ECLI:NL:RBOVE:2026:1162

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/08/336739 / HA ZA 25-250
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 lid 1 BWArt. 6:83 sub c BWArt. 6:87 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over gebrekkige fundering aanbouw en uitleg NEN-EN 1997-1 norm

Eiseressen lieten een aanbouw bouwen door gedaagde, die volgens hen gebrekkig is vanwege een te ondiepe fundering die niet vorstvrij zou zijn. Partijen verschillen over de interpretatie van de NEN-EN 1997-1 norm die de minimale funderingsdiepte voorschrijft. Diverse deskundigenrapporten zijn over en weer uitgebracht, met tegenstrijdige conclusies over de diepte en de toepassing van de norm.

Eiseressen vorderen vervangende schadevergoeding of ontbinding van de overeenkomst, stellende dat sloop en herbouw noodzakelijk zijn. Gedaagde betwist tekortkoming en stelt dat de fundering voldoet aan de norm. De rechtbank beoordeelt dat verzuim van gedaagde alleen kan worden aangenomen indien hij schriftelijk is aangemaand en niet binnen een redelijke termijn nakomt, wat niet volledig is voldaan.

De rechtbank acht uitleg van de NEN-norm door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk vanwege onduidelijkheid over de begrippen "bouwwerk langs de perceelgrens" en "tussen woningen of gebouwen onderling". Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over de voorgestelde deskundige, de vragen en het voorschot. De verdere beslissing wordt aangehouden tot na het deskundigenrapport.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de deskundige, vragen en voorschot.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/336739 / HA ZA 25-250
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiseres 2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseressen] ,
advocaat: mr. R.V. Hutjens,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. van de Worp.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiseressen] hebben een aanbouw laten bouwen door [gedaagde] . Volgens hen is de aanbouw gebrekkig. Zij stellen onder andere dat de fundering van de aanbouw niet diep genoeg is aangelegd, waardoor de fundering niet vorstvrij ligt. Zij beroepen zich op een norm uit de NEN-EN 1997-1. Partijen verschillen van mening over hoe deze norm begrepen moet worden. De rechtbank acht uitleg van de NEN-norm door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de voorgestelde deskundige, de aan de deskundige voor te leggen vragen en het begrote voorschot.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte indienen (aanvullende) producties van [eiseressen] ,
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eiseressen] ,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
In 2023 hebben [eiseressen] een woning gekocht aan de [adres] in [woonplaats 1] . Zij zijn het huis gaan verbouwen.
3.2.
Op 7 december 2023 heeft [gedaagde] een offerte uitgebracht voor een aanbouw in ruwbouw voor € 25.080,15 inclusief btw. [eiseressen] hebben de offerte aanvaard. Het gaat om een aanbouw aan de bestaande zij- en achtergevel van de woning. Op 15 januari 2024 zijn de werkzaamheden gestart.
3.3.
[eiseressen] hebben € 22.572,00 aan [gedaagde] betaald.
3.4.
Op 3 april 2024 heeft [gedaagde] een eindfactuur van € 5.172,75 inclusief btw naar [eiseressen] gestuurd. Op de factuur is de restant aanneemsom van € 2.508,00 inclusief btw in rekening gebracht, is een bedrag van € 2.000,00 inclusief btw in mindering gebracht wegens niet geleverde staalwerkzaamheden en is meerwerk in rekening gebracht.
3.5.
Op 22 april 2024 heeft [bedrijf] – op verzoek van [eiseressen] – een opleverrapport over de aanbouw opgesteld. In het rapport staat dat er gebreken zijn met betrekking tot het riool, (de aansluiting van) het metselwerk bij de poort, de afwezigheid van stootvoegen, de loodslabben, de loodaansluiting, de isolatie in de spouwmuur en de balklaag. De herstelkosten zijn begroot op € 6.575,00 exclusief btw.
3.6.
Op 29 april 2024 heeft de gemachtigde van [eiseressen] , [gedaagde] per brief medegedeeld dat sprake is van de hiervoor genoemde gebreken en hem gesommeerd om binnen veertien dagen de overeengekomen werkzaamheden alsnog uit te voeren conform de eisen van goed en deugdelijk werk.
3.7.
