ECLI:NL:RBOVE:2025:7613

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/08/342614 / KG ZA 25-303
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en gebruik van de woning in een kort geding tussen ouders

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Overijssel op 31 december 2025, is een kort geding aanhangig gemaakt door de vrouw, die een voorlopige zorgregeling voor haar minderjarige kind vordert. De vrouw en de man, die een relatie hebben gehad, zijn gezamenlijk ouders van het kind, geboren in 2023. De vrouw vordert onder andere dat het kind aan haar wordt toevertrouwd en dat de man het kind binnen 24 uur na het vonnis aan haar af moet geven, op straffe van een dwangsom. De man verzet zich hiertegen en vordert onder andere dat het kind aan hem wordt toevertrouwd en dat de vrouw de woning aan hem ter beschikking stelt.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de voorlopige zorgregeling die eerder was afgesproken niet wordt nageleefd, wat een spoedeisend belang voor de vrouw creëert. De rechter oordeelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat omgang tussen het kind en de vrouw niet in het belang van het kind is. Daarom wordt een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij het kind gelijkmatig tussen beide ouders wordt verdeeld. De voorzieningenrechter legt een dwangsom op aan de man voor het geval hij zich niet aan de zorgregeling houdt.

Daarnaast wordt de vordering van de man om de vrouw de toegang tot de woning te ontzeggen toegewezen, omdat de vrouw heeft verklaard de woning niet te willen betreden. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door de voorzieningenrechter, die tevens kinderrechter is, en kan in hoger beroep worden aangevochten binnen vier weken na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/342614 / KG ZA 25-303
vonnis in kort geding van 31 december 2025
inzake
[de vrouw],
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat: mr. S.M. Wolff,
en
[de man],
verder te noemen: de man,
wonende op een bij de voorzieningenrechter bekend adres,
verweerder,
advocaat: mr. W.J.A. van Es.

1.Het procesverloop

1.1.
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 22 december 2025;
  • producties 1 tot en met 5 van de zijde van de vrouw, binnengekomen op 24
december 2025;
- het verweer in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties,
binnengekomen op 24 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 29 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen en gehoord zijn:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
De man en de vrouw zijn ouders van het minderjarige kind:
2.1
[kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023, verder te noemen: [kind]. De man heeft [kind] erkend. De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind]. [kind] staat ingeschreven op het adres van de man.

3.De vordering in conventie

3.1.
De vrouw vordert de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • [kind] toe te vertrouwen aan de vrouw;
  • de man te gebieden om [kind] binnen 24 uur na het te wijzen vonnis af te geven aan de vrouw, bij gebreke waarvan de man een dwangsom verbeurt groot € 250,- per dag dat [kind] niet wordt afgegeven na het verstrijken van 24 uur na het te wijzen vonnis;
  • een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de man [kind] eens per twee weken bij zich heeft van vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur;
  • subsidiairten opzichte van de voorlopige toevertrouwing aan de vrouw: een voorlopige zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de vrouw [kind] bij zich heeft van zondag 10:00 uur tot en met donderdag 10:00 uur;
  • ieder der partijen de eigen kosten van deze procedure te laten dragen.

4.Het verweer in conventie, tevens houdende eis in reconventie

4.1.
De man vordert de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
primair:[kind] voorlopig toe te vertrouwen aan de man;
subsidiair:een voorlopige zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de man en
[kind], waarbij de man de ene week en de vrouw de andere week [kind] bij zich heeft, waarbij de wisseldag plaatsvindt op zondag 16:00 uur;
- de woning aan de [adres] aan de man toe
te wijzen, althans de vrouw te veroordelen de woning aan de man ter beschikking te stellen en de vrouw te verbieden om die woning te betreden en haar te veroordelen tot afgifte van de sleutels van de woning binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de vrouw weigert aan het te wijzen vonnis te voldoen.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorlopige zorgregeling die begin december 2025 tijdens een multidisciplinair overleg (MDO) is vastgesteld, niet wordt nageleefd. De vrouw heeft [kind] inmiddels een aantal weken niet gezien. Deze omstandigheden maken dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen. Zij kan dan ook worden ontvangen in haar vorderingen.
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De standpunten
5.2.
De vrouw vordert de voorzieningenrechter een voorlopige zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [kind] eens per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man is. Ter onderbouwing stelt de vrouw – kort gezegd – het volgende. De ouders hebben begin december 2025 tijdens een MDO met elkaar afgesproken dat [kind] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man zou zijn. De raad was tijdens het MDO aanwezig en heeft de voorlopige zorgregeling veilig genoeg geacht. De man laat [kind] echter niet naar de vrouw toe gaan. Dit terwijl de vrouw gedurende de relatie met de man de hoofdopvoeder van [kind] was. De vrouw kan voor [kind] zorgen. Van een onveilige opvoedsituatie bij de vrouw – zoals de man stelt – is geen sprake.
5.3.
De man stelt dat de situatie bij de vrouw onveilig is voor [kind]. De vrouw kampt met persoonlijke problematiek. Zij heeft in het verleden meerdere suïcidepogingen gedaan, waarvan zorgmeldingen bestaan. Haar psychische gesteldheid is op dit moment onstabiel. Ook heeft de man zorgen over het alcoholgebruik van de vrouw. Daarnaast heeft de man zorgen over de opvoedsituatie van de vriend van de vrouw, waar de vrouw op dit moment verblijft. De vrouw kan contact hebben met [kind], maar alleen onder begeleiding. De man is in staat om voltijds voor [kind] te zorgen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
5.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderlinge verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord. Gezien de ernst van de problematiek acht de voorzieningenrechter inzet van een jeugdbeschermer per direct noodzakelijk. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de beschikking van deze rechtbank van 29 december 2025 (C/08/343143 / JE RK 25-2138). Tevens acht de voorzieningenrechter een raadsonderzoek noodzakelijk. De voorzieningenrechter zal daarom de raad in de bodemprocedure verzoeken onderzoek te doen naar de voor [kind] meest wenselijke hoofdverblijfplaats en zorg- en contactregeling, eventueel uit te breiden naar een beschermingsonderzoek (C/08/343033 / FA RK 25-3263). In afwachting van het raadsonderzoek en het verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling zal de voorzieningenrechter een voorlopige zorgregeling vaststellen.
5.5.
Mede vanuit het oogpunt van gelijkwaardig ouderschap, acht de voorzieningenrechter het in het belang van [kind] dat de zorgregeling voorlopig gelijkmatig tussen de ouders wordt verdeeld. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat [kind] in beginsel recht heeft op omgang met beide ouders. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van voldoende aannemelijk geworden bijzondere omstandigheden, die maken dat omgang tussen [kind] en zijn moeder (of vader) niet in het belang is van [kind]. Van het bestaan van dergelijke omstandigheden is in dit kort geding voorshands niet gebleken. De man stelt weliswaar dat hij ernstige zorgen heeft over de veiligheid van [kind] bij de vrouw thuis, maar uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de betrokken hulpverlening de thuissituatie van de vrouw onvoldoende veilig acht of dat de vrouw niet in staat is om voor [kind] te zorgen. Bovendien waren de zorgen die de man over de thuissituatie van de vrouw naar voren heeft gebracht al bekend op het moment dat de ouders tijdens het MDO een week op week af regeling zijn overeengekomen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.
5.6.
Gelet op al het voorgaande zal de voorzieningenrechter een week op week af regeling vaststellen conform de afspraken die de man en de vrouw begin december 2025 tijdens het MDO hebben gemaakt. Concreet ziet de voorlopige zorgregeling er als volgt uit:
  • [kind] is de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man;
  • het wisselmoment is op donderdag om 12:00 uur;
  • de overdracht vindt plaats tussen beide ouders. Hier zijn geen andere personen bij
aanwezig;
  • de ouder waar [kind] naartoe gaat, zal [kind] ophalen;
  • elke maandag is er om 12:00 uur een belmoment met de ouder waar [kind] niet
verblijft;
- als [kind] op een ander moment met de andere ouder wil bellen, mag dit altijd. Wel
wordt dit vooraf met elkaar afgestemd via Whatsapp;
- de zorgregeling gaat in per 1 januari 2026. [kind] is dus van 1 januari
2026 tot 8 januari 2026 bij de vrouw.
5.7.
De vrouw vreest dat de man zich niet zal houden aan voorlopige zorgregeling en vordert dat aan hem een dwangsom wordt opgelegd. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen, nu is gebleken dat de man de voorlopige zorgregeling die tijdens het MDO is vastgesteld naast zich neerlegt. De voorzieningenrechter is er dan ook niet van overtuigd dat de man vrijwillig zal meewerken aan de zorgregeling die bij dit vonnis wordt bepaald. De voorzieningenrechter zal de man dan ook gebieden om [kind] af te geven aan de vrouw conform de voorlopige zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [kind] niet wordt afgegeven met een maximum van € 25.000,-. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
Toevertrouwing
5.8.
Nu de voorzieningenrechter een week op week af regeling zal vaststellen ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om [kind] aan één van beide ouders toe te vertrouwen.
Het uitsluitend gebruik van de woning
De standpunten
5.9.
De man vordert de voorzieningenrechter de woning in Blokzijl aan de man toe te wijzen, althans de vrouw te veroordelen de woning aan de man ter beschikking te stellen en de vrouw te verbieden om die woning te betreden en haar te veroordelen tot afgifte van de sleutels van de woning.
5.10.
De vrouw vordert de man niet-ontvankelijk te verklaren zijn vordering, dan wel zijn vordering af te wijzen. De vrouw is namelijk niet van plan om de woning te betreden. De man heeft dan ook geen belang bij zijn vordering.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
5.11.
De voorzieningenrechter zal de vordering van de man om de vrouw te veroordelen de woning aan de man ter beschikking te stellen en de vrouw te verbieden om de woning te betreden, toewijzen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de vrouw de woning niet langer wenst te betreden en de man stelt dat hij belang heeft bij toewijzing van de vordering. De vordering tot afgifte van de sleutel wordt afgewezen, nu de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij de sleutel van de woning reeds heeft afgegeven. Voorts heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij niet beschikt over sleutels van de ramen van de woning. De vrouw kan deze sleutels dan ook niet afgeven.
5.12.
Voor het opleggen van een dwangsom aan de vrouw ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de vrouw aan dit vonnis zal voldoen.
Proceskosten
5.13.
Omdat de man en de vrouw een relatie hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren minderjarige betreft, zal de voorzieningenrechter bepalen dat elk van de ouders de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
treft inzake het recht van [kind] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende voorlopige regeling:
  • [kind] is de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man;
  • het wisselmoment is op donderdag om 12:00 uur;
  • de overdracht vindt plaats tussen beide ouders. Hier zijn geen andere personen bij
aanwezig;
  • de ouder waar [kind] naartoe gaat, zal [kind] ophalen;
  • elke maandag is er om 12:00 uur een belmoment met de ouder waar [kind] niet
verblijft;
- als [kind] op een ander moment met de andere ouder wil bellen, mag dit altijd. Wel
wordt dit vooraf met elkaar afgestemd via Whatsapp;
- de zorgregeling gaat in per 1 januari 2026. [kind] is dus van 1 januari
2026 tot 8 januari 2026 bij de vrouw;
6.2.
veroordeelt de man om [kind] aan de vrouw af te geven conform de in 6.1. bepaalde voorlopige zorgregeling;
6.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat de man niet aan de in 6.2. genoemde veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,-;
6.4.
veroordeelt de vrouw om met ingang van heden de woning aan de [adres] ter beschikking te stellen aan de man, met bevel aan de vrouw deze woning niet verder te betreden zonder toestemming van de man;
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Smeele, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Ruiter als griffier, in het openbaar uitgesproken op
31 december 2025.
Een afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in dit vonnis vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Hoger beroep tegen dit vonnis kan worden ingesteld door de eiser en degenen aan wie een afschrift van dit vonnis is verstrekt of verzonden, binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.