ECLI:NL:RBOVE:2026:1040

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
10891233 \ CV EXPL 24-259
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 lid 1 BWArt. 6:83 sub a BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering op grond van periodiek verrekenbeding na echtscheiding

Partijen zijn voormalig echtgenoten die gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. De kern van het geschil betreft de vraag of partij B aan partij A een bedrag van €14.671 moet betalen op grond van een door haar ondertekend rapport met een uitwerking van het verrekenbeding over 2014.

Partij B stelt dat zij het rapport onder dwaling of misbruik van omstandigheden heeft ondertekend en beroept zich op vernietiging van de overeenkomst. Zij kreeg een bewijsopdracht om dit te onderbouwen, maar slaagde hier niet in. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het rapport buiten partij B om tot stand kwam en dat zij alleen de laatste pagina ter ondertekening kreeg, zonder uitleg over de inhoud.

De rechtbank oordeelt echter dat partij B het rapport ook bij volledige kennis en zonder druk redelijkerwijs zou hebben ondertekend, mede omdat eerdere jaren ook waren verrekend en de schuld slechts met €2.952 was toegenomen. De vordering tot betaling wordt daarom toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf 4 april 2023. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Partij B wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Partij B wordt veroordeeld tot betaling van €14.671 aan partij A met wettelijke rente vanaf 4 april 2023; het beroep op vernietiging wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10891233 \ CV EXPL 24-259
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
wonend in [woonplaats 1],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna genoemd: [partij A],
gemachtigde: Inkassier,
tegen
[partij B],
wonend in [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna genoemd: [partij B],
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel.

1.Het verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 7 januari 2025, waarin een bewijsopdracht aan [partij B] is gegeven,
  • de akte uitlating bewijsopdracht van [partij B], waarbij ook producties zijn overgelegd,
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 juni 2025,
  • het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 22 oktober 2025,
  • de conclusie na enquête van [partij B],
  • de conclusie na enquête van [partij A].

2.De kern

Partijen zijn voormalig echtgenoten die waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. Ter discussie staat of [partij B] betaling aan [partij A] is verschuldigd op grond van een door haar ondertekend rapport met een uitwerking van het verrekenbeding over 2014. [partij B] beroept zich op vernietiging van de overeenkomst die besloten ligt in het ondertekende rapport, op grond van misbruik van omstandigheden dan wel dwaling. Bij tussenvonnis is [partij B] in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren in verband met haar beroep op vernietiging. [partij B] is niet in die bewijsopdracht geslaagd, zodat de vordering van [partij A] wordt toegewezen. Dit wordt hierna toegelicht (bij onderdeel 4), maar eerst wordt de achtergrond van het geschil nog eens kort uiteengezet.
3. De achtergrond
3.1.
[partij A] en [partij B] zijn in 1996 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden sluiten iedere gemeenschap van goederen uit en bevatten een periodiek verrekenbeding. Aanvankelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding. Accountantskantoor Countus, waar de toenmalige eenmanszaak van [partij A] klant was, heeft in 2011 het verrekenbeding alsnog uitgewerkt voor alle voorgaande jaren. Vervolgens heeft Countus het verrekenbeding ook voor de jaren 2012, 2013 en 2014 uitgewerkt. De afrekening over 2014 is uitgewerkt in een rapport met datum van 24 november 2015. De laatste pagina van het rapport, die op 24 november 2015 door beide partijen voor akkoord is ondertekend, vermeldt dat [partij B] na de afrekening over 2014 een schuld aan [partij A] heeft van € 14.671. [partij A] is op 3 december 2015 failliet verklaard en heeft nadien de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) doorlopen. In april 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarna de echtscheidingsbeschikking in mei 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
[partij A] vordert op basis van het rapport van 24 november 2015 dat [partij B] hem het bedrag van € 14.671 betaalt. [partij B] voert verweer en beroept zich op vernietiging van de overeenkomst die in het rapport besloten ligt op grond van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Zij stelt, onder meer, dat zij haar handtekening onder druk van [partij A] heeft gezet en dat zij geen juiste voorstelling van zaken had.
In het tussenvonnis van 7 januari 2025 heeft [partij B] gelegenheid gekregen om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij het rapport heeft ondertekend onder invloed van dwaling en/of misbruik van omstandigheden. Daarop heeft [partij B] (medische) stukken overgelegd en vijf getuigen laten horen. Als getuigen zijn gehoord: [partij A], [partij B], mevrouw [getuige 1] (ambulant begeleider van [partij B]), de heer [getuige 2] (adviseur bij Countus) en mevrouw [getuige 3] (jurist bij Countus).

4.De beoordeling

in conventie
[partij B] is niet geslaagd in de bewijsopdracht
4.1.
[partij B] is er niet in geslaagd om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat zij het rapport van 24 november 2015 onder invloed van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden heeft ondertekend. Het beroep van [partij B] op vernietiging van de overeenkomst wordt daarom verworpen. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.1.1.
Op zich is wel aannemelijk geworden dat [partij B] niet goed begreep waarvoor zij tekende, en ook dat zij druk voelde om te tekenen. Uit de getuigenverklaringen van [partij A] en [partij B] komt namelijk naar voren dat het rapport buiten [partij B] om tot stand is gekomen, dat alleen de laatste pagina daarvan aan [partij B] ter ondertekening is voorgelegd en dat [partij B] dus geen kennis heeft kunnen nemen van de rest van het rapport toen zij haar handtekening zette. De inhoud en betekenis van het rapport zijn ook niet aan [partij B] toegelicht, zo blijkt uit de verklaringen van [partij A], [partij B], [getuige 2] en [getuige 3]. Verder volgt uit de verklaringen van [partij A] en [partij B] dat er haast zat bij de ondertekening, omdat het ondertekende rapport nodig was in verband met een aanvraag van surseance van betaling van [partij A].
4.1.2.
Het is echter niet aannemelijk geworden dat [partij B] het rapport niet zou hebben ondertekend als zij daarvan wel kennis had genomen, dat zou hebben begrepen en geen druk zou hebben gevoeld om te tekenen. Ook in dat geval zou [partij B] het rapport naar redelijke verwachting hebben ondertekend. Partijen waren tijdens hun huwelijk tegenover elkaar verplicht om jaarlijks af te rekenen op grond van de bepalingen uit de huwelijkse voorwaarden. Vast is komen te staan dat [partij B] de rapporten met uitwerkingen van het periodiek verrekenbeding over de voorgaande jaren (2012 en 2013) ook heeft ondertekend, en dat de rapporten op elkaar voortborduren (zie overweging 5.6 van het tussenvonnis). Uit hoofdstuk 1 van het rapport van november 2015 blijkt dat uit de afrekening over 2013 ook al een schuld van [partij B] aan [partij A] volgde, en wel voor een bedrag van € 11.719. De afrekening over 2014 die is neergelegd in het rapport van november 2015, heeft er dus in geresulteerd dat een al bestaande schuld van [partij B] aan [partij A] € 2.952 hoger is geworden. De kantonrechter ziet geen aanwijzingen dat de uitwerking van Countus van de onderlinge afrekening over 2014 onjuistheden bevat en dat de schuld van [partij B] aan [partij A] daarbij op een te hoog bedrag is berekend. Daarbij gaat de kantonrechter voorbij aan de door [partij A] als getuige afgelegde verklaring dat feitelijk geen aparte uitwerking van het verrekenbeding over 2014 heeft plaatsgevonden, en dat Countus in het rapport van november 2015 dezelfde cijfers heeft gebruikt als in het rapport met de uitwerking over 2013. Op basis van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], die vanuit Countus betrokken waren bij de totstandkoming van het rapport, gaat de kantonrechter er vanuit dat wel degelijk een feitelijke uitwerking over 2014 heeft plaatsgevonden.
De vordering van [partij A] tot betaling van € 14.671 wordt toegewezen
4.2.
Nu het beroep van [partij B] op vernietiging van de overeenkomst niet slaagt, wordt de vordering van [partij A] tot betaling van € 14.671 toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 4 april 2023
4.3.
[partij A] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 25 maart 2020. Dat is de datum waarop de betaaltermijn van 30 dagen is verstreken die is vermeld op de factuur die [partij A] op 24 februari 2020 aan [partij B] heeft gestuurd. Hij berekent de vervallen wettelijke rente tot 27 december 2023 op € 1.345,45.
De wettelijke rente wordt toegewezen, maar pas vanaf 4 april 2023. Anders dan [partij A] stelt, levert het enkele verstrijken van de betaaltermijn op de factuur nog geen verzuim van [partij B] op. Alleen als die termijn door partijen zou zijn overeengekomen als uiterste betaaltermijn zou sprake kunnen zijn van een fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 sub a BW Pro, maar dat heeft [partij A] niet gesteld. Wel kan worden vastgesteld dat [partij B] op 4 april 2023 in verzuim is geraakt. [partij A] heeft [partij B] per brief van 20 maart 2023 aangemaand om de hoofdsom te betalen binnen veertien dagen vanaf de dag na ontvangst van de brief. Nu [partij B] niet heeft betwist dat zij de brief op 20 maart 2023 heeft ontvangen, is de betaaltermijn op 4 april 2023 verstreken. De brief kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW Pro. De kantonrechter passeert het betoog van [partij B] dat het vanwege de omstandigheden van het geval onredelijk is om wettelijke rente te vorderen, omdat zij dat betoog onvoldoende heeft uitgewerkt.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
4.4.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijk incassokosten ten bedrage van € 1.115,27. Deze vordering wordt afgewezen. Weliswaar heeft [partij A] op 20 maart 2023 de eerdergenoemde veertiendagenbrief aan [partij B] gestuurd, maar het is niet komen vast te staan dat [partij B] toen in verzuim verkeerde. Daarom is niet voldaan aan de vereisten die in artikel 6:96 lid 6 BW Pro zijn gesteld.
[partij B] wordt veroordeeld in de proceskosten
4.5.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,49
- griffierecht
706,00
- salaris gemachtigde
1.296,00
(3 punten × € 432) [1]
- nakosten
144,00
Totaal
2.276,49
in reconventie
4.6.
[partij B] vordert in (voorwaardelijke) reconventie om “de vordering van de man, voortvloeiend uit de rapportage van 24 november 2015 te vernietigingen op grond van dwaling en/of misbruik van omstandigheden”. De kantonrechter neemt aan dat [partij B] heeft bedoeld om te vorderen dat de overeenkomst die besloten ligt in de betreffende rapportage, wordt vernietigd.
[partij B] heeft de reconventionele eis ingesteld onder de voorwaarde dat de kantonrechter in conventie tot het oordeel komt “dat geen sprake is van verjaring of correcte betwisting van de vordering”. [2] In het tussenvonnis van 7 januari 2025 is het beroep van [partij B] op verjaring verworpen, zodat in elk geval in zoverre is voldaan aan de voorwaarde waaronder de tegeneis is ingesteld. De kantonrechter begrijpt niet goed wat [partij B] bedoelt met het tweede onderdeel van de voorwaarde (het ontbreken een correcte betwisting van de vordering in conventie), dus dat wordt buiten beschouwing gelaten. Daarmee wordt toegekomen aan een beoordeling van de tegenvordering van [partij B].
4.7.
De vordering van [partij B] wordt afgewezen. Het beroep van [partij B] op vernietiging van de overeenkomst is immers verworpen (zie 4.1).
4.8.
[partij B] wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De proceskosten van [partij A] in reconventie worden begroot op nul. De tegeneis van [partij B] vloeit namelijk voort uit haar verweer in conventie. [partij A] heeft geen afzonderlijk verweer tegen de tegeneis hoeven voeren en heeft daarvoor dus ook geen kosten gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om tegen bewijs van kwijting € 14.671 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 april 2023 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de kant van [partij A] begroot op € 2.276,49, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vordering af;
5.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de kant van [partij A] begroot op nul.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. (HJB)

Voetnoten

1.1 punt voor de dagvaarding, 1 punt voor de mondelinge behandeling, en twee keer 0,5 punt voor het bijwonen van twee zittingen voor getuigenverhoor van de wederpartij
2.Randnummer 19 van de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie