ECLI:NL:RBOVE:2026:117

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
08.125926.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijke onvoorzichtigheid van bestuurder

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een verkeersongeval op 30 september 2024 in Nijverdal. De verdachte, een beroepschauffeur, reed met een bedrijfsauto op de Grotestraat en naderde de kruising met de Maximastraat. Ondanks dat de maximumsnelheid op het erf vijftien kilometer per uur was, reed hij met een snelheid tussen de 43 en 52 kilometer per uur. Door begroeiing was zijn zicht belemmerd, en hij heeft de van links komende fietser, [slachtoffer], niet opgemerkt. Dit leidde tot een aanrijding waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder een gebroken been en bekken. De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig had gereden, wat leidde tot zijn schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. De uitspraak is gedaan na een zorgvuldige afweging van de feiten, de omstandigheden van het ongeval en de impact op het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.125926.25 (P)
Datum vonnis: 14 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 december 2025 en 31 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. Derks, advocaat in Almere, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een voertuig, een bedrijfsauto:
primair:een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een fietser, [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;
subsidiair:de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht en in aanrijding is gekomen met [slachtoffer];
meer subsidiair:een kruising is opgereden zonder voorrang te verlenen aan [slachtoffer] waardoor zij letsel heeft opgelopen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Nijverdal in de gemeente Hellendoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, bedrijfsauto), gaande in de richting van de Amaliastraat, daarmede rijdende over de weg de Grotestraat,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd door bosschages en/of
terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en/of
terwijl verdachte het centrum via de Grotestraat, een gebied dat is aangeduid als erf, verliet richting de kruising van de Grotestraat met de Maximastraat en/of
- heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 15 kilometer per uur, die bij het oprijden van het kruispunt Grotestraat met Maximastraat overging in 30 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 43 kilometer per uur en 52 kilometer per uur en/of
- bij het verlaten van de erf en vervolgens het oprijden van de weg, zijnde een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zich niet of in onvoldoende mate ervan te overtuigen of verkeer naderde en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van de bestuurster van de fiets en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Nijverdal in de gemeente Hellendoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, bedrijfsauto), gaande in de richting van de Amaliastraat, daarmede rijdende over de weg de Grotestraat,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd door bosschages en/of
terwijl verdachte het centrum via de Grotestraat, een gebied dat is aangeduid als erf, verliet richting de kruising van de Grotestraat met de Maximastraat en/of
- heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 15 kilometer per uur, die bij het oprijden van het kruispunt Grotestraat met Maximastraat overging in 30 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 43 kilometer per uur en 52 kilometer per uur en/of
- bij het verlaten van de erf en vervolgens het oprijden van de weg, zijnde een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zich niet of in onvoldoende mate ervan te overtuigen of verkeer naderde en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van de bestuurster van de fiets en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn als bestuurder van een voertuig (personenauto, bedrijfsauto), uit een erf de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de Grotestraat met de Maximastraat, is opgereden zonder een bestuurser van een fiets voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

