In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vader en een moeder over de nakoming van een voorlopige zorgregeling voor hun minderjarige kinderen. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Versluis, vorderde dat de moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. R.N. Sahebdien, zou worden verplicht om de bij beschikking van 20 oktober 2025 vastgestelde omgangsregeling na te komen. Deze regeling hield in dat de vader onder begeleiding van een instantie contact zou hebben met de kinderen. De moeder voerde verweer en stelde dat het contact met de vader pas veilig kon worden hersteld na de traumabehandeling van de oudste minderjarige, die door Mentaal Losser werd uitgevoerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van de vader weliswaar vaststond, maar dat de omstandigheden niet zodanig waren dat de omgang onmiddellijk kon worden hervat. De rechtbank benadrukte dat de betrokken hulpverlening en de moeder zich conformeren aan de adviezen van de hulpverleners en dat de gemeente leidend is in het proces van contactherstel. De vordering van de vader werd afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd.