaakt door het seksueel misbruik. Bij minderjarige slachtoffers betekent dit veelal dat de normale seksuele ontwikkeling wordt verstoord. [slachtoffer] wordt in haar verdere leven onuitwisbaar en blijvend geconfronteerd met het feit dat de eerste persoon met wie zij seksueel contact heeft gehad, haar eigen vader is.
Verdachte geeft geen volledige openheid van zaken ten aanzien van de verrichte seksuele handelingen en heeft tijdens de verhoren bij de politie en ook tijdens de gesprekken met de psycholoog herhaaldelijk het initiatief van de handelingen bij [slachtoffer] gelegd. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt van de impact die het seksueel misbruik nu al heeft op [slachtoffer] : zij is zeer verdrietig en ontvangt momenteel passende hulp van Accare.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 21 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 15 december 2025. De klinisch psycholoog heeft bij verdachte geen stoornis vastgesteld, maar wel geconstateerd dat hij een problematische copingstijl hanteert en weinig zicht heeft op zijn gevoelens. Dit kan als een vorm van psychopathologie worden gekenmerkt. Ten tijde van het tenlastegelegde speelde dit ook en verdachtes gedragskeuzes en gedragingen werden hierdoor in enige mate beïnvloed. Door zijn problematische copingstijl drong het besef van zijn handelen niet goed tot hem door en handelde hij vervolgens ontwijkend. Verdachte heeft hierdoor onvoldoende adequaat gehandeld. Hij heeft vanuit zijn vermijdende stijl en mogelijk zijn koppige neiging alles zelf te willen oplossen bijvoorbeeld geen contact gezocht met de moeder van [slachtoffer] (waarmee herhaling zeer waarschijnlijk voorkomen was). Het advies van de klinisch psycholoog is om het tenlastegelegde licht verminderd toe te rekenen. De klinisch psycholoog schat het recidiverisico in de huidige context of in een niet-gedetineerde situatie met professioneel toezicht laag in. Zonder dergelijk toezicht is het recidiverisico laag-matig. De klinisch psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan in elk geval reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde verbonden. In overweging wordt gegeven om daarnaast met (ambulante) behandeling in te zetten op de belangrijkste gestelde risicofactor: het versterken van zijn probleemoplossende vaardigheden.
De rechtbank neemt de conclusie van de klinisch psycholoog met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid over en rekent het bewezenverklaarde verdachte dan ook in licht verminderde mate toe. De rechtbank verbindt hieraan echter geen verdere consequenties, in die zin dat zij er bij de strafbepaling niet in strafmatigende zin rekening mee houdt.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 23 december 2025. De reclassering komt, net als de klinisch psycholoog, tot een laag recidiverisico. Normaal gesproken adviseert de reclassering geen reclasseringsinterventies bij een laag recidiverisico, maar volgens de reclassering zal het risico nog verder worden verkleind als kortdurende forensische behandeling wordt ingezet. Het advies is daarom om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, vermijden van contact met minderjarigen en toestemming geven voor het raadplegen van referenten. Verdachte heeft verklaard open te staan voor behandeling om nieuw delictgedrag te voorkomen.
In het reclasseringsadvies is verder te lezen dat verdachte de totstandkoming van de strafbare feiten deels bij [slachtoffer] neerlegt (‘zij wilde stoeien’, ‘zij raakte mijn piemel aan’). Ook bij het politieverhoor en ter terechtzitting van 16 februari 2026 heeft verdachte dergelijke verklaringen afgelegd (‘zij deed haar broekje naar beneden en wilde dat ook mijn broek naar beneden ging’, ‘ze vroeg ook wel eens of ik haar op de rug wilde kietelen’).
