ECLI:NL:RBOVE:2025:7724

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
08-265725-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van voorlopige hechtenis met bijzondere voorwaarden in strafzaak

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die gedetineerd is. De rechtbank heeft op 22 oktober 2025 de gevangenhouding bevolen, welke op 5 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bevestigd. Op 17 december 2025 is er een verzoekschrift ingediend tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord. De officier van justitie heeft zich verzet tegen de toewijzing van de verzoeken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ernstige bezwaren die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, nog steeds aanwezig zijn, met name de recidivegrond, die ook door het gerechtshof is bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering nog niet aan de orde is. Desondanks heeft de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen, omdat het persoonlijk belang van de verdachte bij schorsing, met name het voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin, zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang. De verdachte heeft zich bereid verklaard om aan de voorwaarden van de schorsing te voldoen, waaronder het betalen van een waarborgsom van € 5.000. De rechtbank heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis met bijzondere voorwaarden uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-265725-25
Beslissing op verzoek opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van de rechtbank, meervoudige raadkamer in strafzaken van 23 december 2025
(artikel 69, 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],
nu gedetineerd in de [verblijfplaats] .
Raadsman mr. P.D. Popescu.

Procedure

De rechtbank heeft op 22 oktober 2025 de gevangenhouding bevolen. De beschikking van de rechtbank is op 5 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.
Op 17 december 2025 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.
De officier van justitie heeft zich tegen toewijzing van alle verzoeken verzet.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de ernstige bezwaren en grond, die thans aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, onverkort aanwezig zijn. Ten aanzien van de grond, te weten de recidivegrond, verwijst de rechtbank naar de onverkort geldende motivering in het bevel gevangenhouding – die ook door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bevestigd – en de onherroepelijke veroordelingen voor soortgelijke feiten in Duitsland (2019 en 2020) en in het Verenigd Koninkrijk (2023).
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment nog niet aan de orde is. De rechtbank verwijst daartoe naar de aard en omvang van de verdenking die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag ligt.
De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis
afwijzen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek tot schorsing het volgende. De rechtbank is van oordeel dat het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis – met name gelegen in het voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin – dient te prevaleren boven het maatschappelijk en strafvorderlijk belang bij voortduring daarvan. Het recidivegevaar kan voldoende worden ondervangen, nu verdachte een baan heeft gevonden en bereid is om een waarborgsom te voldoen. Bovendien heeft de verdachte aangeboden om aan de gedupeerden schadevergoeding te betalen, hetgeen de rechtbank wenselijk vindt en van enig inzicht in het laakbare van het handelen bij verdachte getuigt. De rechtbank zal het verzoek
toewijzen.
De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.

Beslissing

De rechtbank
wijsthet verzoek tot opheffing
af.
De rechtbank
schorstde voorlopige hechtenis, zodra door of ten behoeve van de verdachte als
zekerheidvoor de nakoming van de aan de schorsing verbonden voorwaarden een bedrag van
€ 5.000,00 (zegge vijfduizend euro)is bijgeschreven op rekeningnummer IBAN
[rekeningnummer]t.n.v. Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), onder vermelding van bovenstaand
parketnummervan deze zaak en de
naamen de
geboortedatumvan de verdachte. De rechtbank verbindt aan de schorsing de volgende voorwaarden:
1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
5. De verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie.
6. De verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 23 december 2025 door:
mr. A. van Holten, voorzitter,
mr. R. ter Haar en mr. L.M. de Zeeuw, rechters,
in tegenwoordigheid van V. Harmsen, griffier.