ECLI:NL:RBOVE:2025:7604

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
08.039381.22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsvordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïne-invoer en deelname aan criminele organisatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingsprocedure tegen een veroordeelde die betrokken was bij de invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 480.351,68 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank oordeelt dat op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk is dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem ingevoerde cocaïne en zijn rol binnen de criminele organisatie. De officier van justitie had een hoger bedrag van € 648.289,18 gevorderd, maar de rechtbank heeft dit bedrag verlaagd na beoordeling van de draagkracht en de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde een uitvoerende en coördinerende rol had en dat hij recht heeft op 10% van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel, dat is berekend op € 4.853.516,83. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, wat heeft geleid tot een vermindering van de betalingsverplichting met € 5.000, --. De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de mogelijkheid biedt om wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.039381.22
Datum vonnis: 30 december 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 648.289,18.

2.De procedure

Op de openbare regiezitting van 5 juni 2025 zijn door de rechtbank data vastgesteld voor schriftelijke rondes. De officier van justitie, mr. P.J. Dees, en de raadsvrouw,
mr. D.M.P. van Eijsden, advocaat in 's-Gravenhage, hebben hier gebruik van gemaakt.
De vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsvordering) is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van
18 november 2025. De veroordeelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie zijn op die terechtzitting verschenen.
Standpunt van de veroordeelde
De raadsvrouw heeft het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. De raadsvrouw verzoekt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op nul euro. Er is sprake geweest van twee testladingen, dus er dienen twee transporten in mindering gebracht te worden op de berekening. De kosten waren daarnaast hoger dan het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) aanhoudt. De rol van de veroordeelde was kleiner dan hem wordt toebedeeld en hij heeft geen daadwerkelijk verkregen voordeel genoten. Tot slot voert de raadsvrouw aan dat de veroordeelde een behoorlijke schuldenlast heeft en dat rekening gehouden dient te worden met zijn beperkte draagkracht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zijn vordering gehandhaafd en het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. Het rapport gaat uit van de bewezenverklaring van het vonnis en de daarin beschreven rolverdeling. Uit het vonnis volgt dat de containers allen cocaïne bevatten, van proefzendingen is geen sprake geweest. De berekening is sterk in het voordeel van de veroordeelden uitgevallen, dat geldt voor het aantal kilogram cocaïne per container en ook voor de gehanteerde prijzen en kosten. Uit de aangeleverde documenten over de geldstromen van de veroordeelde volgt niet de conclusie dat dit legale geldstromen betreffen. Er zijn meerdere opvallende stortingen en uitgaven te zien. Tot slot zijn er volgens de officier van justitie geen aanwijzingen dat de veroordeelde in de toekomst geen draagkracht heeft om schulden af te lossen.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 14 december 2023 veroordeeld voor het medeplegen van het invoeren van cocaïne in Nederland, deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van opiumwetsmisdrijven en het voorbereiden en bevorderen van die misdrijven.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering
samenhangende strafdossier, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
van 12 maart 2025, de conclusie van eis van 16 mei 2025, de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025, de conclusie van repliek van 17 september 2025 en de conclusie van dupliek van 23 oktober 2025.
De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat is bewezenverklaard in het vonnis van de rechtbank. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem ingevoerde cocaïne en de deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen de schatting van dat voordeel.
Uit het onderliggende vonnis volgt dat er in december 2020, juni 2021 en januari 2022 transporten kalkzandsteen met cocaïne verscheept zijn van Curaçao naar Nederland. Het betrof in totaal vijf containers, door middel van vier zendingen. De rechtbank heeft de invoer van deze cocaïne bewezen verklaard, zodat niet wordt uitgegaan van proefzendingen. In het rapport wordt een hoeveelheid van 60 kilogram cocaïne per container gehanteerd. Medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] heeft tijdens zijn verhoor van 8 juli 2022 verklaard dat er de laatste drie jaar ongeveer elk half jaar een lading kwam, met tussen de 40 en 50 kilogram cocaïne per container. De rechtbank gaat op basis van zijn verklaring uit van een gemiddelde van 45 kilogram cocaïne per container. De rechtbank neemt de prijzen en de kosten over die in de berekening van het rapport zijn gehanteerd, nu deze prijzen en kosten onderbouwd en aannemelijk zijn. De verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport gebaseerd op de rolverdeling die voortvloeit uit het vonnis van de rechtbank. De verdeelsleutel is een procentueel aandeel naar gelang de omvang van de rol per veroordeelde en de rechtbank sluit hierbij aan.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank komt tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Opbrengst: 45 kilogram x 5 containers x € 21.725, -- per kilogram = € 4.888.125, --.
De kosten van € 34.608,17 worden in mindering gebracht op de opbrengst.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt € 4.853.516,83.
De veroordeelde had uitvoerende en coördinerende taken en stond in hiërarchie onder medeveroordeelden [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3]. De veroordeelde komt tien procent van het wederrechtelijk verkregen voordeel toe, dit bedraagt: € 485.351,68
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn, uitgaande van de aankondiging van de ontnemingsvordering op 31 oktober 2023, met twee maanden is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd. In gevallen waarin de redelijke termijn met zes maanden of minder is overschreden, wordt het ontnemingsbedrag in beginsel met vijf procent verminderd, met dien verstande dat de maximale vermindering € 5.000, -- mag bedragen. De rechtbank zal de betalingsverplichting daarom verminderen met € 5.000, --.
Draagkracht
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
In deze zaak is niet gebleken dat deze uitzonderingssituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van de veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 480.351,68.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 485.351,68;
  • wijst de vordering voor het overige af;
  • legt de veroordeelde de
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en
mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
Buiten staat
Mrs. Eshuis en Van den Bosch zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.