Gevangenisstraf
De rechtbank is, gezien de ernst van de gepleegde feiten, van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden is. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet hiervan worden afgetrokken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om een GVM-maatregel op te leggen, zoals door de officier van justitie geëist. Dat deskundigen niet hebben geadviseerd om een GVM-maatregel op te leggen staat aan het opleggen van een GVM-maatregel niet in de weg. Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank immers ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie aan verdachte een GVM-maatregel opleggen. De rechtbank overweegt dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van die maatregel is voldaan: verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven als omschreven in de artikelen 249, 250 en 254 Sr en aan hem wordt voor deze strafbare feiten bovendien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Door het opleggen van een GVM-maatregel is het mogelijk om ook na afloop van de gevangenisstraf langdurig toezicht uit te blijven oefenen op verdachte en hem zo nodig te ondersteunen. De officier van justitie moet in een aparte procedure de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen en dan bij de rechtbank een vordering indienen met overlegging van een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies van de reclassering.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] , bijgestaan door mr. M. Adolfs, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. [slachtoffer] heeft een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer] gevorderde
immateriële schadevergoeding moet worden toegewezen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen. Zij heeft in dit verband allereerst gewezen op de draagkracht van verdachte: zijn financiële situatie was al zorgelijk en is door de aanhouding nog verder verslechterd. Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag moet worden gematigd tot een bedrag van € 7,500,00.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van [slachtoffer] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] door het strafbare feit ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. Er is bij haar weliswaar (nog) geen geestelijk letsel vastgesteld, maar de rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. Vaststaat dat zij seksueel is misbruikt door haar vader, die geacht werd voor haar te zorgen. Daarbij is onder meer sprake geweest van seksueel binnendringen. Verder staat vast dat [slachtoffer] begeleiding nodig heeft en momenteel ook krijgt van Accare. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding rekening gehouden met de Rotterdamse schaal ter begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag tussen de € 7.500,00 en € 15.000,00 billijk kan zijn in geval van ernstige verkrachting
(categorie 15.1 sub b).
Gelet op deze bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse schaal in vergelijkbare gevallen worden toegekend, gerelateerd aan de in deze zaak bewezenverklaarde feiten, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor. Zij is van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is en wijst de vordering van [slachtoffer] daarom geheel toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank zal, omdat de benadeelde nog minderjarig is, bepalen dat de aan haar te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de haar te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en de wettelijke vertegenwoordiger kunnen daarom slechts met toestemming van de kantonrechter hierover beschikken tot zij 18 jaar is.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de
schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 100 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr Pro.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan
jegens een kind van diegene, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind van diegene, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer](feiten 1 en 2) toe tot een bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro) (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 100 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een op naam van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2019) te openen bankrekening met een BEM-clausule.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026.
Buiten staat
Mr. E.C. de Bie is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ONRBC25233 (Maladeta). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feiten 1 en 2
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 februari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, houdt voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat ik met mijn piemel heel hard drukte op haar vagina en vraagt of dat klopt ja.
(…)
U vraagt wanneer het is begonnen. Rond februari, maart 2025.
(…)
U vraagt hoe mijn piemel in de mond van [slachtoffer] kwam, op het moment dat ik met haar onder de douche stond.
Opmerking griffier: verdachte blijft stil.
U vraagt of ik het niet weet of niet wil zeggen en vraagt vervolgens of [slachtoffer] uit het niets mijn piemel in de mond nam. Ik heb wel gezegd dat het een lolly was.
(…)
U geeft aan dat het erop lijkt dat ik haar daarmee aanmoedig. Dat denk ik dan.
(…)
U vraagt hoe lang ze mijn piemel in haar mond heeft gehad. Twee of drie seconden.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 3 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 95, 100, 101, 102, 103, 104, 105 en 106:
V: (...) heeft [slachtoffer] jou ook wel eens aangeraakt?
A: Ja.
V: (…) op de piemel en billen?
A: Ja ook (...).
V: Op wat voor moment gebeurt dat dan? (...)
A: Bijvoorbeeld onder de douche (...)
V: Hoe raakt ze jou aan bij de piemel?
A: Dan trekt ze eraan (…).
V: Hoe vaak doet ze dat dan?
A: Twee of drie keer is dat gebeurd. (...)
V: Zijn er andere handelingen geweest (…).
A: Ja ze heeft er wel eens aangezeten. Aan de piemel.
V: Hoe heeft ze dat dan gedaan?
A: Met de hand eraan. (...)
V: Heeft [slachtoffer] op een andere locatie dan in de douche aan jouw piemel gezeten?
A: Ja in bed heeft ze dat wel een keer gedaan ja (...).
V: Heeft jouw piemel wel eens andere lichaamsdelen aangeraakt (…)?
