In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het medeplegen van het invoeren van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 480.351,68 aan de Staat, als gevolg van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft genoten van de invoer van cocaïne. De officier van justitie had een hoger bedrag van € 648.289,18 gevorderd, maar de rechtbank heeft dit bedrag verlaagd na beoordeling van de redelijke termijn en de rol van de veroordeelde in de criminele organisatie.
De procedure begon met een openbare regiezitting op 5 juni 2025, waar de officier van justitie, mr. P.J. Dees, zijn conclusie van eis indiende. De raadsman van de veroordeelde, mr. E.G.S. Roethof, heeft geen schriftelijke stukken ingediend. Tijdens de openbare terechtzitting op 18 november 2025 zijn de standpunten van beide partijen besproken. De raadsman voerde aan dat het OM onvoldoende bewijs had geleverd voor het wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl de officier van justitie zijn vordering handhaafde en stelde dat de berekening van het voordeel correct was.
De rechtbank heeft de bewijsstukken en het rapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel beoordeeld en kwam tot de conclusie dat de veroordeelde voordeel had genoten van de invoer van cocaïne. De rechtbank heeft de omvang van het voordeel vastgesteld op € 485.351,68, maar heeft de betalingsverplichting verlaagd tot € 480.351,68 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de wettelijke grondslag voor de beslissing gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.