Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats 1],
wonende te [woonplaats 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil - de beoordeling
dagvaardingskosten € 146,14;
€ 134,00;
Rechtbank Overijssel
De eiser verhuurt een woning aan de gedaagde, die een aanzienlijke huurachterstand heeft opgebouwd van €10.740,65 tot en met december 2024. De eiser vordert in kort geding dat de gedaagde wordt veroordeeld de woning te ontruimen en de achterstallige huur, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, te betalen.
De zitting vond plaats op 11 februari 2025, waarbij de gedaagde niet is verschenen. De rechtbank verleent verstek en overweegt dat de vordering spoedeisend en gegrond is. Gezien de omvang van de huurachterstand acht de rechtbank aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en ontruiming zal worden bevolen.
De rechtbank veroordeelt de gedaagde om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en te verlaten, en om een bedrag van €13.091,05 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente over de huurachterstand vanaf 15 januari 2025. Tevens wordt een maandelijkse vergoeding van €724,73 opgelegd zolang de woning niet wordt ontruimd. De buitengerechtelijke incassokosten van €879,97 worden als redelijk beoordeeld. De kosten van de procedure worden aan de gedaagde opgelegd.
De rechtbank wijst het verzoek om een machtiging voor gedwongen ontruiming door de eiser zelf af, omdat de wet voorschrijft dat dit door een deurwaarder moet geschieden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.
Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen 14 dagen en betaling van de huurachterstand met rente en kosten.