3.3Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
In 2019 is er onder gezag van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de rechtspersoon Sky ECC. Sky ECC was een versleutelde chatdienst op speciaal daarvoor ingestelde smartphones. Met behulp van een speciaal opgericht Joint Investigation Team (hierna ook: JIT) tussen Nederland, Frankrijk en België is er gezamenlijk onderzoek verricht naar de verdenkingen tegen Sky ECC. Op basis van de in dit onderzoek geïntercepteerde data zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Hieruit is onder andere communicatie tussen Sky-ID’s bekend geworden. In de (meta)data zijn de bijnamen en gebruikersnamen die aan een ID zijn gekoppeld te zien. Verder zijn aan de hand van bepaalde sleutels de inhoud van verschillende een-op-een chats of chatgroepen leesbaar gemaakt.
Uit de versleutelde berichten is het vermoeden gerezen dat de accounts [accountnaam 1] , [accountnaam 2] en [accountnaam 3] zich bezig zouden houden met de handel in hard- en softdrugs. In onderzoek GNOE21 is nader onderzoek verricht naar de identiteit van de gebruikers van de accounts en naar deze vermoedelijke handel in verdovende middelen.
Het onderzoek naar de identiteit van de gebruikers van de accounts [accountnaam 1] , [accountnaam 2] en [accountnaam 3] heeft de volgende resultaten opgeleverd:
- [accountnaam 1] blijkt te zijn verdachte (hierna ook: [verdachte] );
- [accountnaam 2] blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1] );
- [accountnaam 3] blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2] ).
De accounts [accountnaam 1] en [accountnaam 2] zijn gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot en met 8 maart 2021. Het account [accountnaam 3] is gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot met 23 december 2023.
De overwegingen van de rechtbank
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
- Verklaring van verdachte
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij grotendeels de gebruiker was van het account [accountnaam 1] en dat dit was rond 2020. Hij heeft ook verklaard dat hij dit account een periode van zes tot negen maanden heeft gebruikt. De gesprekken gingen over de handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe. Hij ziet zijn rol als die van tussenpersoon, hij stuurde berichten, waaronder foto’s, door.
- Het proces-verbaal raadkamer feit 1, gedachtestreepjes 1 en 2
De raadsman heeft zich ten aanzien van de gedachtestreepjes 1 en 2 op de tenlastelegging op het standpunt gesteld dat er zich geen berichtenverkeer dan wel bewijsmiddelen in het einddossier bevinden. Het gebruik van bewijsmiddelen gebaseerd op eerder verstrekte stukken miskent dat er recht gesproken moet worden op basis van het einddossier. Verdachte moet om die reden worden vrijgesproken van de hem verweten gedragingen gepleegd op 22 juni 2020 en op 5 augustus 2020.
In artikel 149a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de samenstelling van de processtukken. Uit artikel 149a, tweede lid, Sv volgt dat tot de processtukken alle stukken behoren die voor de ter terechtzitting te nemen beslissingen relevant kunnen zijn. Bepalend hierbij is niet de aard van het stuk, maar de relevantie ervan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissing.
De rechtbank stelt vast dat zowel het eind proces-verbaal opgemaakt door [naam 1] en gedateerd op 20 april 2023 als het proces-verbaal raadkamer, eveneens opgemaakt door [naam 1] en gedateerd op 28 april 2023, zich als processtuk in het dossier bevinden. Deze stukken zijn ook (tijdig) verstrekt aan de raadsman.
Verder stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie op 26 september 2025 een e-mail heeft gestuurd aan zowel de raadsman als aan de rechtbank. Bij deze e-mail zitten een aantal bijlagen, waaronder het bewijsmiddelenoverzicht. Hieruit blijkt dat de officier van justitie verwijst naar een aantal bewijsmiddelen uit het proces-verbaal raadkamer van 28 april 2023. De verdediging kan hierdoor niet overvallen zijn ter terechtzitting omdat het betreffende proces-verbaal raadkamer zich in het dossier bevindt en al voorafgaand aan de zitting is aangekondigd door de officier van justitie, dat hij naar berichten uit dit proces-verbaal zal verwijzen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het proces-verbaal raadkamer van 28 april 2023 een processtuk is als bedoeld in artikel 149a, tweede lid, Sv, daarmee een onderdeel vormt van het procesdossier en de inhoud ervan als bewijsmiddel kan worden gebruikt.
- Partiële nietigheid van de tenlastelegging feit 1 gedachtestreepje 5
De raadsman heeft betoogd dat het onvoldoende duidelijk is op welke berichten het onder gedachtestreepje vijf ten laste gelegde betrekking heeft en heeft verzocht de tenlastelegging op dit punt nietig te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting, verdachte wist dat werd gesproken over cocaïne. Ook heeft de officier van justitie al op voorhand een bewijsmiddelenoverzicht doen toekomen aan de verdediging en de rechtbank. Hierin wordt verwezen naar een chat tussen verdachte en [medeverdachte 1] op 5 en 6 oktober 2020. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waar dit onderdeel van de tenlastelegging betrekking op heeft en waar de verdediging zich tegen moet verweren. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.
Aan [verdachte] wordt, kort gezegd, verweten dat hij op verschillende tijdstippen in 2020 en 2021 heeft gehandeld in cocaïne en dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen ten aanzien van deze handel in cocaïne.
- De bewijsoverwegingen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat Sky ECC gebruiker [accountnaam 1] in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 op meerdere momenten contact heeft met een onbekend gebleven Sky ECC gebruiker [accountnaam 4], met het Sky-account van [medeverdachte 1] ( [accountnaam 2] ) en met het Sky-account van [medeverdachte 2] ( [accountnaam 3] ). De conversaties verlopen deels in het Duits en in het Engels. Uit de berichten volgt dat er onder andere wordt gesproken over ‘1 boli’, ‘Collo’ en ‘Peru’. Bolli staat voor Boliviaanse cocaïne, Collo voor Colombiaanse en Peru voor Peruaanse cocaïne. Ook zijn er diverse berichten die gaan over prijzen, hoeveelheden, transport en leveringen. De conversaties leiden ook tot concrete afspraken en bevestigingen over leveringen. Zo wordt op 22 juni 2020 over een ‘1 top boli’ afgesproken ‘diese woche’ en ‘29500 I take’. Op 20 augustus 2020 geeft [verdachte] aan dat hij bijna in Rotterdam is en later dat het gelukt is en hij terug rijdt. [medeverdachte 1] vraagt dan aan [verdachte] of hij nog een blok heeft. Op 6 oktober chat [verdachte] met [medeverdachte 2] als volgt: ‘krijg deze net aangeboden Bor’, ‘Colo € 32 vraag hij’, ‘€ 31750’ en ‘mooie prijs hoor p’. De voornoemde berichten worden regelmatig vergezeld van foto’s waarop contant geld of verdovende middelen zijn te zien. [verdachte] heeft kennis van de handel in die zin dat hij weet wanneer er leveringen zijn in Duitsland. Op 21 juli 2020 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] : ‘komt veel binnen Hamburg/Bremen’ gevolgd door een aantal foto’s van witte blokken en ‘deze was vorige week Duitsland binnen gekomen’. En op de vraag van [medeverdachte 1] naar hardere bollie, zegt [verdachte] : ‘er is geen hard boli op de markt’.
Er is een vergelijking gemaakt tussen afbeeldingen die gemaakt zijn in de woning van [verdachte] aan de [adres] in [plaats 1] en afbeeldingen die zijn verstuurd door [accountnaam 1] . Op de verstuurde afbeeldingen zijn grote hoeveelheden contant geld, een geldtelmachine en verdovende middelen te zien in de woning van [verdachte] .
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 betrokken is geweest bij zowel de handel in cocaïne als het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe. De verklaring dat een deel van de berichten door anderen dan [verdachte] zijn verstuurd is niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat er foto’s van grote contante geldbedragen en van blokken verdovende middelen zijn verstuurd vanaf het SkyECC-account waar [verdachte] toegang toe had en waarbij uit onderzoek is gebleken dat een deel van deze foto’s zijn genomen in de woning van [verdachte] . Al met al gaat het om de handel in tenminste 14 kilo cocaïne waar verdachte naar het oordeel van de rechtbank een zelfstandige rol van betekenis in had die groter is dan het zijn van tussenpersoon, zoals [verdachte] zelf heeft verklaard. Op 20 juni 2020 zegt [verdachte] : ‘Nee heb klant morgen die willen geen Peru zeggen’. En op 26 februari 2021 chat [verdachte] op
26 februari 2021 met een onbekend gebleven Sky ECC-account ([accountnaam 5]): ‘Denk stuur [naam 2] met papieren’ en ‘Daar gelijk schakelen’. De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] niet enkel tussenpersoon was maar afspraken regelde, mensen ‘op pad stuurde’, aan hen opdrachten verstrekte en ook zelf handelde in cocaïne.
- Conclusie
De rechtbank is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen met uitzondering van het bereiden.
Aan verdachte is ook het treffen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van ice/ methamfetamine ten laste gelegd.
- Verklaring van verdachte
Bij de gesprekken die zien op de voorbereidingshandelingen met betrekking tot ice, heeft [verdachte] geen betrokkenheid, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard. Hij kan zich de berichten over ice niet herinneren en hij denkt dat het iemand anders was.
De rechtbank stelt vast dat al deze berichten zijn verstuurd in de periode waarvan vaststaat dat in ieder geval [verdachte] gebruik maakte van het Sky ECC-account [accountnaam 1] voor de (voorbereidingshandelingen) in de handel in cocaïne. Dit deed hij samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een aantal onbekend gebleven Sky ECC-accounts. [verdachte] heeft geen verdere verklaring afgelegd over wie zijn PGP-telefoon en Sky ECC-account zou hebben gebruikt voor de handel in ice en op welke dagen of in welke periode dat zou zijn geweest. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode zelf de gebruiker was het Sky ECC-account [accountnaam 1] en dat hij ook zelf de berichten ten aanzien van ice heeft geschreven.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er meerdere chats zijn die op deze voorbereidende handelingen zien. Zo stuurt [verdachte] op 27 augustus 2020 naar [medeverdachte 2] ‘is er ice ??’ En op 3 september 2020 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] ’12,5’, waarop [medeverdachte 2] reageert: ‘Ja bro nergens wat ice bro, maar 12.5 ik ga aanbiedden kijke wat ze zeggen’.
De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte, in ieder geval samen met [medeverdachte 2] , contacten onderhoud en prijsafspraken maakt ten aanzien van ice. Ook weten klanten [verdachte] hier kennelijk voor te vinden blijkens een bericht van 9 augustus 2020 naar [medeverdachte 2] ‘Bro hoe met ice mensen vragen me kaput’.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] betrokken is bij de voorbereidingshandelingen voor de handel in ice. Uit de bewijsmiddelen volgen meerdere foto’s van ice en worden verschillende handelsbedragen genoemd. Het gaat om grote hoeveelheden ice en er worden ook grote bedragen genoemd. Dat verdachte enkel een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik binnen of buiten het grondgebed van Nederland heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank niet uit het dossier af te leiden. Van de uitzondering uit artikel 10a, lid 2, van de Opiumwet, zoals door de raadsman betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
- Conclusie
De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor overwogen dat feit 3 wettig en overtuigend kan worden bewezen met uitzondering van het bereiden.
Medeplegen feiten 1, 2 en 3
Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] betrokken is bij de handel in cocaïne en bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met verschillende anderen, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , contact heeft via de Sky ECC-chats over het kopen, verkopen en afleveren van cocaïne en ice. Ook worden er chauffeurs geregeld, prijsafspraken gemaakt over leveringen en prijzen, worden er foto’s van blokken cocaïne, bakjes ice en contant geld verstuurd.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en op grond van de opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een aantal, onbekend gebleven, Sky ECC-accounts. Deze samenwerking heeft betrekking op de handel in cocaïne en op het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice/ (meth)amfetamine. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.