Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, waarbij omgevingsvergunningen zijn verleend voor het aanleggen van meidoornhagen op grootschalige escomplexen op een landgoed. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze vergunningen en voert meerdere beroepsgronden aan.
De rechtbank stelt vast dat het college de vergunningen heeft verleend met het voorschrift dat de hagen jaarlijks moeten worden teruggesnoeid tot een maximale hoogte van één meter, waardoor de openheid van het essenlandschap behouden blijft. De rechtbank oordeelt dat dit voorschrift voldoende waarborg biedt tegen blijvende aantasting van het landschap en dat het college zich terecht heeft gebaseerd op het advies van de gemeentelijke groenbeheerder.
Verder wijst de rechtbank de bezwaren van eiser af die betrekking hebben op vermeende gevaren voor koeien en bedreiging van de biodiversiteit, omdat deze aspecten niet binnen het beoordelingskader van het bestemmingsplan vallen. De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor de vergunningen in stand blijven en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.