Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in Zwolle uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte, geboren in 2001, die momenteel gedetineerd is. De rechtbank heeft op 22 oktober 2025 de gevangenhouding bevolen, welke op 5 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bevestigd. Op 17 december 2025 is er een verzoekschrift ingediend tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman, mr. P.D. Popescu, gehoord. De officier van justitie heeft zich verzet tegen de toewijzing van de verzoeken.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de ernstige bezwaren die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, nog steeds aanwezig zijn. Dit betreft onder andere recidive, met verwijzingen naar eerdere veroordelingen in Ierland, Frankrijk en Spanje. De rechtbank concludeert dat er op dit moment geen situatie is die een opheffing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigt. Echter, de rechtbank overweegt dat het persoonlijk belang van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis, met name voor het levensonderhoud van zijn gezin, zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang. De verdachte heeft een baan gevonden en is bereid een waarborgsom van € 5.000 te betalen, wat de rechtbank als positief beschouwt.
De rechtbank heeft het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen, maar heeft de schorsing toegewezen onder voorwaarden. De verdachte moet zich houden aan verschillende voorwaarden, waaronder het niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis en het verschijnen op oproepen van politie en justitie. De beslissing is genomen in raadkamer door de rechters mr. A. van Holten, mr. R. ter Haar en mr. L.M. de Zeeuw, in aanwezigheid van griffier V. Harmsen.