ECLI:NL:RBOVE:2025:7612

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/08/328457 / FA RK 25-319
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering akte van erkenning door ambtenaar van de burgerlijke stand; beoordeling van de nauwe persoonlijke betrekking en openbare orde

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 31 december 2025 uitspraak gedaan over de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle om een akte van erkenning op te maken voor een minderjarige, geboren in Oeganda. De man, verzoeker, heeft een nauwe persoonlijke relatie met de minderjarige en verzoekt de rechtbank om de ambtenaar op te dragen de erkenning alsnog op te maken. De rechtbank heeft eerder op 20 mei 2025 een tussenbeschikking gegeven en de bijzondere curator benoemd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man en de minderjarige elkaar in 2020 hebben leren kennen en dat de man een actieve rol in het leven van de minderjarige wil spelen. De ambtenaar van de burgerlijke stand had de erkenning geweigerd op grond van de vrees voor misbruik van bevoegdheid en de mogelijke schijnerkenning, maar de rechtbank oordeelt dat de man zijn bevoegdheid niet misbruikt. De rechtbank concludeert dat de erkenning niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde en dat de man zijn verzoek kan indienen. De rechtbank vernietigt het besluit van de ambtenaar en gelast de ambtenaar om binnen veertien dagen de akte van erkenning op te maken. Tevens worden de proceskosten aan de ambtenaar opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/328457 / FA RK 25-319
beschikking van de meervoudige kamer van 31 december 2025
in de zaak van
[de man],
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat: mr. F.L.P. Vulto.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

1.de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle ,

zetelend te Zwolle ,
hierna te noemen: de ambtenaar,

2.[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

3.de officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland,

zetelend te Arnhem,
hierna te noemen: de officier van justitie,

4.mr. [curator] ,

kantoorhoudende te Zwolle,
als bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.

1.Het (verdere) procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft op 20 mei 2025 een tussenbeschikking gegeven in deze zaak. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd. Bij die beschikking heeft de rechtbank mr. [curator] benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] .
1.2.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het verslag van de bijzondere curator, binnengekomen op 22 augustus 2025;
  • een brief van de officier van justitie, binnengekomen op 18 november 2025.
1.3.
Op 20 november 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder;
  • de bijzondere curator;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad;
  • [naam 2] en [naam 3] , beiden ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle .
1.4.
Aan [begeleider] van stichting [stichting 1] , begeleider van de moeder, en aan [echtgenote] , de echtgenote van de man, is bijzondere toegang verleend.

2.De feiten

2.1.
Uit de moeder is geboren het navolgende minderjarige kind:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (Oeganda) op [geboortedatum] 2018 , verder te noemen: [minderjarige] . De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
2.2.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De moeder en [minderjarige] hebben de Oegandese nationaliteit.
2.3.
De man is gehuwd met [echtgenote] .
2.4.
De moeder en [minderjarige] hebben zich in 2018 in Nederland gevestigd.
2.5.
Op 16 december 2024 heeft de man zich samen met de moeder tot het stadskantoor te Zwolle gewend met het verzoek een akte van erkenning op te maken voor [minderjarige] .
2.6.
Bij besluit van de ambtenaar van 18 december 2024, verzonden op 20 december 2024, heeft de ambtenaar op grond van artikel 1:18c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geweigerd een akte van erkenning van [minderjarige] door de man op te maken.

3.De (verdere) beoordeling

De erkenning
De ontvankelijkheid
3.1.
Naar aanleiding van – zoals in dit geval – een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 1:18c of artikel 1:20c BW te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, kunnen belanghebbende partijen binnen zes weken na de verzending van dat besluit een verzoek indienen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen (artikel 1:27 BW).
3.2.
De rechtbank constateert dat het verzoek binnen de wettelijke termijn is ingediend, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.
Het wettelijk kader
3.3.
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de ambtenaar van de burgerlijke stand op goede gronden heeft geweigerd de gevraagde akte van erkenning op te maken. De ambtenaar heeft dat geweigerd, omdat naar zijn oordeel de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet.
3.4.
Artikel 1:18c lid 2 BW bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand het opmaken van de akte van erkenning weigert indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
3.5.
Op grond van artikel 1:27a BW in verbinding met artikel 1:26a BW kan de rechtbank bij haar beslissing de toevoeging van een latere vermelding op grond van artikel 1:24 lid 1 BW aan een in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand voorkomende akte gelasten.
3.6.
Op grond van artikel 3:13 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Dit artikel is op grond van artikel 3:15 BW ook van toepassing op de erkenning.
De standpunten
3.7.
De man verzoekt de rechtbank de ambtenaar op te dragen om alsnog een akte van erkenning op te maken. Ter onderbouwing stelt de man – kort gezegd – het volgende. De man en [minderjarige] hebben elkaar leren kennen in 2020 naar aanleiding van een oproep van stichting [stichting 2] . Sindsdien heeft de man de vaderrol structureel op zich genomen. Voor de man is het inmiddels vanzelfsprekend om als vader van [minderjarige] te worden beschouwd. De man wil een blijvende rol in de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige] spelen. De intentie van de man ten aanzien van de erkenning is derhalve volledig gericht op het formaliseren van een familierechtelijke band met [minderjarige] , en niet (uitsluitend) op het verkrijgen van verblijfsrechtelijke of nationaliteitsrechtelijke voordelen. Van een schijnerkenning is dan ook geen sprake. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft nagelaten de beweegredenen van de man zorgvuldig te onderzoeken en te motiveren waarom de erkenning in strijd zou zijn met de openbare orde. Tevens schendt de beschikking van de ambtenaar meerdere internationaalrechtelijke normen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.8.
De moeder stemt in met het verzoek van de man. De moeder is blij dat de man [minderjarige] wil erkennen.
3.9.
De ambtenaar voert verweer. Gezien de voorgeschiedenis, en met name gelet op het feit dat nog geen maand eerder door de moeder en haar toenmalige partner, de heer [partner] , is geïnformeerd naar de mogelijkheid om [minderjarige] door de heer [partner] te laten erkennen, waren er vragen rondom de wens van de man om [minderjarige] te erkennen. Daarom heeft er op 16 december 2024 een gesprek met de man plaatsgevonden. Uit dit gesprek is volgens de ambtenaar gebleken dat de man niet de intentie had het ouderschap tussen hem en [minderjarige] te bewerkstelligen, maar slechts het opvoederschap. Erkenning is een rechtshandeling waarbij het ouderschap van een kind wordt geregeld. Tevens kwam uit de antwoorden van de man naar voren dat de man wil bewerkstelligen dat [minderjarige] en de moeder een verblijfsstatus in Nederland krijgen. De voorgenomen erkenning moet daarom worden gezien als een schijnerkenning waarbij de bevoegdheid tot erkenning wordt misbruikt om [minderjarige] toegang en/of verblijf tot Nederland te verschaffen en daaraan gekoppeld een verblijfsrecht voor de moeder.
3.10.
Het OM vindt dat het besluit van de ambtenaar om te weigeren om een akte van erkenning op te maken op juiste gronden is genomen. Gelet op de omstandigheid dat de man een eigen gezin heeft, ligt het niet in de rede om te kiezen voor de rechtsfiguur van erkenning. Mede hierom is het aannemelijk dat het erkennen van [minderjarige] er louter op is gericht om de Nederlandse nationaliteit voor [minderjarige] te verzekeren. Daar is de figuur van erkenning niet voor bedoeld. Het OM verwijst daarbij nog naar de omstandigheid dat er recentelijk een sterke toename wordt gezien van constructies waarbij het erkennen van een kind door een Nederlander gebruikt wordt als oneigenlijke manier om het Nederlanderschap te verkrijgen.
3.11.
De bijzondere curator concludeert tot toewijzing van het verzoek van de man. Volgens de bijzondere curator is sprake van “family life” tussen de man en [minderjarige] . De man draagt niet bij aan de dagelijkse zorgtaken voor [minderjarige] , maar hij is wel degene op wie de moeder terugvalt wanneer de zorg voor [minderjarige] haar te veel is. De man fungeert op dit moment als een soort grootvader voor [minderjarige] . De man heeft aangegeven dat hij de erkenning ook zou willen voortzetten wanneer de verblijfsstatus van [minderjarige] niet zeker is of door de erkenning niet zeker wordt. De gewenste erkenning is dus niet uitsluitend gericht op het verkrijgen van toegang en/of verblijf in Nederland en daarmee dus ook niet in strijd met de openbare orde. Naast het belang van een verblijfsstatus voor [minderjarige] zijn er ook andere geoorloofde motieven aanwezig voor de erkenning. De man wil naast het kunnen invullen van de vaderrol van [minderjarige] ook zijn “family life” kunnen beschermen door de erkenning.
Het advies van de raad
3.12.
De raad heeft zich onthouden van advies aan de rechtbank over de juridische kant van de zaak, maar benadrukt dat de man het gat dat de biologische vader van [minderjarige] heeft achtergelaten niet kan opvullen. [minderjarige] weet niet, en zal waarschijnlijk ook nooit weten, wie zijn biologische vader is en hij zal daarmee moeten leren leven. De raad maakt uit de vragen en opmerkingen die [minderjarige] heeft gemaakt over zijn achternaam, dat hij bezig is met zijn afkomst en achtergrond. Het is belangrijk dat [minderjarige] daarbij ondersteuning krijgt, zodat hij meer grip krijgt op wie hij is, hoe hij is ontstaan en wat dat voor hem betekent. Dat neemt niet weg dat de man een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] kan spelen. De raad vraagt zich wel af of een erkenning in deze situatie het meest passend is en of er voldoende is nagedacht over wat dit voor [minderjarige] teweeg kan brengen.
Het oordeel van de rechtbank
3.13.
Uitgangspunt is dat de man bevoegd is [minderjarige] te erkennen en dat zich geen beletsel voordoet als bedoeld in de artikelen 1:204 BW of 1:41 BW. Daarover bestaat ook geen verschil van mening. Het gaat in deze zaak om de vraag of erkenning van [minderjarige] door de man in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Daarvan is sprake als komt vast te staan dat de man de bevoegdheid tot erkenning misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Een erkenning die uitsluitend is gericht op het verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland aan de daarbij betrokkenen, komt neer op misbruik van bevoegdheid. Een dergelijke erkenning hoort als schijnerkenning wegens strijd met de Nederlandse openbare orde te worden geweigerd.
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man [minderjarige] uitsluitend met dit doel wil erkennen. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
3.15.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de man en [minderjarige] elkaar in 2020 hebben ontmoet naar aanleiding van een oproep van stichting [stichting 2] . [minderjarige] was toen ongeveer anderhalf jaar oud. Sindsdien zien zij elkaar regelmatig. Zo eten [minderjarige] en zijn moeder geregeld samen met de man en zijn echtgenote. Ook spelen en lezen de man en [minderjarige] samen en praten zij over “mannendingen”, zo blijkt uit het verslag van de bijzondere curator. Af en toe hebben de man en [minderjarige] ook contact als de moeder er niet bij is. De man en [minderjarige] hebben een warme band met elkaar en [minderjarige] voelt zich vertrouwd bij de man. Dit blijkt niet alleen uit de verklaringen van de man en de moeder, maar ook uit de door de man overgelegde foto’s. Ook de moeder van [minderjarige] heeft een goede band met de man. De moeder noemt de man “papa” en [minderjarige] noemt hem “opa”. Daarnaast ondersteunt de man – waar nodig – [minderjarige] en zijn moeder op financieel gebied. Verder zou de man het fijn vinden als [minderjarige] zijn achternaam krijgt en hij in de toekomst samen met de moeder het gezag over [minderjarige] kan uitoefenen.
3.16.
De rechtbank constateert dat niet bekend is wie de biologische vader van [minderjarige] is. De vrouw is in Oeganda zwanger geworden en zij is naar Nederland gevlucht toen [minderjarige] ongeveer drie maanden oud was. Het is onwaarschijnlijk dat in de toekomst alsnog bekend wordt wie de biologische vader van [minderjarige] is. Volgens de man en de moeder heeft [minderjarige] er moeite mee dat hij niet aan anderen kan vertellen wie zijn vader is. Dit is voor de man de aanleiding geweest om over de erkenning van [minderjarige] te gaan nadenken, zo heeft de man ter zitting verklaard. De man wil dat [minderjarige] weet dat hij bij hem terecht kan, net als zijn biologische kinderen. Tevens heeft de man verklaard dat hij [minderjarige] ook wil erkennen indien [minderjarige] teruggaat naar Oeganda.
3.17.
De rechtbank begrijpt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand kritisch is geweest over de voorgenomen erkenning door de man. De moeder is immers op 19 november 2024 met de heer [partner] bij de gemeente [gemeente] geweest om een akte van erkenning op te laten maken. Bij de ambtenaar bestond op dat moment het vermoeden dat sprake was van een schijnerkenning. Vervolgens hebben de moeder en de heer [partner] een afspraak gemaakt bij de gemeente Zwolle om alsnog een akte van erkenning op te maken. Deze afspraak stond gepland op 28 november 2024. Nog geen twee weken later – op 6 december 2024 – heeft de man een afspraak gemaakt voor de erkenning van [minderjarige] . De tijdlijn doet de vraag rijzen of het verkrijgen van het Nederlanderschap door [minderjarige] heeft meegespeeld in de beweegredenen van de man. Het lag echter vervolgens wel op de weg van de ambtenaar om diepgaander onderzoek te doen naar de beweegredenen van de man dan het gesprek dat bij de afspraak voor de erkenning heeft plaatsgehad. Het is de rechtbank niet gebleken dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een dergelijk onderzoek heeft gedaan. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat de ambtenaar een gespreksverslag heeft gemaakt van het gesprek dat de ambtenaar met de man op 16 december 2024 heeft gevoerd. Wat de man toen precies heeft verklaard, is dan ook onvoldoende duidelijk. Uit het verweerschrift blijkt echter wel dat de ambtenaar zelf concludeert dat het (ook) de bedoeling van de man is om zich als opvoeder van [minderjarige] te gedragen, zodat [minderjarige] zich stabiel kan voorbereiden op zijn volwassenheid. Een ander motief dus dan het uitsluitend verkrijgen van een verblijfsstatus door [minderjarige] . Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de ambtenaar van de burgerlijke stand onvoldoende heeft onderbouwd dat de gewenste erkenning uitsluitend is gericht op het verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Nederland.
3.18.
De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat tussen de man en [minderjarige] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en dat de man zijn bevoegdheid tot erkenning niet (uitsluitend) wil uitoefenen om ervoor te zorgen dat [minderjarige] en de moeder in Nederland kunnen verblijven, maar daarmee (tevens) zijn recht op familieleven met [minderjarige] wil veiligstellen. Daarmee staat vast dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door de man en dat de erkenning dus niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Het gegeven dat er geen biologische verwantschap is tussen de man en [minderjarige] , dat de man en de moeder geen affectieve relatie met elkaar hebben en dat de man getrouwd is met een andere vrouw en andere kinderen heeft, is niet relevant. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.
Taak bijzondere curator
3.19.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht één van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal daarom beslissen als hierna vermeld.
De proceskosten
3.20.
De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand veroordelen in de kosten van de procedure, nu de ambtenaar zijn beslissing om de erkenning te weigeren onvoldoende heeft onderbouwd en de man geheel in het gelijk wordt gesteld.
3.21.
De rechtbank begroot deze kosten op basis van het liquidatietarief, als volgt:
- griffierecht € 331,-;
- salaris advocaat: 2 punten x € 614,-;
- € 178,- nasalaris (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
in totaal: € 1.737,-.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
vernietigt het besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle van 18 december 2024;
4.2.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle om alsnog binnen veertien dagen na deze beschikking een akte van erkenning op te maken met betrekking tot de man en de minderjarige
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (Oeganda) op [geboortedatum] 2018 ;
4.3.
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd, tenzij hoger beroep wordt ingesteld;
4.4.
veroordeelt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de proceskosten, aan de zijde van
verzoeker begroot op € 1.737,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven, mr. A.M. Mensink en
mr. M.T. Bos, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. C. Ruiter, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de raad voor de kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
a.
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b.
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.