In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Overijssel op 2 december 2025 een beschikking gegeven in een omgangszaak betreffende een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel, de gecertificeerde instelling (GI), om bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing die op 1 oktober 2025 was gegeven. De vader van [minderjarige] verleent geen medewerking aan de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige], wat zorgwekkend is voor de ontwikkeling van het kind. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader onvoldoende uitvoering geeft aan de eerder gegeven beschikking van 9 juli 2025, waarin de omgangsregeling was vastgesteld. De kinderrechter heeft de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd, met uitzondering van het gedeelte dat betrekking heeft op de periode waarin de moeder in Irak verbleef. De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vader zijn medewerking verleent aan de omgangsregeling, zodat het contact tussen [minderjarige] en haar moeder kan worden gewaarborgd. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat geen hoger beroep open tegen deze eindbeslissing.