Vanaf 21 mei 2024 heeft [gedaagde] herstelwerkzaamheden uitgevoerd.
3.8.
Op 10 juni 2024 heeft [bedrijf] – op verzoek van [eiseressen] – nogmaals een rapport over de aanbouw opgesteld. In het rapport staat dat niet alle gebreken zijn hersteld en dat schade is geconstateerd als gevolg van het herstel. Daarnaast staat in het rapport dat [bedrijf] gebreken aan de fundering heeft geconstateerd. De funderingsdiepte is volgens haar 48 centimeter, terwijl dit normaal 80 centimeter hoort te zijn en ten minste 60 centimeter moet zijn. Daarnaast is de fundering volgens [bedrijf] niet breed genoeg en is gedeeltelijk over de fundering heen gemetseld, waardoor er geen fundering recht onder het metselwerk staat.
3.9.
Op 14 juni 2024 heeft de gemachtigde van [eiseressen] per e-mail aan [gedaagde] medegedeeld dat er door de herstelwerkzaamheden gevolgschade is ontstaan en dat er gebreken zijn aan de openstaande dilatatievoeg, het metselwerk rondom de poort, de fundering en het voegwerk in het metselwerk. [gedaagde] is gesommeerd om de gebreken binnen veertien dagen te verhelpen.
3.10.
Op 27 juni 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] per e-mail aan [eiseressen] medegedeeld dat [gedaagde] betwist dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Ook heeft hij medegedeeld dat [gedaagde] zich het recht voorbehoudt tot nacalculatie van het daadwerkelijk door hem verrichte meerwerk – inclusief de uitgevoerde herstelwerkzaamheden – en het in rekening brengen daarvan, maar dat het bewijs van het meerwerk nog niet is overgelegd, omdat nog onderzocht wordt of een minnelijke oplossing mogelijk is. Daarnaast heeft hij opmerkingen gemaakt over de objectiviteit en deskundigheid van [bedrijf] en medegedeeld dat [gedaagde] de punten beoordeeld wil zien door een partij waarbij hij kan vertrouwen op diens objectiviteit en deskundigheid.
3.11.
Op 10 september 2024 heeft – op verzoek van [eiseressen] en in het bijzijn van [gedaagde] – een onderzoek plaatsgevonden door A2 Experts. Op 14 oktober 2024 heeft A2 Experts een rapport van haar bevindingen opgesteld.
In het rapport staat dat sprake is van gebreken met betrekking tot:
- de aansluiting tussen het nieuwe metselwerk van de aanbouw en het bestaande bouwwerk,
- de afwezigheid van een zettingsconstructie (polderstuk) bij de aansluiting op het riool,
- de afwezigheid van waterwerende of -afvoerende voorzieningen bij de stelkozijnen, en
- de dakrand en dakbedekking.
Daarnaast staat in het rapport dat de aanbouw ondiep is en dat de diepte van de fundering ten minste 80 centimeter ten opzichte van het maaiveld moet zijn, in verband met de vorstvrije diepte. Ook staat in het rapport dat [gedaagde] desgevraagd heeft verklaard dat hij geen toetsing heeft laten uitvoeren naar het draagvermogen en de stabiliteit van de zandlaag onder de aanbouw, de aanlegdiepte van de fundering en het zettingsgedrag van de bestaande (op staal gefundeerde) bouwconstructie. Volgens A2 Experts is dit vereist volgens het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en is de draagkracht van de ondergrond mogelijk onvoldoende. A2 Experts heeft in haar rapport vermeld dat zij de bevestiging van de spouwmuurisolatie niet heeft beoordeeld.
3.12.
Op 31 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiseressen] per brief aan [gedaagde] medegedeeld dat uit het rapport van A2 Experts volgt dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hij is gesommeerd om de expertisekosten te betalen. Aan [gedaagde] is medegedeeld dat [eiseressen] op advies van A2 Experts een constructeur gaan benaderen voor vervolgonderzoek en dat de sommatie tot herstel pas zal volgen zodra de totale aard en omvang van de schade bekend is.
3.13.
Op 13 december 2024 heeft [gedaagde] per brief aan [eiseressen] medegedeeld dat niet is aangetoond dat sprake is van een gebrek in het werk. Hij schrijft dat hij het meerwerk altijd als onderdeel van een minnelijke oplossing heeft gezien, maar dat [eiseressen] kennelijk geen oplossing wensen. Volgens hem hebben zij eenzijdig een derde adviseur ingeschakeld om koste wat kost iemand te vinden die een gebrek wil vaststellen. Hij heeft daarom besloten de kosten van het meerwerk – inclusief de uitgevoerde herstelwerkzaamheden – te vorderen. Hij heeft een meerwerkfactuur van € 18.815,02 meegestuurd.
3.14.
Op 8 januari 2025 heeft – op verzoek van [eiseressen] en in het bijzijn van [gedaagde] – een onderzoek plaatsgevonden door Constructiemeesters. Op 13 januari 2025 heeft Constructiemeesters een rapport over de fundering van de aanbouw opgesteld. Volgens Constructiemeesters is de aanlegdiepte van de fundering 65 centimeter ten opzichte van het maaiveld en moet dit minimaal 80 centimeter zijn. De fundering is volgens haar dus niet vorstvrij aangelegd. Daarnaast is het buitenblad van de achtergevel voor de helft over de funderingsstrook heen geplaatst. Op 7 februari 2025 heeft Constructiemeesters een gereviseerde versie van het rapport gemaakt, waarin nieuw verkregen informatie is verwerkt. Daarin staat dat de dekking van de onderzijde en zijkant van de funderingsstrook ontoereikend is en dat daardoor de kans bestaat dat de wapening na loop van tijd zal roesten. In de eerste versie van het rapport staat dat hierdoor de sterkte afneemt. Volgens Constructiemeesters zijn er geen mogelijkheden om dit gebrek en het gebrek dat de fundering niet diep genoeg ligt te herstellen en lijkt herbouw daarom niet te voorkomen.
3.15.
Op 1 april 2025 heeft A2 Experts een kostenraming gemaakt voor het slopen en herbouwen van de aanbouw. Zij heeft de kosten begroot op € 59.525,40 inclusief btw.
3.16.
Op 10 april 2025 heeft de gemachtigde van [eiseressen] (de eerste versie van) het rapport van Constructiemeesters en de kostenraming van A2 Experts naar [gedaagde] gestuurd en per brief aan hem medegedeeld dat [eiseressen] de verbintenis tot nakoming omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, dan wel subsidiair dat zij de overeenkomst ontbinden.
3.17.
Op 2 juni 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] per e-mail aan [eiseressen] medegedeeld dat er geen enkel bewijs is voor de stelling dat de fundering gebrekkig is. De aanlegdiepte van de fundering moet volgens [gedaagde] slechts minimaal 60 centimeter zijn en daaraan is voldaan. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van gebreken met betrekking tot de draagkracht, de dekking op de wapening en het metselwerk op de strook. Ten slotte schrijft de gemachtigde dat [gedaagde] niet in gebreke is gesteld met betrekking tot de fundering, dat hij dus niet in verzuim is en dat hij op dit moment niet mag herstellen.
3.18.
Per e-mail van 10 juni 2025 heeft Constructiemeesters geschreven dat de aanlegdiepte van 60 centimeter geldt voor stroken tussen woningen of gebouwen onderling. De aanbouw betreft volgens haar een gevel, waarvoor een diepte van 80 centimeter moet worden aangehouden. Daarnaast heeft zij geschreven dat herstel van het buitenblad van de achtergevel (dat voor de helft niet op de fundering rust) mogelijk is, maar door de tekortkoming in de aanlegdiepte niet meer relevant is.
3.19.
Op 15 september 2025 heeft Konstructieburo Ten Vergert op verzoek van [gedaagde] een rapport opgesteld ter beoordeling van de fundering en de normtoepassing. In het rapport staat dat de fundering aan de geldende normen voldoet, dat geen sprake is van constructieve gebreken en dat afwijkingen eenvoudig kunnen worden hersteld.

4.Het geschil

4.1.
[eiseressen] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:
- € 59.461,32 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2024 tot de dag van volledige betaling,
- € 4.337,58 aan expertisekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
- € 1.627,22 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
- de proceskosten.
4.2.
[eiseressen] stellen dat de door [gedaagde] gebouwde aanbouw gebrekkig is en dat hij dus is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Volgens hen is [gedaagde] in verzuim geraakt. [eiseressen] vorderen primair vervangende schadevergoeding, dan wel subsidiair terugbetaling van de aanneemsom en schadevergoeding wegens ontbinding van de overeenkomst. Volgens [eiseressen] moet de aanbouw gesloopt en herbouwd worden en kost dit € 59.525,40 inclusief btw. Zij hebben nog een bedrag van € 2.508,00 inclusief btw van de aanneemsom onbetaald gelaten. Dit bedrag moet echter worden verminderd met het niet geleverde werk en vermeerderd met het meerwerk. Volgens [eiseressen] resteert dan nog een bedrag van € 64,08 dat zij aan [gedaagde] moeten betalen. Dit bedrag moet dan ook in mindering worden gebracht op het door [gedaagde] te betalen bedrag.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseressen] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseressen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseressen] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Vervangende schadevergoeding
5.1.
[eiseressen] stellen dat de fundering van de aanbouw gebrekkig is. Volgens hen is de fundering niet diep genoeg aangelegd, is de betondekking ontoereikend en is geen folie of werkvloer onder de fundering aangebracht. Dit zijn volgens hen gebreken die niet kunnen worden hersteld, zodat sloop en herbouw van de aanbouw noodzakelijk is. [eiseressen] willen geen nakoming, maar vorderen vervangende schadevergoeding.
5.2.
Voor zover nakoming niet blijvend onmogelijk is, kan een vordering tot nakoming worden omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert (artikel 6:87 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Verzuim
5.3.
Als er geen sprake is van verzuim, kan de vordering van [eiseressen] niet worden toegewezen, zelfs als wél sprake is van een gebrek. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of [gedaagde] met betrekking tot de hiervoor genoemde punten – als vast zou komen te staan dat sprake is van gebreken – in verzuim is geraakt.
5.4.
Verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 lid 1 BW Pro). Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (artikel 6:83 sub c BW Pro).
5.5.
In het rapport van Constructiemeesters is pas voor het eerst aan bod gekomen dat de betondekking van de fundering ontoereikend zou zijn en dat geen folie of werkvloer onder de fundering zou zijn aangebracht. [eiseressen] hebben [gedaagde] niet schriftelijk aangemaand om de overeenkomst op deze punten na te komen. Zij hebben [gedaagde] pas over deze punten geïnformeerd in de brief waarin zij mededelen dat zij hun vordering tot nakoming omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Ook als vast zou komen te staan dat dit gebreken zijn, is [gedaagde] dus niet in verzuim geraakt met betrekking tot deze punten en kan de vordering dus niet op grond daarvan worden toegewezen.
5.6.
[eiseressen] hebben [gedaagde] op 14 juni 2025 geïnformeerd dat de fundering niet diep genoeg ligt en hem schriftelijk aangemaand om dit gebrek binnen veertien dagen te herstellen. Deze aanmaning is echter gebaseerd op onjuiste cijfers van [bedrijf] over de diepte van de fundering. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de fundering niet op 48 centimeter diep ligt, zoals in het rapport van [bedrijf] en in de aanmaning is vermeld. Daarom kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] door het verstrijken van de in deze aanmaning vermelde hersteltermijn in verzuim is geraakt.
5.7.
[gedaagde] heeft in reactie op de aanmaning van [eiseressen] betwist dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en hij heeft kritiek geuit op het rapport van [bedrijf] . [eiseressen] hebben daarom onderzoek laten uitvoeren door A2 Experts en hebben [gedaagde] geïnformeerd dat zij op advies van A2 Experts nog nader onderzoek door een constructeur zouden laten uitvoeren. [gedaagde] heeft daar per e-mail van 13 december 2024 op gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank mochten [eiseressen] uit deze e-mail afleiden dat [gedaagde] zou tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst. Uit de e-mail kan namelijk worden afgeleid dat [gedaagde] – ongeacht de uitkomst van het nadere onderzoek– bij zijn standpunt zou blijven dat geen sprake is van een gebrek met betrekking tot de funderingsdiepte en dat hij geen herstel zou gaan uitvoeren. Hij heeft de kosten van de eerdere herstelwerkzaamheden juist in rekening gebracht. Dat [gedaagde] bij zijn standpunt zou blijven, is nadien ook gebleken. Ook ná kennisname van het rapport van Constructiemeesters is [gedaagde] namelijk blijven betwisten dat de fundering te ondiep is aangelegd. Als vast komt te staan dat sprake is van een gebrek aan de funderingsdiepte, moet daarom worden geoordeeld dat [gedaagde] – zonder ingebrekestelling – in verzuim geraakt.
