ECLI:NL:RBOVE:2025:7714

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
08.176066.22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor meerdere Opiumwetdelicten met gevangenisstraf

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in Almelo uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het handelen in cocaïne, MDMA, en hasjiesj, evenals het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie van (meth)amfetamine. De feiten vonden plaats in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021, waarbij de verdachte betrokken was bij de grootschalige internationale handel in deze verdovende middelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met medeverdachten, via versleutelde communicatieplatforms zoals Sky ECC, afspraken maakte over de handel, transport en prijsafspraken van de drugs. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de ernst van de feiten en de rol van de verdachte in de drugshandel. De rechtbank heeft ook de inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 68.895,00 verbeurd verklaard, evenals een in beslag genomen pepperspray. De uitspraak is openbaar gedaan en de rechtbank heeft de verdachte in zijn strafbaarheid bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.176066.22 (P)
Datum vonnis: 19 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 oktober 2025 en van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 2 oktober 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met anderen:
feit 1:in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 in [plaats 1] en [plaats 2] heeft gehandeld in cocaïne en MDMA;
feit 2:in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 in [plaats 1] en [plaats 2] voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne heeft getroffen;
feit 3:in de periode van september 2020 tot en met oktober 2020 in [plaats 1], [plaats 2], Friesland en Brabant voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de productie van (meth)amfetamine;
feit 4:in de periode van juni 2020 tot en met februari 2021 in [plaats 1] en [plaats 2] heeft gehandeld in hasjiesj.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van
juni 2020 tot en
met maart 2021te [plaats 1], [plaats 2] en/of elders in Nederland, tezamen en
in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht
en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of binnen en/of buiten het
grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad (telkens)een (grote) hoeveelheid, waaronder
- op of omstreeks 20 augustus 2020 (ongeveer) 1 kilogram en/of
- op of omstreeks 5 oktober 2020 (ongeveer) 500 gram en/of
- in of omstreeks november 2020 (ongeveer) 1 kilogram en/of
- in of omstreeks de periode 19 december 2020 tot en met 22 december 2020
(ongeveer) 2 kilogram en/of
- in of omstreeks de periode 3 maart 2021 tot en met 5 maart 2021 (ongeveer)
1. kilogram,
althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne
en/of
- op of omstreeks 15 september 2020 (ongeveer) 10.000 XTC pillen, althans een
(grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
in elk geval (steeds) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst
I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van
juni 2020 tot en
met maart 2021te [plaats 1], [plaats 2], in elk geval in Nederland tezamen en
in vereniging, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk
bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren
en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een
hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/stof
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde
lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen,
mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen
van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden
had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) te hebben en/of (een)
bespreking(en) te voeren en/of afspra(a)k(en) te maken met één of meerdere
(mogelijke) producent(en), leverancier(s), transporteur(s), financier(s),
afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of
anderen) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling
en/of vervoer van die hoeveelheid cocaïne en/of
- één of meerdere van eerdergenoemd(e) perso(o)n(en) te (laten) voorzien van
informatie en/of (een) vervoermiddel(len) en/of geld en/of locaties ten behoeve
van en/of ter vergoeding van de levering, betaling, vervoer/transport van die
hoeveelheid cocaïne en/of ter vergoeding van door die perso(o)n(en) geleverde
dienst(en) en/of door die perso(o)n(en) gemaakte kosten met betrekking tot de
levering, betaling en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van
september
2020 tot en met oktober 2020te [plaats 1], [plaats 2] en/of Friesland en/of
Brabant, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, om
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden,
bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een
hoeveelheid ice/(meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal/stof bevattende 2,5 -dimethoxy-alfa,4-dimethylfenethylam me, zijnde
methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de
Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen
mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen
van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot
het plegen van dat feit, door
-het (laten) regelen van (een) locatie(s) ten behoeve van de productie van
ice/(meth)amfetamine en/of
-het (laten) aanleveren van de benodigde grondstoffen ten behoeve van de
productie van (meth)amfetamine en/of het maken van afspraken ten behoeve
van de levering van grondstoffen/ een (grote) hoeveelheid ‘vacuüm b’ ten
behoeve van de productie van die (meth)amfetamine;
4.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van
juni 2020 tot en
met februari 2021te [plaats 1], [plaats 2] en/of elders in Nederland, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans
eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt
en/of vervoerd en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft
gebracht, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(telkens) een (grote) hoeveelheid, waaronder (een) hoeveelhe(i)d(en) van
-in of omstreeks de periode 20 juni 2020 tot en met 21 juni 2020 (ongeveer) 2
kilogram en/of
-op of omstreeks 30 juni 2020 (ongeveer) 1 kilogram en/of
-op of omstreeks 26 augustus 2020 (ongeveer) 15 kilogram en/of
-in of omstreeks de periode van 27 augustus 2020 tot en met 10 september
2020 (ongeveer) 25 kilogram en/of
-op of omstreeks 16 september 2020 (ongeveer) 23 kilogram en/of
-op of omstreeks 7 oktober 2020 (ongeveer) 6 kilogram,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een
gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van
hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd,
zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van
die wet.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend kan worden bewezen met uitzondering van het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en het bereiden. Feit 2 kan ook wettig en overtuigend worden bewezen met uitzondering van het bereiden. Wat betreft feit 3 kan wettig en overtuigend worden bewezen het medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van het bereiden, bewerken of verwerken van ice of crystal meth. Van het overige moet verdachte partieel worden vrijgesproken. Feit 4 kan wettig en overtuigend worden bewezen met dien verstande dat de pleegperiode korter is dan is ten laste gelegd.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrij moet worden gesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft betwist dat hij (gedurende de gehele periode) gebruik heeft gemaakt van het account [accountnaam 1].
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 deelvrijspraak moet volgen voor de invoer en uitvoer van cocaïne. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de voorbereidingshandelingen die zien op het bereiden, invoer en uitvoer. Verdachte moet ook worden vrijgesproken van feit 3. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de periode ingekort moet worden tot aan 7 oktober 2020.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
In 2019 is er onder gezag van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de rechtspersoon Sky ECC. Sky ECC was een versleutelde chatdienst op speciaal daarvoor ingestelde smartphones. Met behulp van een speciaal opgericht Joint Investigation Team (hierna ook: JIT) tussen Nederland, Frankrijk en België is er gezamenlijk onderzoek verricht naar de verdenkingen tegen Sky ECC. Op basis van de in dit onderzoek geïntercepteerde data zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Hieruit is onder andere communicatie tussen Sky-ID’s bekend geworden. In de (meta)data zijn de bijnamen en gebruikersnamen die aan een ID zijn gekoppeld te zien. Verder zijn aan de hand van bepaalde sleutels de inhoud van verschillende een-op-een chats of chatgroepen leesbaar gemaakt.
Uit de versleutelde berichten is het vermoeden gerezen dat de accounts [accountnaam 2], [accountnaam 1] en [accountnaam 3] zich bezig zouden houden met de handel in hard- en softdrugs. In onderzoek GNOE21 is nader onderzoek verricht naar de identiteit van de gebruikers van de accounts en naar deze vermoedelijke handel in verdovende middelen.
Het onderzoek naar de identiteit van de gebruikers van de accounts [accountnaam 2] en [accountnaam 3] heeft de volgende resultaten opgeleverd:
- [accountnaam 2] blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1]);
- [accountnaam 3] blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2]).
Het account [accountnaam 2] is gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot en met 8 maart 2021.
Het account [accountnaam 3] is gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot met 23 december 2023.
De overwegingen van de rechtbank
-
Verklaring van verdachte
Verdachte (hierna ook: [verdachte]) heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en geen verklaring gegeven over het gebruik van de PGP-telefoon, het Sky ECC-account [accountnaam 1] noch over de hem tenlastegelegde gedragingen.
