De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing aan de vader van een minderjarige, omdat hij niet meewerkt aan de omgang tussen de moeder en de minderjarige zoals bepaald in een eerdere beschikking. De minderjarige woont bij de vader en de omgang met de moeder is sinds juli 2025 vrijwel stilgevallen, wat zorgelijk is voor de ontwikkeling van het kind.
De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd en een zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de ouders niet zijn verschenen. De GI heeft toegelicht dat er recent wel enige begeleide omgang heeft plaatsgevonden en dat een gezinshulpverlener van Budle Zorgt betrokken is om de situatie te verbeteren. De kinderrechter oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing terecht is gegeven en dat de GI de bevoegdheid correct heeft gebruikt.
De bekrachtiging geldt met uitzondering van het deel over de periode dat de moeder in Irak verbleef, omdat die situatie inmiddels is veranderd. De kinderrechter benadrukt het belang van de omgang voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige en roept de vader op om mee te werken aan de naleving van de omgangsregeling. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep mogelijk.