Funderingsdiepte
5.8.
[eiseressen] stellen dat de fundering van de aanbouw niet diep genoeg in de grond is aangelegd en daardoor niet vorstvrij ligt. Volgens Constructiemeesters moet een fundering op vorstvrije grond worden aangelegd, omdat de grond daaronder anders zou kunnen bevriezen, waardoor de fundering zou kunnen verplaatsen. [gedaagde] betwist dat de fundering niet vorstvrij ligt.
5.9.
In de NEN-EN 1997-1 staat:
“De aanlegdiepte van de fundering moet voor de muren van bouwwerken langs de perceelgrens, behoudens die tussen woningen of gebouwen onderling, ten minste 0,80 m zijn en anders ten minste 0,60 m.”
5.10.
[gedaagde] voert aan dat de NENEN 1997-1 geen vaste aanlegdiepte voorschrijft en verwijst daarbij naar het rapport van Ten Vergert. Volgens Ten Vergert wordt in de NENEN 1997-1 een prestatiegerichte benadering gehanteerd en moet het ontwerp onder andere voldoen aan bescherming tegen vorst. Uit het rapport van Ten Vergert blijkt echter niet dat de aanbouw op andere wijze dan door de aanlegdiepte tegen vorst is beschermd. De rechtbank zal daarom beoordelen of de fundering van de aanbouw voldoet aan de aanlegdiepte zoals opgenomen in de genoemde NEN-norm.
5.11.
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze norm moet worden geïnterpreteerd. [eiseressen] stellen dat de aanbouw minimaal 80 centimeter diep moet liggen. A2 Experts en Constructiemeesters hebben dit ook in hun rapporten geschreven. Constructiemeesters heeft per e-mail verklaard dat de aanlegdiepte van minimaal 60 centimeter alleen geldt voor stroken tussen woningen of gebouwen onderling. Volgens haar gaat het in dit geval om een gevel en geldt daarom een aanlegdiepte van minimaal 80 centimeter.
5.12.
[gedaagde] voert aan dat dit een verkeerde interpretatie van de NEN-norm is. Volgens hem is de aanbouw niet aan te merken als een bouwwerk langs de perceelgrens en geldt daarom een minimale diepte van 60 centimeter. Dit wordt volgens [gedaagde] bevestigd door [bedrijf] en Ten Vergert. [bedrijf] heeft in haar rapport geschreven dat een fundering normaal gesproken op ongeveer 80 centimeter diepte moet liggen, maar ten minste op 60 centimeter. Ten Vergert heeft in haar rapport geschreven dat het in dit geval om een tussen- en aanbouw van een bestaande woning gaat en dat daarom een aanlegdiepte van minimaal 60 centimeter geldt.
5.13.
Hoewel de rechtbank het voorshands aannemelijk acht dat de lezing van [gedaagde] juist is – dat voor muren van bouwwerken die
nietlangs de perceelgrens staan een minimale funderingsdiepte van 60 centimeter geldt – is voor de rechtbank niet duidelijk wat onder “bouwwerken
langsde perceelgrens” moet worden verstaan en of de aanbouw daaronder valt of niet. Aangezien de ingeschakelde deskundigen daar onvoldoende duidelijkheid over hebben gegeven en tegenstrijdige conclusies hebben getrokken, acht de rechtbank uitleg van de NEN-norm door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk.
5.14.
De rechtbank acht het (op dit moment) niet nodig dat deze deskundige ook een nieuwe meting van de diepte van de fundering van de aanbouw uitvoert. Constructiemeesters heeft namelijk een meting uitgevoerd waar beide partijen bij waren. Zij heeft gemeten dat de fundering 65 centimeter diep ligt ten opzichte van het maaiveld. [gedaagde] heeft de gemeten waarde op zichzelf niet weersproken. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat volgens Ten Vergert niet het juiste peilpunt is gebruikt en dat vanaf de gevel gemeten had moeten worden, maar dat is niet toegelicht en acht de rechtbank zonder nadere toelichting niet aannemelijk. Het gaat immers om de vorstvrije diepte van de grond. Bovendien heeft [gedaagde] in de specificatie bij de offerte vermeld
“Fundatie uitgraven peildiepte maaiveld 70cm”en is hij zelf dus kennelijk ook van het maaiveld als peilpunt uitgegaan. [gedaagde] heeft daarnaast nog aangevoerd dat de diepte van de fundering op maar één deel is gemeten en dat dit een onjuiste voorstelling van het geheel geeft. Ook dit verweer wordt echter gepasseerd. Elk deel van de fundering moet namelijk aan de norm voldoen.
Deskundige
5.15.
De rechtbank zal een deskundige benoemen. Partijen hebben er op de mondelinge behandeling mee ingestemd dat de rechtbank een voorstel voor een deskundige doet. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwconstructies en is voornemens om
de heer ing. [deskundige]te benoemen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- de voorgestelde deskundige;
- de aan de deskundige voor te leggen vragen;
- de begroting van het voorschot door de deskundige.
5.16.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
1. Wat wordt bedoeld met “bouwwerken
langsde perceelgrens” zoals genoemd in de volgende norm uit de NEN-EN 1997-1:
“De aanlegdiepte van de fundering moet voor de muren van bouwwerken langs de perceelgrens, behoudens die tussen woningen of gebouwen onderling, ten minste 0,80 m zijn en anders ten minste 0,60 m.”
2. Wat wordt bedoeld met een bouwwerk “tussen woningen of gebouwen onderling”, zoals genoemd in de hiervoor geciteerde NEN-norm.
3. Is de aanbouw waar het geschil over gaat aan te merken als een “bouwwerk langs de perceelgrens”, zoals bedoeld in de hiervoor geciteerde NEN-norm?
4. Is de aanbouw waar het geschil over gaat aan te merken als een bouwwerk “tussen woningen of gebouwen onderling”, zoals bedoeld in de hiervoor geciteerde NEN-norm?
5. Geldt voor de aanbouw waar het geschil over gaat op grond van de hiervoor geciteerde NEN-norm een minimale funderingsdiepte van 60 centimeter of 80 centimeter?
6. Als de fundering van de aanbouw te ondiep is aangelegd, hoe kan dit dan worden hersteld? Moet de aanbouw daarvoor (volledig) worden gesloopt en herbouwd? Kunt u de herstelkosten begroten?
7. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
5.17.
De deskundige heeft de kosten van het opstellen van het deskundigenrapport als volgt begroot:
“Opbouw geschatte uren/werkzaamheden op basis van een viertal onderzoeksvragen (de sluitvraag ontbreekt):
- Inlezen/bestuderen dossier (voorbereiden/archiveren/intern dossier aanmaken) : 3,0 mu
- Uitwerken concept deskundigenbericht (beantwoorden van 6 onderzoeksvragen) : 8,0 mu
incl. hersteladvies/-kosten
- Secretariële ondersteuning/kantoorgenoot (controle) à € 90,00/uur : 2,0 mu
- Reacties partijen op conceptrapport uitwerken, deskundigenbericht definitief maken : 2,0 mu
Schatting van de hogergenoemde werkzaamheden deskundige is in eerste instantie gebaseerd op basis van ca. 15,0 uur à € 198,00/uur (exclusief ondersteuning secretariaat, 2 uur à € 90,00/uur) excl. omzetbelasting.
Voorlopige totale geschatte kosten inclusief verschotten ca.€ 3.634,84inclusief omzetbelasting en secretariële ondersteuning."
Het bedrag van € 3.634,84 zal als voorschot moeten worden betaald.
5.18.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [eiseressen] worden betaald.
5.19.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
5.20.
Voor zover partijen het niet eens zijn met de voorgestelde deskundige, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom de voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd.
5.21.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
5.22.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 1 april 2026om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over de voorgestelde deskundige, de aan de deskundige voor te leggen vragen en de begroting van het voorschot,
6.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.