- Identificatie SKY-ECC account [accountnaam 1]
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het SKY ECC-account [accountnaam 1] is te koppelen aan [verdachte]. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de gebruiker van het account [accountnaam 1] in meerdere chats het adres ‘[adres]’ in combinatie met ‘ik ben op de zaak’ en ‘ik ben training aan het geven’ doorgeeft. [verdachte] heeft verklaard dat hij personal trainer is en een eigen bedrijf heeft genaamd [bedrijf]. In een chatgesprek op 10 december 2020 geeft de gebruiker van [accountnaam 1] zijn telefoonnummer ([telefoonnummer]) door. Uit nader onderzoek is gebleken dat dit nummer in gebruik is bij [verdachte]. Het telefoonnummer staat ook op de website van zijn bedrijf: [website]. Ook is [verdachte] in het ziekenhuis opgenomen geweest vanwege een vechtpartij. Gebruiker [accountnaam 1] stuurt op 2 juli 2020 om 10.47 uur een bericht ‘Joo bro niks man popo kwam net weer’. In het mutatierapport van de politie van 2 juli 2020 om 10.36 uur staat ‘Huisbezoek gedaan bij [verdachte] . Hem gesproken over het incident in Goor een tijdje terug’. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het Sky ECC-account [accountnaam 1].
Het account [accountnaam 1] is gebruikt in de periode van 14 juni 2020 tot en met 8 maart 2021. [verdachte] heeft zelf geen verklaring afgelegd over het gebruik van dit Sky ECC-account en niet aannemelijk gemaakt welk deel van de tenlastegelegde periode hij wel en welke deel van de periode hij niet de gebruiker zou zijn geweest van het Sky ECC-account [accountnaam 1]. De rechtbank ziet in het dossier ook geen aanwijzingen waaruit opgemaakt kan worden dat [verdachte] niet de gehele periode gebruik heeft gemaakt van het Sky ECC-account.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] gedurende de gehele gebruiksperiode van 14 juni 2020 tot en met 8 maart 2021 de gebruiker is geweest van het account [accountnaam 1].
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Aan verdachte is onder de feiten 1 en 2 de handel in cocaïne en MDMA ten laste gelegd evenals het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Sky ECC gebruiker [accountnaam 1] ([verdachte]) op meerdere momenten in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 contact heeft met het Sky ECC-account van [medeverdachte 1] ([accountnaam 2]), van [medeverdachte 2] ([accountnaam 3]) en met verschillende onbekend gebleven Sky ECC-gebruikers.
- Cocaïne
Uit de Sky ECC berichten volgt dat er onder andere wordt gesproken over ‘bolli’, ‘Collo’ en ‘Peru’, Bolli staat voor Boliviaanse cocaïne, Collo voor Colombiaanse en Peru voor Peruaanse cocaïne. Ook zijn er diverse berichten die gaan over prijzen, hoeveelheden, over transport en over leveringen. De conversaties leiden tot concrete afspraken en bevestigingen over leveringen. Op 22 november 2020 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] ‘Heb 32,50 betaald echt goeie harde krokant bollie’ en op 22 december 2020 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2]: ‘Heb blokk Peru liggen’. In de periode tussen 18 december 2020 en 22 december 2020 heeft [verdachte] een gesprek met het onbekend gebleven Sky ECC-account [accountnaam 4]. Het gesprek gaat over ‘1uur 1 vis’ en ‘colo’, Vervolgens gaat de conversatie over het geldbedrag dat is afgegeven. Op 3 maart 2021 wordt door [medeverdachte 1] gezegd ‘Als je wilt kan ik jou eentje afgooien’, ‘Kan je rustig thuis kijken’ waarop [verdachte] bevestigend antwoord door te zeggen: ‘ja is goed doe maar ben nu nog niet thuis maar op werk’. De voornoemde berichten worden regelmatig vergezeld van foto’s waarop contant geld of verdovende middelen zijn te zien.
