ECLI:NL:RBOVE:2025:7718

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
08.051295.23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor het medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten met een gevangenisstraf van zes jaren

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het handelen in cocaïne en het voorbereiden van de handel in zowel cocaïne als methamfetamine (ice). De feiten vonden plaats in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige internationale handel in harddrugs, waarbij hij samenwerkte met medeverdachten en gebruik maakte van versleutelde communicatie via Sky ECC. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, rekening houdend met de ernst van de feiten en de rol van de verdachte in de drugshandel. De rechtbank heeft ook de in beslag genomen voorwerpen, waaronder geld en telefoons, verbeurd verklaard. De uitspraak is gedaan na een openbare terechtzitting waar de verdachte en zijn raadsman hun standpunten hebben gepresenteerd, en de rechtbank heeft de bewijsvoering en de verklaringen van de betrokkenen zorgvuldig gewogen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.051295.23 (P)
Datum vonnis: 19 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] (Azerbeidzjan),
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 oktober 2025 en 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 2 oktober 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 in [plaats 1] / [plaats 2] al dan niet samen met anderen:
feit 1:heeft gehandeld in cocaïne;
feit 2:voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne heeft getroffen;
en in de periode van augustus 2020 tot en met september 2020 in [plaats 1] / [plaats 2] :
feit 3:al dan niet samen met anderen voorbereidingshandelingen de handel in ice/(meth)amfetamine (hierna ook: ice) heeft getroffen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van
juni 2020 tot en
met maart 2021te [plaats 1] , [plaats 2] en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht
en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of binnen en/of buiten het
grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad (telkens) een (grote) hoeveelheid, waaronder
-op of omstreeks 22 juni 2020 (ongeveer) 1 kilogram en/of
-op of omstreeks 5 augustus 2020 (ongeveer) 2 kilogram en/of
-op of omstreeks 20 augustus 2020 (ongeveer) 1 kilogram en/of
-in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020 tot en met 22 augustus 2020
(ongeveer) 1 kilogram en/of
-in of omstreeks de periode van 5 oktober 2020 tot en met 6 oktober 2020
(ongeveer) 1 kilogram en/of
- in of omstreeks de periode van 26 februari 2021 tot en met 28 februari 2021
(ongeveer) 7 kilogram en/of
-in of omstreeks de periode van 3 maart 2021 tot en met 8 maart 2021 een
(grote) hoeveelheid (‘paar stuks Benz’) , in ieder geval (ongeveer) 1 kilogram,
althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
in elk geval (steeds) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst
I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van
juni 2020 tot en
met maart 2021te [plaats 1] , [plaats 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en
in vereniging, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk
bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren
en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een
hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/stof
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde
lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen,
mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen
van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden
had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) te hebben en/of
berichten en/of foto’s (van cocaïne) te sturen naar en/of (een) bespreking(en) te
voeren en/of afspra(a)k(en) te maken met één of meerdere (mogelijke),
leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en),
verlener(s) van hand- en spandiensten en/of anderen) met betrekking tot de
hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling en/of vervoer van die hoeveelheid
cocaïne en/of
- één of meerdere van eerdergenoemd(e) perso(o)n(en) te (laten) voorzien van
informatie en/of (een) vervoermiddel(len) en/of geld en/of locaties ten behoeve
van en/of ter vergoeding van de levering, betaling, vervoer/transport van die
hoeveelheid cocaïne en/of ter vergoeding van door die perso(o)n(en) geleverde
dienst(en) en/of door die perso(o)n(en) gemaakte kosten met betrekking tot de
levering, betaling en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van
augustus 2020
tot en met september 2020te [plaats 1] , [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk
bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren
van een hoeveelheid ice/(meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal/stof bevattende 2,5 -dimethoxy-alfa,4-dimethylfenethylam me,
zijnde methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid
van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen
mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen
van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot
het plegen van dat feit, door
(telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) te hebben en/of berichten
en/of foto’s (van ice) te sturen naar en/of (een) bespreking(en) te voeren en/of
afspra(a)k(en) te maken met één of meerdere (mogelijke) leverancier(s),
transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), producent(en)
met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling van
ice/(meth)amfetamine.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met uitzondering van het ‘bereiden’.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen wat hem onder de gedachtestreepjes 1, 2, 4 en 7 ten laste is gelegd. Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat nietigheid van de tenlastelegging zou moeten volgen. Subsidiair moet verdachte van het onder dit gedachtestreepje ten laste gelegde worden vrijgesproken. Ten aanzien van de gedachtestreepjes 3 en 6 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 3 primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de ‘eventuele interesse in ice’ betrekking heeft op hoeveelheden die het eigen gebruik zoals bedoeld in artikel 10a lid 2 van de Opiumwet (hierna ook: OW), overschrijdt. Om die reden moet er ontslag van alle rechtsvervolging volgen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
In 2019 is er onder gezag van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de rechtspersoon Sky ECC. Sky ECC was een versleutelde chatdienst op speciaal daarvoor ingestelde smartphones. Met behulp van een speciaal opgericht Joint Investigation Team (hierna ook: JIT) tussen Nederland, Frankrijk en België is er gezamenlijk onderzoek verricht naar de verdenkingen tegen Sky ECC. Op basis van de in dit onderzoek geïntercepteerde data zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Hieruit is onder andere communicatie tussen Sky-ID’s bekend geworden. In de (meta)data zijn de bijnamen en gebruikersnamen die aan een ID zijn gekoppeld te zien. Verder zijn aan de hand van bepaalde sleutels de inhoud van verschillende een-op-een chats of chatgroepen leesbaar gemaakt.