3.3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden, waardoor het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994). Zij neemt daarbij in aanmerking dat verdachte als beroepschauffeur een zogenoemde Garantenstellung had en daarom extra alert had moeten zijn. Door het ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat er geen sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Verder ontbreekt het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval. Om die redenen dient ook vrijspraak te volgen van het subsidiair tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over het meer subsidiair tenlastegelegde.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 30 september 2024 reed verdachte beroepsmatig als bestuurder in een bedrijfsauto op de Grotestraat in Nijverdal en naderde de kruising met de Maximastraat [1] . De Grotestraat was ter plaatse aangemerkt als erf, door een bord dat zichtbaar was voor verdachte. De maximum snelheid op het erf bedroeg vijftien kilometer per uur. Bij het oprijden van de kruising ging de maximum snelheid over in dertig kilometer per uur. Verdachte reed met een aanzienlijk hogere snelheid dan was toegestaan: een indicatieve snelheid van minimaal 43 kilometer en maximaal 52 kilometer per uur. Verdachte wilde de kruising oversteken. Aan de linkerkant, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, werd zijn zicht naar links door begroeiing belemmerd en het regende. Verdachte heeft voor de kruising wel het gas losgelaten, maar is niet gestopt. Verdachte heeft de voor hem van links komende fietser ([slachtoffer]) niet gezien en is met haar in aanrijding gekomen. [slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval haar been en bekken gebroken en zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW1994
Verdachte heeft bekend dat hij schuldig is aan een aan hem te wijten verkeersongeval
waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994.
De rechtbank is op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden het volgende van oordeel. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden. Daardoor heeft het verkeersongeval plaatsgevonden en heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte heeft schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW1994.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 september 2024 te Nijverdal in de gemeente Hellendoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), gaande in de richting van de Maximastraat, daarmede rijdende over de weg de Grotestraat,
aanmerkelijk onvoorzichtig, heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en
niet of onvoldoende heeft opgelet op het overige verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
terwijl zijn zicht ter plaatse belemmerd werd door bosschages en
terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd en
terwijl verdachte het centrum via de Grotestraat, een gebied dat is aangeduid als erf, verliet richting de kruising van de Grotestraat met de Maximastraat en
- heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 15 kilometer per uur, die bij het oprijden van het kruispunt Grotestraat met Maximastraat overging in 30 kilometer per uur, en
-
bij het verlaten van de erf en vervolgens het oprijden van de weg, zijnde een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zich niet of in onvoldoende mate ervan heeft overtuigd of verkeer naderde en
-
zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van de bestuurster van de fiets en
in aanrijding is gekomen met die fiets en de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikelen 6 en 175 WVW1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een
taakstraf voor de duur van tweehonderd uren subsidiair honderd dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als pakketbezorger en heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsauto een verkeersongeval veroorzaakt terwijl hij aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Bij het verkeersongeval heeft [slachtoffer], destijds vijftien jaar, haar been en bekken gebroken, zij moest geopereerd worden en heeft enkele weken in het ziekenhuis gelegen. Daarna volgde een lang revalidatietraject.
De gedragingen van verdachte hebben een grote impact gehad op [slachtoffer], zij heeft zich veel zorgen gemaakt over haar toekomst, zoals blijkt uit de voorgedragen slachtofferverklaring.
De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte zelf ook enorm is geschrokken van het verkeersongeval. Verdachte heeft zich onmiddellijk om het slachtoffer bekommerd, is bij haar gebleven en heeft naar omstanders geschreeuwd dat zij 112 moesten bellen. Verdachte heeft spijt betuigd en heeft toegegeven dat hij had moeten stoppen voordat hij de kruising op reed. Verdachte heeft daarnaast uit eigen beweging contact opgenomen met het slachtoffer en haar familie en is ook bij het slachtoffer op bezoek geweest om zijn excuses aan te bieden en te informeren hoe het met haar ging. Ook ter zitting heeft verdachte, ondanks het vrijspraakverweer van zijn raadsvrouw, keer op keer herhaald dat het ongeval zijn schuld was. Zijn schuldbewustheid en zijn zorgen over het slachtoffer ter zitting maakten op de rechtbank een oprechte indruk.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 19 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in 2022 en 2009 is veroordeeld voor een Wegenverkeerswetdelict.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.
De rechtbank vindt, met de officier van justitie en de verdediging, in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om aan verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen. Verdachte is pakketbezorger en hij haalt veel voldoening uit zijn baan. Verdachte heeft spijt betuigd en heeft zijn verantwoordelijkheid genomen ten aanzien van het slachtoffer. De rechtbank zal de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in voorwaardelijke vorm aan verdachte opleggen met een proeftijd voor de duur van twee jaren. De voorwaardelijke ontzegging strekt er mede toe de verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen.