Uit diverse chats volgt verder dat [verdachte] geld klaar heeft liggen: ‘Cash staat klaar’ en ‘(…) heb geld meegekregen van mattie van me hij zegt invest maar nog 1 Peru (…)’. En ook regelt hij iemand om te rijden: ‘kan broeder stuur ik die chickie want nu zie j mij morgen Dior aan’. [verdachte] vraagt regelmatig om cocaïne, biedt aan te helpen verkopen en regelt transport ook in het buitenland: ‘Plus Aalborg wil 3 blok bolli’. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte naast de handel, ook voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de handel in cocaïne.
- XTC (feit 1)
Op 15 september 2020 stuur [verdachte] naar [medeverdachte 2]: ‘ik heb hier 10 k pillen’, ‘xtc’ en ‘Weetje iemand’. Dit, in samenhang met het hiervoor overwogene over de handel in cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] ook is betrokken bij de handel in XTC, in ieder geval op 15 september 2020.
- Conclusie
Al met al blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen dat verdachte een zelfstandige rol van betekenis in had, die groter is dan het zijn van tussenpersoon, zoals door de verdediging is betoogd. [verdachte] regelde afspraken, geld, gaf anderen opdrachten en handelde zelf ook in cocaïne, waarbij het gaat om tenminste 5,5 kilo.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] in de periode van juni 2020 tot en met maart 2021 betrokken is geweest bij zowel de handel in cocaïne en XTC als bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne. De rechtbank is van oordeel dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen met uitzondering van het bereiden.
Ten aanzien van feit 3
Aan verdachte is ook het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie van (meth)amfetamine ten laste gelegd. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] op 2 september 2020 door een onbekend gebleven Sky ECC-account gevraagd wordt of hij een boerderij kan regelen om ice en M te produceren. Hij reageert dan ‘denk het wel’, ‘in Friesland’. Er wordt afgesproken de volgende dag te gaan kijken.
Vervolgens wordt op 1 oktober 2020 door [medeverdachte 2] in de Sky ECC chat aan [verdachte] gevraagd of hij een plek weet die geschikt is voor ‘ice’. [verdachte] reageert hierop dat hij twee locaties heeft, namelijk in Friesland en in Brabant. [medeverdachte 2] reageert dat er goed voor betaald wordt en er ‘goedkoop ice’ tegenover staat. Dan zegt [verdachte] dat hij ‘bezig met zo opzet’ en dat hij ‘vacuüm b’ nodig heeft. [medeverdachte 2] concludeert dan dat de ‘plek bezet’ is en dat de mensen die hij heeft ‘zelf willen draaien’. Een aantal dagen later laat [medeverdachte 2] weten dat hij vacuüm b gevonden heeft in Zeeland.
Uit het voorgaande blijkt dat verdachte wetenschap heeft van locaties waar een drugslab kan komen, hij zelfs zelf bezig is een drugslab op te zetten waarvoor hij op zoek is naar, in ieder geval, vacuüm b.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie van (meth)amfetamine (ice).
Ten aanzien van feit 4
Tot slot is aan verdachte ten laste gelegd dat hij heeft gehandeld in hasjiesj.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op meerdere momenten in de periode van juni 2020 tot en met februari 2021 via de Sky ECC- account chatgesprekken voert met [medeverdachte 1] ([accountnaam 2]), [medeverdachte 2] ([accountnaam 3]) en met een onbekend gebleven Sky ECC-account, [accountnaam 5], over hasjiesj.
Zo heeft [verdachte] op 16 september 2020 contact met [medeverdachte 1] waarin [verdachte] vraagt of [medeverdachte 1] wat kan met Hasj. Hij noemt een prijs, 2300, stuurt vervolgens een foto en zegt daarna: ‘23kilo ligt klaar heb plaatje’. Op meerdere momenten in de periode van 14 juni 2020 tot 5 januari 2021 hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] contact over ‘assi’ [de rechtbank begrijpt: de straattaal voor hasjiesj]. Er worden, onder andere op 21 juni 2020, bedragen genoemd en foto’s gestuurd van bruin/groene blokken waarop bij sommigen op de verpakking een wietblad is te zien. Op 30 juni 2020 stuurt [verdachte] een foto naar [medeverdachte 2] van een blok met daarop een etiket waarop staat ‘Bentley’. [medeverdachte 2] zegt hier dan over ‘Dat is goeie hasj die ken ik’. Op 26 augustus 2020 zegt [medeverdachte 2] ‘Lange, heb hasj mee, 15 stuks’ en op 7 oktober 2020 zegt [verdachte] ‘Die 6kilo op 44’.
Verder heeft [verdachte] in de periode van 29 augustus 2020 tot en met 2 september 2020 een chatgesprek met een onbekend gebleven Sky ECC-account. Uit deze chats volgt dat verdachte ook handelde in het buitenland. In de chats, gevoerd in het Engels, gaat het over ’39.000 danish money’ en vervolgens wordt gevraagd naar een ‘good advocat lawyer’ ‘because my chauff don’t answer anymore bro’. [verdachte] geeft dan een naam door: ‘[naam 1]’. Vervolgens zegt [verdachte]: ‘Bro i can send you more from this I fix new car and stach’. Op 2 september 2020 gaan de gesprekken over de plek waar het geld is verstopt ‘I put inside’ ‘Under de var’ en later: ‘Bro he is locked up in Sweden’. Uit stukken vanuit Zweden volgt dat de inhoud van bovengenoemde chats overeenkomt met de aanhouding van een verdachte - genaamd [naam 1] - in Zweden. [1] In de auto waarin deze verdachte in reed, zijn 25 blokken [2] hasjiesj aangetroffen met allen een gewicht tussen 962,3 en 1208,2 gram. [3]
Tot slot zit er ook een chatgesprek in het dossier tussen [verdachte] en een onbekend gebleven Sky ECC-account [accountnaam 6] in de periode van 28 augustus 2020 tot en met 10 september 2020. Ook in deze chats gaat het om ‘handel van Stockholm’, er worden afspraken gemaakt over de route die de chauffeur moet rijden, er is contact over prijzen, gemaakte afspraken en hoeveelheden.
De rechtbank concludeert, gelet op het voorgaande, dat [verdachte] in de periode van 20 juni 2020 tot en met 7 oktober 2020 betrokken was bij grootschalige internationale handel in hasjiesj. Hij was niet alleen doorgeefluik, zoals door de verdediging betoogd, maar maakte afspraken over prijzen’15x 3800 + 1400 tellie’, heeft invloed gehad op het transport ‘doe maar eerst dk dan stckholm’ en is betrokken bij het regelen van een nieuwe chauffeur en nieuwe auto na een aanhouding in Zweden.
- Pleegperiode
Door de officier van justitie en de raadsvrouw is betoogd dat de pleegperiode een kortere periode betreft dan is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De tenlastelegging is de grondslag van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank bij de bewezenverklaring de ten laste gelegde pleegperiode moet beoordelen. De pleegperiode die de rechtbank bewezen acht valt daarbinnen. In deze strafzaak is ook een ontnemingsvordering aan de orde, die gelijktijdig met deze strafzaak is behandeld. De rechtbank acht, zoals hiervoor overwogen, in ieder geval bewezen dat verdachte zich in de periode van 20 juni 2020 tot en met 7 oktober 2020 heeft schuldig gemaakt aan de handel in hasjiesj. Dat verdachte zich ook na deze periode bezig heeft gehouden met deze handel is niet uit het dossier gebleken. Er is daarmee onvoldoende wettig bewijs voor bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode. De rechtbank gaat daarom uit van een kortere periode dan is tenlastegelegd.
