ECLI:NL:RBOVE:2026:1141

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
11237413 \ CV EXPL 24-1599
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen bouwmaterialen met rente en incassokosten

BMN heeft in de periode april tot juli 2022 diverse bouwmaterialen geleverd aan gedaagde, waarvoor meerdere facturen zijn gestuurd met een totaalbedrag van €33.412,51 inclusief btw. Gedaagde heeft slechts een deel van de facturen betaald, waardoor een restant openstaat. BMN vordert betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.

De procedure verliep schriftelijk zonder mondelinge behandeling. Gedaagde heeft ondanks gelegenheid geen antwoordakte ingediend. BMN heeft haar vordering verminderd en toegelicht dat de wettelijke handelsrente en incassokosten verschuldigd zijn. Gedaagde heeft dit niet weersproken, maar stelde financiële problemen aan als verweer, wat door de kantonrechter niet als reden wordt geaccepteerd om betaling te weigeren.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de openstaande facturen, de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldag van de facturen tot 21 mei 2024 en daarna over het verschuldigde bedrag, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. De vordering tot contractuele rente wordt afgewezen en vervangen door wettelijke handelsrente. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, wettelijke handelsrente en incassokosten aan BMN.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11237413 \ CV EXPL 24-1599
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van
BMN BOUWMATERIALEN B.V., rechtsopvolgster van Building Materials Distribution the Netherlands B.V., handelend onder de naam [eiser],
te Nieuwegein,
eisende partij,
hierna te noemen: BMN,
gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.R. Butin Bik.

1.De zaak in het kort

1.1.
BMN heeft bouwmaterialen verkocht en geleverd aan [gedaagde]. Hiervoor heeft BMN meerdere facturen gestuurd die [gedaagde] grotendeels niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de openstaande facturen moet betalen. [gedaagde] moet daarnaast ook de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten aan BMN betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 25 juli 2024 met bewijsstukken;
- de berichten die [gedaagde] op 12 augustus, 3 september, 8 en 21 oktober en 4 november 2024 aan de rechtbank heeft gestuurd;
- het bericht van 18 december 2024 van BMN aan de rechtbank, waarmee zij de akte van 8 januari 2025 tevens vermindering van eis met bewijsstukken in deze procedure brengt;
- de e-mailberichten van BMN aan de rechtbank van 14 november 2024, 23 december 2024, 13 januari 2025, 2 april 2025, 28 april 2025, 29 april 2025, 21 mei 2025, 20 juni 2025, 1 december 2025;
- de e-mailberichten van [gedaagde] aan de rechtbank van 17 en 18 november 2024, 22 december 2024, 2 januari 2025, 21 mei 2025, 19 juni 2025, 21 juli 2025, 15 augustus 2025, 15 december 2025;
- de akte van 16 december 2025 tevens vermindering van eis met bewijsstukken van BMN.
2.2.
Op verzoek van partijen is er geen mondelinge behandeling bevolen, maar hebben zij schriftelijk doorgeprocedeerd.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.4.
[gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, op 30 december 2025 geen antwoordakte ingediend.

3.De feiten

3.1.
BMN heeft in de periode van april tot en met juli 2022 in opdracht van [gedaagde] diverse bouwmaterialen aan [gedaagde] verkocht en geleverd. BMN heeft hiervoor aan [gedaagde] de volgende facturen van in totaal € 33.412,51 inclusief gestuurd:
[nummer 1]
21 april 2022
9.323,85
inclusief btw
[nummer 2]
22 april 2022
4.027,97
inclusief btw
[nummer 3]
4 mei 2022
2.361,75
inclusief btw
[nummer 4]
5 mei 2022
194,63
inclusief btw
[nummer 5]
16 mei 2022
1.412,28
inclusief btw
[nummer 6]
19 mei 2022
2.893,64
inclusief btw
[nummer 7]
24 mei 2022
4.785,99
inclusief btw
[nummer 8]
25 mei 2022
4.864,35
inclusief btw
[nummer 9]
30 mei 2022
493,45
inclusief btw
[nummer 10]
1 juni 2022
1.018,90
inclusief btw
[nummer 11]
7 juni 2022
1.984,71
inclusief btw
[nummer 12]
5 juli 2022
50,99
inclusief btw
3.2.
In artikel 7.1. van de algemene voorwaarden van BMN staat dat de facturen binnen dertig dagen na de factuurdatum betaald moeten worden, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.
3.3.
BMN heeft daarnaast aan [gedaagde] vier creditnota’s gestuurd:
9005574419
16 juni 2022
35,09
inclusief btw
[nummer 1]
3 augustus 2022
100,00
inclusief btw
[nummer 1]
4 augustus 2022
100,00
inclusief btw
[nummer 1]
5 augustus 2022
100,00
inclusief btw
3.4.
Voordat BMN haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven, heeft [gedaagde] € 1.000,00 aan BMN betaald.
3.5.
[gedaagde] heeft in totaal € 26.534,92 betaald aan BMN nadat zij haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven maar voordat BMN de dagvaarding heeft uitgebracht. Nadat BMN de dagvaarding heeft uitgebracht, heeft [gedaagde] in totaal € 3.150,00 aan BMN betaald.

4.Het geschil

4.1.
BMN vordert – na vermindering van haar eis – dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [1] , veroordeelt tot betaling van € 11.036,25, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 21 mei 2024 tot aan de dag van volledige betaling. BMN specificeert haar vordering als volgt: € 32.077,42 aan hoofdsom, € 7.547,98 aan wettelijke handelsrente tot 21 mei 2024 en € 1.095,77 aan buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met de deelbetalingen door [gedaagde] van € 26.534,92 nadat BMN haar vordering ter incasso heeft gegeven en € 3.150,00 nadat de dagvaarding is uitgebracht. BMN vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.

5.De beoordeling

[gedaagde] moet de openstaande facturen, de (verschenen) rente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen
5.1.
BMN en [gedaagde] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten. Het consumentenrecht is niet op deze overeenkomst van toepassing, omdat BMN en [gedaagde] professionele partijen zijn. [gedaagde] erkent dat hij de facturen moet betalen die BMN heeft gestuurd in het kader van de overeenkomst. Verder staat vast dat [gedaagde] € 26.534,92 heeft betaald aan BMN nadat zij haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven en dat [gedaagde] € 3.150,00 aan BMN heeft betaald nadat BMN de dagvaarding heeft uitgebracht. De kantonrechter moet alleen nog beslissen of [gedaagde] naast de hoofdsom ook de (verschenen) wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
5.2.
BMN heeft een nadere akte ingediend. Zij zegt dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten volledig moet betalen.
BMN heeft in de periode van april tot en met juli 2022 diverse bouwmaterialen geleverd aan [gedaagde] die [gedaagde] heeft gebruikt bij het uitvoeren van zijn projecten. Hiervoor heeft BMN facturen gestuurd van in totaal € 33.077,42 inclusief btw, die [gedaagde] binnen dertig dagen na de factuurdatum diende te betalen. [gedaagde] heeft uiteindelijk slechts € 1.000,00 betaald, waardoor er nog een bedrag van € 32.077,42 inclusief btw resteerde. Nadat BMN haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven maar voordat zij de dagvaarding heeft uitgebracht, heeft [gedaagde] in totaal € 26.534,02 betaald. Tot de datum van dagvaarding was [gedaagde] volgens BMN een bedrag van € 7.547,98 aan wettelijke handelsrente verschuldigd. Nadat BMN de dagvaarding heeft uitgebracht, heeft [gedaagde] in totaal € 3.150,00 aan haar betaald. De laatste betaling is van 21 augustus 2025. BMN heeft de deelbetalingen door [gedaagde] op haar vordering in mindering gebracht.
BMN voert daarnaast aan dat het incassobureau substantiële werkzaamheden heeft verricht, waardoor een vergoeding gerechtvaardigd is. BMN stelt dat zij op 2 september 2022 aan [gedaagde] een brief heeft gestuurd voor het betalen van de openstaande facturen, rente en buitengerechtelijke incassokosten. BMN heeft de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten gematigd, waardoor deze gelijk is aan het tarief uit het Besluit buitengerechtelijke incassokosten.
5.3.
[gedaagde] heeft zich, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer uitgelaten over de vraag of hij de (verschenen) rente en de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen.
5.4.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] de toelichting van BMN niet heeft weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. [gedaagde] heeft aan het begin van deze procedure aangevoerd dat hij de rente en de buitengerechtelijke incassokosten niet kan betalen en dat hij financiële problemen heeft. Maar naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit geen redenen om de rente en de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen.
De kantonrechter oordeelt dat BMN voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat [gedaagde] de (verschenen) rente en de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. De kantonrechter zal dit deel van de vordering toewijzen, met uitzondering van het volgende.
5.5.
BMN vorderde oorspronkelijk betaling door [gedaagde] van de verschenen contractuele rente van € 7.547,98. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een renteberekeningsrapport overgelegd. [2] BMN heeft haar oorspronkelijke eis verminderd, in die zin dat zij niet langer de tot 21 mei 2024 verschenen contractuele rente van € 7.547,98 maar de tot 21 mei 2024 verschenen
wettelijkehandelsrente van € 7.547,98 vordert.
De kantonrechter stelt vast dat het bedrag dat BMN aan verschenen wettelijke handelsrente vordert, overeenkomt met het bedrag aan verschenen contractuele rente dat BMN op basis van het renteberekeningsrapport oorspronkelijk vorderde. De kantonrechter wijst daarom de vordering tot betaling van € 7.547,98 aan de tot 21 mei 2024 verschenen wettelijke handelsrente af. In plaats daarvan zal de kantonrechter de tot 21 mei 2024 verschenen wettelijke handelsrente toewijzen volgens het rentepercentage dat BMN mag eisen op grond van de wet.
De conclusie
5.6.
De kantonrechter concludeert dat [gedaagde] de openstaande facturen, de verschenen en de lopende wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Omdat BMN voor de verschenen wettelijke handelsrente is uitgegaan van het bedrag dat zij oorspronkelijk aan verschenen contractuele rente vorderde, zal de kantonrechter de hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen minus de deelbetalingen van [gedaagde]. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 3.488,27 [3] aan BMN moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 21 mei 2024. De kantonrechter zal daarnaast de tot 21 mei 2024 verschenen wettelijke handelsrente toewijzen, en daarbij bepalen dat BMN hierbij rekening moet houden met de (deel)betalingen van [gedaagde].
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.7.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BMN worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
116,39
- griffierecht
1.409,00
- salaris gemachtigde
648,00
(1,5 punt × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.317,39

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.488,27 aan BMN;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldag van de facturen tot 21 mei 2024, rekening houdende met de reeds door [gedaagde] verrichte betalingen;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat wat is beslist in 6.1 en 6.2 vanaf 21 mei 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.317,39, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Dit betekent dat BMN de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
2.Productie 3 bij de akte van 8 januari 2025 van BMN.
3.€ 32.077,42 + € 1.095,77 - € 26.534,92 - € 3.150,00.