Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die gedetineerd is. De rechtbank heeft op 22 oktober 2025 de gevangenhouding bevolen, welke op 5 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bevestigd. Op 17 december 2025 is er een verzoekschrift ingediend tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord. De officier van justitie heeft zich verzet tegen de toewijzing van de verzoeken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ernstige bezwaren die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, nog steeds aanwezig zijn, met name de recidivegrond, die ook door het gerechtshof is bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering nog niet aan de orde is. Desondanks heeft de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen, omdat het persoonlijk belang van de verdachte bij schorsing, met name het voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin, zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang. De verdachte heeft zich bereid verklaard om aan de voorwaarden van de schorsing te voldoen, waaronder het betalen van een waarborgsom van € 5.000. De rechtbank heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis met bijzondere voorwaarden uitgesproken.