A: Die is wel eens langs haar vagina gegleden ja (...)
V: Hoe is dat gegaan?
A: Op het moment dat die prikkel komt. (…) Als ik tegen haar aanlig gaat dat gebeuren. Het mag niet dat weet ik, maar het is gebeurd.
V: Hoe zat het met de kleding?
A: Die was al uit toen. (...)
V: Je zegt je bent erlangs gegleden. Wat doe je dan met je piemel?
A: Dan ga je heen en weer.
V: Hoe is de toestand van je piemel?
A: Die is dan stijf. Dat gaat een minuutje zo en dan draai ik me om (…).
V: Hoe vaak is dat voor gekomen?
A: Twee of drie keer. (...)
O: [slachtoffer] verklaarde:
Papa heeft wat gedaan wat helemaal niet mag. Altijd als ik bij papa ben dan zeg ik ga je op mijn rug kietelen. Hij zegt dan ja of nee. Als hij ja zegt dan gaat dan heel hard drukken met zijn piemel op mijn vagina. Hij zegt dan de hele tijd heel even, heel even nog. En dan zeg ik dat ik dat niet fijn vind.(...)
V: Hoe zit dit precies?
A: (...) Wat [slachtoffer] zegt is deels wel waar. (...)
V: Je zegt wat [slachtoffer] zegt is deels waar.
A: Dat harde drukken is gewoon zo erlangs.
O: Verdachte beweegt zijn vingers heen en weer tussen de knokkels boven op zijn hand met de wijs en middelvinger vlak. En zegt hierbij dat die vingers de benen zijn.
V: En dat “Heel even, heel even" klopt het dat je dat zegt?
A: Ja. (...)
V: Ben je wel eens met je piemel tussen de billen van [slachtoffer] geweest?
A: Ja dan ga je er zo langs.
V: Kom je dan met je piemel tussen de billen?
A: Ja.
V: En kom je dan met je piemel tussen haar schaamlippen?
A: Dat zou kunnen dat die daar tussen komt (...).
O: [slachtoffer] verklaarde verder:
Dan ga ik daarheen met mijn mond en dan doe ik dat. Dat voelt heel raar, want het smaakt een beetje als slijm uit je neus. Hoe ging dat dan? Ik deed dan mijn hoofd onder de deken en dan ga ik met mijn hoofd naar beneden en dan (maakt likkende bewegingen me haar tong) het smaakt naar snot en dat komt dan uit zijn piemel. (…)
V: Klopt dat ook wat ze zegt.
A: Ze heeft er wel eens aangezeten ja.
V: Aangezeten met wat?
A: Met de mond.
V: Wat gebeurt er dan met haar mond?
A: Ja ze zit dan over de eikel heen. (...)
V: Hoe vaak is het gebeurd in totaal?
A: Twee of drie keer.
V: Waar waren die keren?
A: In de douche en in de slaapkamer.(...)
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring, van 4 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina 1 (losbladig):
(…) Ze heeft gelikt aan mijn piemel. (…)
4. Het proces-verbaal uitwerking studioverhoor van 3 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 33 tot en met 43:
Voornamen: [slachtoffer]
Achternaam: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2019 (…)
A: (...) altijd als ik bij papa ben dan zeg ik ga je op mijn rug kietelen en dat zegt papa ja of
nee. En als papa ja zegt dan gaat die elke keer met zijn piemel heel hard drukken op mijn
vagina. En dan zegt die ''heel even, heel even, heel even'' terwijl die dan de hele tijd nog doorgaat. (...) En dat vind ik niet fijn. (…)
V: [slachtoffer] , dat papa dat heeft gedaan met zijn piemel tegen je vagina drukken. Is dat 1 keer gebeurd of vaker?
A: Vaker. (...)
V: En op welke plekken is dat gebeurd dat papa met zijn piemel tegen je vagina ging drukken?
A: In zijn bed. (...)
V: En in welk huis was dat?
A: In zijn eigen huis. (…)
V: (...) doe eerst maar eens even tekenen het bed met jou en papa erop (…)
A: Dit is papa en dit ben ik.
V: Ja en dan gaat die je kietelen.
A: Ja op mijn rug.
V: Op je rug.
A: Dit is de piemel en dan gaat die tsst in mijn vagina.
V: Dan gaat die in je vagina. En hoe voelt dat dan?
A: Niet fijn. (...) Dan zeg ik ''stop papa''. En dan zegt die elke keer ''heel eventjes, heel eventjes, heel eventjes, heel eventjes, heel eventjes''. (...)
V: (...) En hoe zit het dan met jullie kleren?
A: Dan trek ik die allemaal uit en dan zegt papa ik doe dat ook. En dan gaan we daarna altijd samen douchen. En dan gaat die in de douche ook met de piemel tegen mijn vagina. (...)
V: Want hoe kan papa als jij daar ligt want jij zegt papa gaat met de piemel in mijn vagina. (...)
A: (...) En dan trek ik mijn kleren uit en dan doet papa zo de piemel in mijn vagina zo drukken. En vagina’s zijn ook nog heel gevoelig. (noot verbalisant: [slachtoffer] ligt op de bank doet haar benen iets wijder en drukt een paar keer met beide handen ter hoogte van haar vagina). (…)
V: (...) En wat doet die dan met zijn piemel?
A: Dan gaat die zo drukken en drukken en drukken. (...)
V: (…) En je vindt het niet fijn zeg jij. Waarom is het niet fijn?
A: Anders doet het heel veel pijn en vagina’s zijn heel gevoelig. (…)
V: En hoe voelt de piemel dan?
A: Heel raar. En ik moet ook altijd de piemel in mijn mond.
V: Oh vertel daar eens over dan.
A: Dat moet altijd want dan zegt die ''ik ben een lolly, ik ben een lolly'' en dan doe ik dat. En dan vind ik het soms best lekker maar soms spuug ik dan gelijk en dan ga ik kotsen. (...)
V: En toen vroeg ik wat zeg je dan als je de piemel in de mond doet?
A: Dat voelt heel raar. Dat voelt een beetje als slijm uit je neus. (...)
V: (...) Waar komt die snot dan vandaan?
A: Uit de piemel. (...) En dan gaat die snot zo sjjjeee in mijn mond hier. (...)
V: En wat deed je met dat snot?
A: Die eet ik niet op die lik ik gewoon aan.
V: En wat zei papa toen je dat deed?
A: Toen zei papa eet maar op.
V: Zei papa eet maar op. Jij zegt ik ging het snot niet opeten. En waar bleef dat dan?
A: In mijn mond zitten.
V: In je mond zitten en toen?
A: Spuugde ik dat uit in de douche. (...) In de put. (...)
V: Jij zei dat de piemel van papa ook onder de douche in je vagina ging. Klopt dat?
A: Ja. (...)
V: Wat heb je dan aan onder de douche?
A: Kleren.
V: Kleren. Maar klopt het dat zijn piemel in je vagina ging onder de douche?
A: Ja.
V: [slachtoffer] , klopt dat wel?
A: Ja
5. Een geschrift, te weten een verslag kindinterview met [slachtoffer] als geïnterviewde, van 28 mei 2025, pagina’s 14, 19, 22 en 23:
[naam 1] : (...) Je vertelde, papa begint met kietelen. Wat gebeurt er dan?
[slachtoffer] : Dan doet hij soms zijn broek uit. En dan doe ik ook mijn onderbroek en gewone broek uit. Dan gaat hij het altijd op mijn vagina doen en dan gebeurt dat en dan vind ik dat niet zo fijn. Soms gaat die op mijn konten dat maakt mij ook wel uit, dat doet ook heel veel pijn. (...)
[naam 1] : (...) Jij zegt, dan zit papa aan mijn vagina. Wat gebeurt er daarna?
[slachtoffer] : Dan gaat hij mij verder kietelen en dan gaat ook met zijn piemel ondertussen. En soms moet ik eraan likken. Maar dat wil ik niet.
[naam 1] : Vertel daar eens meer over, over dat likken.
[slachtoffer] : Over dat likken? Dat vindt papa fijn. Dat vind ik soms fijn, maar soms ook niet.
[naam 2]: Als je dat niet fijn vindt, hoe ziet dat er dan uit?
[slachtoffer] : Dan wordt mijn smaak heel anders. (…)