- Conclusie
De rechtbank komt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen en op basis van hetgeen hiervoor overwogen tot het oordeel dat het onder feit 4 aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Medeplegen feiten 1 tot en met 4
Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] betrokken is bij de handel in cocaïne, bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice en de productie van (meth)amfetamine en bij de handel in hasjiesj.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] met verschillende anderen, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], contact heeft via de Sky ECC-chats over het kopen, verkopen en afleveren van cocaïne en ice. Ook worden er chauffeurs geregeld, prijsafspraken gemaakt over leveringen en prijzen, worden er foto’s van blokken cocaïne, bakjes ice en contant geld verstuurd.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en op grond van de opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen, [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een aantal, onbekend gebleven, Sky ECC-accounts. Deze samenwerking heeft betrekking op de handel in cocaïne, waaronder ook de invoer en uitvoer ervan en op het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice alsmede op de grootschalige internationale handel in hasjiesj. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van
juni 2020 tot en met maart 2021in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad telkens een grote hoeveelheid, waaronder
- op 20 augustus 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
- op of omstreeks 5 oktober 2020 (ongeveer) 500 gram en
- in of omstreeks november 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
- in of omstreeks de periode 19 december 2020 tot en met 22 december 2020 (ongeveer) 2 kilogram en
- in of omstreeks de periode 3 maart 2021 tot en met 5 maart 2021 (ongeveer) 1 kilogram, cocaïne en
- op 15 september 2020 (ongeveer) 10.000 XTC pillen,
in elk geval steeds een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van
juni 2020 tot en met maart 2021Nederland tezamen en in vereniging,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en te bevorderen, te weten het telkens opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en
- zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- ( telefonische) contacten en ontmoetingen te hebben en besprekingen te voeren en afspraken te maken met één of meerdere (mogelijke) producent(en), leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en anderen met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling en/of vervoer van die hoeveelheid cocaïne en
- één of meerdere van eerdergenoemde personen te (laten) voorzien van informatie en (een) vervoermiddel(len) en geld en locaties ten behoeve van en ter vergoeding van de levering, betaling, vervoer/transport van die hoeveelheid cocaïne en/of ter vergoeding van door die personen geleverde dienst(en) en door die personen gemaakte kosten met betrekking tot de levering, betaling en het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
3.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van
september 2020 tot en met oktober 2020in Nederland, tezamen en in vereniging, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het telkens opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid ice/(meth)amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen mede te plegen en uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en
- zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders,
wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
-het (laten) regelen van (een) locatie(s) ten behoeve van de productie van ice/(meth)amfetamine en
-het (laten) aanleveren van de benodigde grondstoffen ten behoeve van de productie van (meth)amfetamine en het maken van afspraken ten behoeve van de levering van grondstoffen/ een hoeveelheid ‘vacuüm b’ ten behoeve van de productie van die (meth)amfetamine;
4.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van
juni 2020 tot en met 7 oktober 2020in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en/ verstrekt en vervoerd en binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens een grote hoeveelheid, waaronder hoeveelheden van
-in de periode 20 juni 2020 tot en met 21 juni 2020 (ongeveer) 2 kilogram en
-op 30 juni 2020 (ongeveer) 1 kilogram en
-op 26 augustus 2020 (ongeveer) 15 kilogram en
-in of omstreeks de periode van 27 augustus 2020 tot en met 10 september 2020 (ongeveer) 25 kilogram en
-op of omstreeks 16 september 2020 ongeveer 23 kilogram en
-op of omstreeks 7 oktober 2020 (ongeveer) 6 kilogram,
in elk geval telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in de artikelen 2, 3, 10, 11 en 10a van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2 en feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen te verschaffen,
en
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
en