Verder zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis. De rechtbank zal een wat hogere taakstraf aan verdachte opleggen dan het oriëntatiepunt van het LOVS als uitgangspunt voorstelt nu de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in voorwaardelijke vorm aan verdachte wordt opgelegd.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 WVW1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 (vijfenzeventig) dagen;
-
ontzegtde verdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur
van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen;
stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025160302. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Op 30 september 2024 reed ik in een bedrijfsauto als pakketbezorger. Ik reed op de Grotestraat in Nijverdal. Ik heb het bord met erf wel gezien. Ik naderde het kruispunt met de Maximastraat. Ik wilde rechtdoor rijden. Ik heb mijn voet van het gaspedaal gehaald. Ik heb op dat moment niet geremd en ben niet gestopt. Ik gaf weer gas om de kruising over te steken. Het is een automaat en die trekt snel op. Ik wist dat ik weinig zicht had naar links. Door die begroeiing had ik geen zicht. Ik zag niemand toen ik door de bosjes heen keek. Ik keek naar links en rechts. Op moment dat ik naar links keek, was [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) er ineens. Het kan wel kloppen dat ik 43 – 52 kilometer per uur reed.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 10 maart 2025, pagina’s 21 – 52, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
1.2
Aanleiding onderzoek
Op 30 september 2024 had op de Grotestraat, gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Nijverdal in de gemeente Hellendoorn het verkeersongeval plaatsgevonden.
1.5
Betrokkenen
Bij het verkeersongeval waren de volgende voertuigen betrokken:
1.5.1
Voertuig 1: Bedrijfsvoertuig
[Afbeelding]
[Afbeelding]
2.1
Wegsituatie bedrijfsauto
Wij zagen dat de Grotestraat:
- was ingericht als erf;
- bestond uit 1 rijbaan;
- op de plaats waar het verkeersongeval plaats had gevonden het erf overging in een 30 km/u | zone;
- op de plaats van het verkeersongeval de Grotestraat een knik naar links en vervolgens direct
weer naar rechts beschreef.
[Afbeelding]
2.3.1
Reguliere verkeersmaatregelen
Wij zagen het volgende:
- de Grotestraat was voor het openbaar verkeer opengesteld;
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 30 km/u als gevolg van artikel 62 jo.
Verkeersbord Al van bijlage 1 van het RVV 1990;
- de Grotestraat was voor de bedrijfsauto, op het moment voordat deze het bord 30km/h
passeerde, aangewezen als erf;
De onderstaande borden waren voor de betrokkenen zichtbaar.
Bord Al als gevolg van artikel 62jo Verkeersbord Al van bijlage 1 van het RVV 1990
Bord L9 als gevolg van artikel 62jo Verkeersbord LI van bijlage 1 van het RVV 1990
Bord G5 als gevolg van artikel 62jo Verkeersbord LI van bijlage 1 van het RVV 1990
[Afbeelding]
[Afbeelding]
2.7
Zicht
Wij stelden vast dat:
- het zicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg wel belemmerd werd;
- er links, gezien vanuit de oorspronkelijk rijrichting van de bedrijfsauto, begroeiing aanwezig was;
- er rechts, gezien vanuit de oorspronkelijk rijrichting van de fiets, begroeiing aanwezig was;
De onderstaande afbeeldingen tonen deze begroeiing van de rijrichting van de bedrijfsauto bij daglicht 2 weken na het ongeval. De foto is gemaakt op ongeveer 22 meter voor de
ongevalsomgeving.
[Afbeelding]
De onderstaande afbeeldingen geven een indruk van het zicht in de rijrichting van de fietser vanaf de bestuurdersplaats van de bedrijfsauto op verschillende posities bij het naderen van het kruispunt Grotestraat - Maximastraat. Deze foto's zijn genomen tijdens het PD-onderzoek op 30 september. Hieruit bleek dat het zicht op de van links komende fietser aanzienlijk kon worden beperkt door de aanwezige bosschages.
[Afbeelding]
[Afbeelding]
Afbeelding 20: zicht naar links vanuit de bedrijfsbus ter hoogte van het einde van erf
2.8
Veiligstellen videobeelden
Op de beelden is te zien dat de bedrijfsauto, zeer waarschijnlijk, sneller rijdt dan de maximaal toegestane snelheid van 15 km/u binnen het erf. Daarnaast blijkt uit de beelden dat de bedrijfsauto niet of nauwelijks afremt voordat hij het erf verlaat. Verder is zichtbaar dat er aan de rechterzijde van het beeld een fiets nadert, waarbij de fietser verlichting voer.
5.2.1
Botspositie
Met gebruikmaking van de schades aan de betreffende voertuigen en de beschikbare camerabeelden, werden de voertuigen tegen elkaar gepositioneerd. Hieruit bleek ons dat de fiets, middenvoor de bedrijfsauto heeft gezeten ten tijde van de botsing.
[Afbeelding]
Het proces-verbaal Snelheid op basis van videobeelden, pagina’s 53-71, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
5.3
(…)
Uit de[ze] berekeningen blijkt dat de bestelbus, kort voordat deze tot stilstand kwam, een indicatieve gemiddelde snelheid had van minimaal 43 km/u en maximaal 52 km/u.
4.
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van traumachirurg S.F.L. van Stigt van 4 oktober 2024, voor zover inhoudende op pagina’s 119 en 120:
Achternaam : [slachtoffer]
Voornaam : [slachtoffer]
Uitwendig waargenomen letsel: open breuk onderbeen links, dus met wond
Twee operaties: 1 keer voor onderbeen en wonden
1 keer voor ernstig bekkenletsel
Geschatte duur van de genezing: meerdere maanden.

Voetnoten

1.De in de derde regel van de tenlastelegging opgenomen aanduiding “Amaliastraat” is een kennelijke verschrijving van de verderop vermelde “Maximastraat” en wordt verbeterd gelezen.