Uit de versleutelde berichten is het vermoeden gerezen dat de accounts [accountnaam 1] , [accountnaam 2] en [accountnaam 3] zich bezig zouden houden met de handel in hard- en softdrugs. In onderzoek GNOE21 is nader onderzoek verricht naar de identiteit van de gebruikers van de accounts en naar deze vermoedelijke handel in verdovende middelen.
Het onderzoek naar de identiteit van de gebruikers van de accounts [accountnaam 1] , [accountnaam 2] en [accountnaam 3] heeft de volgende resultaten opgeleverd:
- [accountnaam 1] blijkt te zijn verdachte (hierna ook: [verdachte] );
- [accountnaam 2] blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1] );
- [accountnaam 3] blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2] ).
De accounts [accountnaam 1] en [accountnaam 2] zijn gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot en met 8 maart 2021. Het account [accountnaam 3] is gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot met 23 december 2023.
De overwegingen van de rechtbank
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
- Verklaring van verdachte
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij grotendeels de gebruiker was van het account [accountnaam 1] en dat dit was rond 2020. Hij heeft ook verklaard dat hij dit account een periode van zes tot negen maanden heeft gebruikt. De gesprekken gingen over de handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe. Hij ziet zijn rol als die van tussenpersoon, hij stuurde berichten, waaronder foto’s, door.
- Het proces-verbaal raadkamer feit 1, gedachtestreepjes 1 en 2
De raadsman heeft zich ten aanzien van de gedachtestreepjes 1 en 2 op de tenlastelegging op het standpunt gesteld dat er zich geen berichtenverkeer dan wel bewijsmiddelen in het einddossier bevinden. Het gebruik van bewijsmiddelen gebaseerd op eerder verstrekte stukken miskent dat er recht gesproken moet worden op basis van het einddossier. Verdachte moet om die reden worden vrijgesproken van de hem verweten gedragingen gepleegd op 22 juni 2020 en op 5 augustus 2020.
In artikel 149a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de samenstelling van de processtukken. Uit artikel 149a, tweede lid, Sv volgt dat tot de processtukken alle stukken behoren die voor de ter terechtzitting te nemen beslissingen relevant kunnen zijn. Bepalend hierbij is niet de aard van het stuk, maar de relevantie ervan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissing. [1]
De rechtbank stelt vast dat zowel het eind proces-verbaal opgemaakt door [naam 1] en gedateerd op 20 april 2023 als het proces-verbaal raadkamer, eveneens opgemaakt door [naam 1] en gedateerd op 28 april 2023, zich als processtuk in het dossier bevinden. Deze stukken zijn ook (tijdig) verstrekt aan de raadsman.
Verder stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie op 26 september 2025 een e-mail heeft gestuurd aan zowel de raadsman als aan de rechtbank. Bij deze e-mail zitten een aantal bijlagen, waaronder het bewijsmiddelenoverzicht. Hieruit blijkt dat de officier van justitie verwijst naar een aantal bewijsmiddelen uit het proces-verbaal raadkamer van 28 april 2023. De verdediging kan hierdoor niet overvallen zijn ter terechtzitting omdat het betreffende proces-verbaal raadkamer zich in het dossier bevindt en al voorafgaand aan de zitting is aangekondigd door de officier van justitie, dat hij naar berichten uit dit proces-verbaal zal verwijzen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het proces-verbaal raadkamer van 28 april 2023 een processtuk is als bedoeld in artikel 149a, tweede lid, Sv, daarmee een onderdeel vormt van het procesdossier en de inhoud ervan als bewijsmiddel kan worden gebruikt.
- Partiële nietigheid van de tenlastelegging feit 1 gedachtestreepje 5
De raadsman heeft betoogd dat het onvoldoende duidelijk is op welke berichten het onder gedachtestreepje vijf ten laste gelegde betrekking heeft en heeft verzocht de tenlastelegging op dit punt nietig te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting, verdachte wist dat werd gesproken over cocaïne. Ook heeft de officier van justitie al op voorhand een bewijsmiddelenoverzicht doen toekomen aan de verdediging en de rechtbank. Hierin wordt verwezen naar een chat tussen verdachte en [medeverdachte 1] op 5 en 6 oktober 2020. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waar dit onderdeel van de tenlastelegging betrekking op heeft en waar de verdediging zich tegen moet verweren. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.
Aan [verdachte] wordt, kort gezegd, verweten dat hij op verschillende tijdstippen in 2020 en 2021 heeft gehandeld in cocaïne en dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen ten aanzien van deze handel in cocaïne.
- De bewijsoverwegingen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat Sky ECC gebruiker [accountnaam 1] in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 op meerdere momenten contact heeft met een onbekend gebleven Sky ECC gebruiker [accountnaam 4], met het Sky-account van [medeverdachte 1] ( [accountnaam 2] ) en met het Sky-account van [medeverdachte 2] ( [accountnaam 3] ). De conversaties verlopen deels in het Duits en in het Engels. Uit de berichten volgt dat er onder andere wordt gesproken over ‘1 boli’, ‘Collo’ en ‘Peru’. Bolli staat voor Boliviaanse cocaïne, Collo voor Colombiaanse en Peru voor Peruaanse cocaïne. Ook zijn er diverse berichten die gaan over prijzen, hoeveelheden, transport en leveringen. De conversaties leiden ook tot concrete afspraken en bevestigingen over leveringen. Zo wordt op 22 juni 2020 over een ‘1 top boli’ afgesproken ‘diese woche’ en ‘29500 I take’. Op 20 augustus 2020 geeft [verdachte] aan dat hij bijna in Rotterdam is en later dat het gelukt is en hij terug rijdt. [medeverdachte 1] vraagt dan aan [verdachte] of hij nog een blok heeft. Op 6 oktober chat [verdachte] met [medeverdachte 2] als volgt: ‘krijg deze net aangeboden Bor’, ‘Colo € 32 vraag hij’, ‘€ 31750’ en ‘mooie prijs hoor p’. De voornoemde berichten worden regelmatig vergezeld van foto’s waarop contant geld of verdovende middelen zijn te zien. [verdachte] heeft kennis van de handel in die zin dat hij weet wanneer er leveringen zijn in Duitsland. Op 21 juli 2020 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] : ‘komt veel binnen Hamburg/Bremen’ gevolgd door een aantal foto’s van witte blokken en ‘deze was vorige week Duitsland binnen gekomen’. En op de vraag van [medeverdachte 1] naar hardere bollie, zegt [verdachte] : ‘er is geen hard boli op de markt’.
Er is een vergelijking gemaakt tussen afbeeldingen die gemaakt zijn in de woning van [verdachte] aan de [adres] in [plaats 1] en afbeeldingen die zijn verstuurd door [accountnaam 1] . Op de verstuurde afbeeldingen zijn grote hoeveelheden contant geld, een geldtelmachine en verdovende middelen te zien in de woning van [verdachte] .
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 betrokken is geweest bij zowel de handel in cocaïne als het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe. De verklaring dat een deel van de berichten door anderen dan [verdachte] zijn verstuurd is niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat er foto’s van grote contante geldbedragen en van blokken verdovende middelen zijn verstuurd vanaf het SkyECC-account waar [verdachte] toegang toe had en waarbij uit onderzoek is gebleken dat een deel van deze foto’s zijn genomen in de woning van [verdachte] . Al met al gaat het om de handel in tenminste 14 kilo cocaïne waar verdachte naar het oordeel van de rechtbank een zelfstandige rol van betekenis in had die groter is dan het zijn van tussenpersoon, zoals [verdachte] zelf heeft verklaard. Op 20 juni 2020 zegt [verdachte] : ‘Nee heb klant morgen die willen geen Peru zeggen’. En op 26 februari 2021 chat [verdachte] op
26 februari 2021 met een onbekend gebleven Sky ECC-account ([accountnaam 5]): ‘Denk stuur [naam 2] met papieren’ en ‘Daar gelijk schakelen’. De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] niet enkel tussenpersoon was maar afspraken regelde, mensen ‘op pad stuurde’, aan hen opdrachten verstrekte en ook zelf handelde in cocaïne.
- Conclusie
De rechtbank is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen met uitzondering van het bereiden.
Ten aanzien van feit 3
Aan verdachte is ook het treffen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van ice/ methamfetamine ten laste gelegd.
- Verklaring van verdachte
Bij de gesprekken die zien op de voorbereidingshandelingen met betrekking tot ice, heeft [verdachte] geen betrokkenheid, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard. Hij kan zich de berichten over ice niet herinneren en hij denkt dat het iemand anders was.
De rechtbank stelt vast dat al deze berichten zijn verstuurd in de periode waarvan vaststaat dat in ieder geval [verdachte] gebruik maakte van het Sky ECC-account [accountnaam 1] voor de (voorbereidingshandelingen) in de handel in cocaïne. Dit deed hij samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een aantal onbekend gebleven Sky ECC-accounts. [verdachte] heeft geen verdere verklaring afgelegd over wie zijn PGP-telefoon en Sky ECC-account zou hebben gebruikt voor de handel in ice en op welke dagen of in welke periode dat zou zijn geweest. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode zelf de gebruiker was het Sky ECC-account [accountnaam 1] en dat hij ook zelf de berichten ten aanzien van ice heeft geschreven.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er meerdere chats zijn die op deze voorbereidende handelingen zien. Zo stuurt [verdachte] op 27 augustus 2020 naar [medeverdachte 2] ‘is er ice ??’ En op 3 september 2020 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] ’12,5’, waarop [medeverdachte 2] reageert: ‘Ja bro nergens wat ice bro, maar 12.5 ik ga aanbiedden kijke wat ze zeggen’.
De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte, in ieder geval samen met [medeverdachte 2] , contacten onderhoud en prijsafspraken maakt ten aanzien van ice. Ook weten klanten [verdachte] hier kennelijk voor te vinden blijkens een bericht van 9 augustus 2020 naar [medeverdachte 2] ‘Bro hoe met ice mensen vragen me kaput’.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] betrokken is bij de voorbereidingshandelingen voor de handel in ice. Uit de bewijsmiddelen volgen meerdere foto’s van ice en worden verschillende handelsbedragen genoemd. Het gaat om grote hoeveelheden ice en er worden ook grote bedragen genoemd. Dat verdachte enkel een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik binnen of buiten het grondgebed van Nederland heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank niet uit het dossier af te leiden. Van de uitzondering uit artikel 10a, lid 2, van de Opiumwet, zoals door de raadsman betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
- Conclusie
De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor overwogen dat feit 3 wettig en overtuigend kan worden bewezen met uitzondering van het bereiden.
Medeplegen feiten 1, 2 en 3
Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] betrokken is bij de handel in cocaïne en bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met verschillende anderen, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , contact heeft via de Sky ECC-chats over het kopen, verkopen en afleveren van cocaïne en ice. Ook worden er chauffeurs geregeld, prijsafspraken gemaakt over leveringen en prijzen, worden er foto’s van blokken cocaïne, bakjes ice en contant geld verstuurd.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en op grond van de opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een aantal, onbekend gebleven, Sky ECC-accounts. Deze samenwerking heeft betrekking op de handel in cocaïne en op het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice/ (meth)amfetamine. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van
juni 2020 tot en met maart 2021in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad telkens een grote hoeveelheid, waaronder
- op 22 juni 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
- op 5 augustus 2020 (ongeveer) 2 kilogram en
- op 20 augustus 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
- in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 22 augustus 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
- in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 6 oktober 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
- in of omstreeks de periode van 26 februari 2021 tot en met 28 februari 2021 ongeveer 7 kilogram en
-in of omstreeks de periode van 3 maart 2021 tot en met 8 maart 2021 een hoeveelheid (‘paar stuks Benz’), van (ongeveer) 1 kilogram, cocaïne, in elk geval steeds een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van
juni 2020 tot en met maart 2021in Nederland, tezamen en in vereniging,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en te bevorderen, te weten het telkens opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/stof bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, l een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en
- zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- ( telefonische) contacten en ontmoetingen te hebben en
berichten en foto’s (van cocaïne) te sturen naar en besprekingen te
voeren en afspraken te maken met één of meerdere (mogelijke), leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten of anderen met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling en vervoer van die hoeveelheid cocaïne en
- één of meerdere van eerdergenoemde personen te (laten) voorzien van informatie en/of (een) vervoermiddel(len) en geld en locaties ten behoeve van en ter vergoeding van de levering, betaling, vervoer/transport van die hoeveelheid cocaïne en ter vergoeding van door die personen geleverde dienst(en) en door die perso(o)n(en) gemaakte kosten met betrekking tot de levering, betaling en het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
3.
hij op meer tijdstippen in de periode van
augustus 2020 tot en met september 2020in Nederland,
tezamen en in vereniging,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en te bevorderen, te weten het telkens opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid ice/(meth)amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen mede te plegen en uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en
- zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door (telefonische) contact(en) en ontmoetingen te hebben en berichten en foto’s (van ice) te sturen naar en besprekingen te voeren en afspraken te maken met één of meerdere (mogelijke) leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), producent(en) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling van ice/(meth)amfetamine.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2 en feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen te verschaffen,
en
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
en
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van zes jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte zijn leven, gedurende zijn schorsing, goed op orde heeft weten te brengen. Daarom is een gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maximale duur, passend en geboden. Daarnaast kan overwogen worden een taakstraf op te leggen voor de maximale duur van 240 uren pér feit.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij had een rol in grootschalige internationale handel in harddrugs en was betrokken bij het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en (meth)amfetamine/ ice. Het gaat om zeer verslavende drugs die, zeker bij een overmatig gebruik, een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel in drugs gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit zoals diefstal en geweld. Dit veroorzaakt schade en overlast in de maatschappij.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 13 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en dat artikel 63 Sr van toepassing is.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 18 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte sinds het begin van het schorsingstoezicht heeft meegewerkt aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Omdat er sprake was van een stabiele leefsituatie en er geen veranderingen waren wat betreft de middelencontrole en de financiële situatie van verdachte is het toezicht in de ‘parkeerstand’ gezet. De risico’s op recidive, op letsel en op het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag waarbij wordt opgemerkt dat er eigenlijk geen inschatting kan worden gemaakt omdat onduidelijk is gebleven welke factoren hebben bijgedragen aan de delictpleging. Verdachte is inhoudelijk niet ingegaan op het aan hem tenlastegelegde. De reclassering adviseert om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden omdat continuering van interventies en toezicht niet langer nodig is.
De strafmodaliteit en de hoogte daarvan
Verdachte is een periode betrokken geweest bij grootschalige internationale handel in cocaïne en bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in verdovende middelen. Verdachte heeft hierbij enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Het gaat om ernstige feiten waar doorgaans hoge gevangenisstraffen op zijn gesteld en ook worden opgelegd.
Hoewel de rechtbank oog heeft voor de positief verlopen schorsing ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, geen andere mogelijkheid dan aan verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Hij bagatelliseert zijn eigen rol en heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.
Alles afwegende en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden. Dit met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft primair het standpunt ingenomen dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 45.460,00 handelsgeld betreft en om die reden verbeurd moet worden verklaard op grond van artikel 34 Sr. Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen, zijnde een telefoon en een geldtelmachine, heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat deze gebruikt zijn bij of in verband staan met de strafbare feiten en daarom verbeurd verklaard moeten worden.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen auto’s heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.
De raadsman heeft betoogd dat de goederen waarop conservatoir beslag rust, verbeurd verklaard moeten worden. Ten aanzien van het restbeslag, te weten de telefoon en de geldtelmachine heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde telefoontoestel (goednummer PL0600-ON2R021062_768853) en geldautomaat (goednummer PL-0600-ON2R021062_768851) moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreffen met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.
De inbeslaggenomen geldbedragen, van respectievelijk € 30.000,00, € 775,00, € 7.160,00, € 950,00, € 2.000,00 en € 4.575,00 (totaal € 45.460,00) moeten eveneens verbeurd worden verklaard omdat het goederen betreffen die verdachte toebehoren en die verdachte geheel ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2 en feit 3, het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen te verschaffen,
en
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
en
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder telefoontoestel (goednummer PL0600-ON2R021062_768853) en geldautomaat (goednummer PL-0600-ON2R021062_768851) en de inbeslaggenomen geldbedragen, van respectievelijk € 30.000,00, € 775,00, € 7.160,00, € 950,00, € 2.000,00 en € 4.575,00 (totaal € 45.460,00);
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Buiten staat
Mr. B.T.C. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.HR 16 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:218, r.o. 2.4.