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wordt opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij een veroordeling rekening gehouden moet worden met de (persoonlijke) omstandigheden van verdachte. De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daarnaast kan er een voorwaardelijke straf opgelegd worden en/of een (gestapelde) taakstraf.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij had een rol in de grootschalige internationale handel in zowel harddrugs als softdrugs en was betrokken bij het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en ice en de productie van (meth)amfetamine/ice. Het gaat om zeer verslavende drugs die, zeker bij een overmatig gebruik, een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel in drugs gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit zoals diefstal en geweld. Dit veroorzaakt schade en overlast in de maatschappij.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 13 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en dat artikel 63 Sr van toepassing is.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 17 september 2025. Over verdachte is gerapporteerd dat er geen indicaties zijn gesignaleerd voor reclasseringsbemoeienis. Verdachte heeft zich ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten beroepen op zijn zwijgrecht. Hierdoor kan de reclassering geen criminogene factoren duiden. Er lijkt ogenschijnlijk sprake te zijn van stabiliteit in het leven van betrokkene. Hij heeft een eigen onderneming en is zakelijk succesvol. Er is sprake van een steunend netwerk en van een negatief sociaal netwerk lijkt geen sprake meer te zijn. Door zijn werk en de hiermee gepaard gaande mentaliteit is er geen sprake van alcohol- en drugsgebruik. Vanwege de proceshouding van verdachte kan er geen inschatting worden gemaakt van het risico op recidive en letselschade. Er zijn geen factoren naar voren gekomen die een verhoogd risico op het onttrekken aan eventuele voorwaarden.
De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een (langdurige) gevangenisstraf zal qua werk en financiën consequenties voor verdachte hebben. Verdachte is bereid mee te werken aan elektronische monitoring (EM) maar gelet op zijn proceshouding is het niet mogelijk om te komen tot een plan van aanpak waarbij EM een recidive verlagende werking heeft.
De strafmodaliteit en de hoogte daarvan
Verdachte heeft bij de door hem gepleegde strafbare feiten enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Het gaat om ernstige feiten waar doorgaans hoge gevangenisstraffen op zijn gesteld en ook worden opgelegd.
Hoewel de rechtbank oog heeft voor de positief verlopen schorsing ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, geen andere mogelijkheid dan aan verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Hij bagatelliseert zijn eigen rol en heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.
Alles afwegende en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden. Dit met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 68.685,00 handelsgeld betreft en om die reden verbeurd moet worden verklaard. De op de beslaglijst vermelde pepperspray kan worden onttrokken aan het verkeer omdat het bezit hiervan strafbaar is. Alle andere goederen kunnen, voor zover er klassiek beslag op rust, terug naar de rechthebbende. Omdat er ook conservatoir beslag op rust, gaan de goederen niet daadwerkelijk terug.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de herkomst van de contante geldbedragen van meet af aan helder is. Hij heeft deze geldbedragen gekregen vanwege zijn verloving en daarnaast heeft verdachte een geldbedrag geleend. Ook is een deel van het contante geld afkomstig uit de onderneming van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde geldbedragen, van respectievelijk € 1.415,00, € 67.000,00, € 270,00, € 200,00 en € 10,00 (totaal € 68.895,00) verbeurd moeten worden verklaard omdat het goederen betreffen die verdachte toebehoren en die verdachte geheel ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen.
De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde pepperspray (goednummer PL0600-ON2R021062_768985) vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien dit goed van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2 en feit 3, het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen te verschaffen,
en
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
en
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4, het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd in beslag genomen voorwerpen, te weten de inbeslaggenomen geldbedragen van respectievelijk € 1.415,00, € 67.000,00, € 270,00, € 200,00 en € 10,00 (totaal € 68.895,00);
- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen voorwerp, te weten pepperspray (goednummer PL0600-ON2R021062_768985);
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Buiten staat
Mr. B.T.C. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zaaksdossier softdrugs, pagina 106.
2.Zaaksdossier softdrugs, pagina’s 153 en 166.
3.Zaaksdossier softdrugs, pagina 174.