De rechtbank Overijssel behandelt de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De officier van justitie vordert een bedrag van €648.289,18 als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tijdens de zitting op 18 november 2025 heeft de raadsman van de veroordeelde verweer gevoerd tegen de hoogte van de vordering, onder meer vanwege onvoldoende rekening houden met testladingen en prijsschommelingen. De rechtbank baseert haar oordeel op het strafdossier, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en verklaringen van medeveroordeelden.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake was van proefzendingen, maar van daadwerkelijke invoer van vijf containers cocaïne met een gemiddelde van 45 kilogram per container. De opbrengst wordt berekend op €4.888.125, verminderd met kosten, resulterend in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €4.853.516,83. De veroordeelde heeft een aandeel van 10%, oftewel €485.351,68.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn wordt het bedrag verminderd met €5.000, waardoor de betalingsverplichting op €480.351,68 wordt vastgesteld. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af en bepaalt de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen.