ECLI:NL:RBOVE:2025:7564

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/08/340565 / JE RK 25-1840
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 4.1.3 JeugdwetArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing aan moeder en minderjarige wegens onvoldoende medewerking hulpverlening

De Stichting Jeugdbescherming Overijssel (GI) heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder en minderjarige, gericht op het verbeteren van de samenwerking met de hulpverlening. De moeder en minderjarige voldeden niet aan deze aanwijzing, waardoor noodzakelijke hulpverlening niet van de grond kwam. De GI verzocht de rechtbank om bekrachtiging van de aanwijzing en overwoog tevens een dwangsom op te leggen bij niet-naleving.

De moeder verscheen niet op de zitting en de minderjarige maakte geen gebruik van de mogelijkheid om zijn mening te geven. De vader gaf aan dat er geen verbetering is en dat de minderjarige niets met hulpverlening te maken wil hebben. De rechtbank oordeelde dat de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk en niet onredelijk is, gezien de aanhoudende bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige en het gebrek aan medewerking.

De rechtbank bekrachtigde de schriftelijke aanwijzing, benadrukte het belang van medewerking aan de hulpverlening en stelde concrete gedragsverwachtingen. Het verzoek tot oplegging van een dwangsom werd afgewezen omdat dit onvoldoende concreet was gemaakt. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en staat niet open voor hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing aan moeder en minderjarige en wijst het verzoek tot dwangsom af wegens onvoldoende concretisering.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/340565 / JE RK 25-1840
Datum uitspraak: 10 december 2025
Beschikking bekrachtiging schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
en
[minderjarige].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader,
  • [naam] namens de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd en hem daarvoor uitgenodigd voor een gesprek op 19 november 2025. [minderjarige] is niet verschenen op dit gesprek.
2.
De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 februari 2025.
2.4.
De GI heeft op [geboortedatum] 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder en aan [minderjarige]. Hierin is het volgende opgenomen:
  • U zorgt ervoor dat u in contact blijft met de jeugdbeschermers. Dit houdt in dat u binnen drie dagen inhoudelijk reageert op de Whatsapp berichten van de jeugdbeschermers en dat u de telefoon opneemt als er gebeld wordt of uiterlijk de volgende dag terugbelt.
  • U zorgt ervoor dat u aanwezig bent op de afspraken die we via Whatsapp of via bellen met elkaar afstemmen. We verwachten van u dat we elkaar minimaal elke 4-6 weken kunnen spreken tot aan het einde van de OTS.
  • U zorgt ervoor dat u tijdens de gesprekken met ons minimaal een half uur de tijd heeft om met ons in gesprek te gaan.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en om bij bekrachtiging in overweging te nemen een dwangsom op te leggen voor het geval de aanwijzingen alsnog niet worden nageleefd.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI dat zowel de moeder als [minderjarige] de schriftelijke aanwijzing van 22 oktober 2025 niet opvolgen. De GI voert aan dat er onvoldoende samenwerking is met de moeder en met [minderjarige]. Zij accepteren de hulpverlening onvoldoende, in feite zelfs helemaal niet. Er is getracht is om onder andere MDO gesprekken met hen te voeren maar dit is niet gelukt. [minderjarige] en de moeder zijn niet bereikbaar voor de GI. Ook na het opleggen van de schriftelijke aanwijzing is gebleken dat de moeder en [minderjarige] zich niet open stellen voor de hulpverlening. Met hen ligt de samenwerking stil. De moeder en [minderjarige] weren het contact met de hulpverlening volledig af en laten de hulpverlening niet binnen. Dit maakt dat de GI onvoldoende uitvoering kan geven aan de ondertoezichtstelling en dat de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] niet van de grond komt. Dit terwijl de zorgen over [minderjarige] onverminderd aanwezig zijn. De zorgen over zijn gedrags- en emotieregulatieproblematiek, justitiële contacten, het ontbreken van zicht op de thuissituatie bij de moeder en het schoolverzuim houden aan. Met een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en een dwangsom beoogt de GI dat de moeder en [minderjarige] worden aangespoord om de hulpverlening toe te laten en te accepteren, zodat [minderjarige] kan toekomen aan de hulp die hij nodig heeft. De GI acht het daarom van belang dat de schriftelijke aanwijzing wordt bekrachtigd en dat een dwangsom wordt opgelegd.
3.3.
De GI heeft ter zitting nog aangevuld dat zij voornemens zijn Jongerenwerk in te zetten voor [minderjarige]. Hierbij zal aan [minderjarige] een maatje gekoppeld worden dat [minderjarige] hopelijk kan aanmoedigen tot een positieve wending. Dit is een laatste poging om [minderjarige] nog voordat hij meerderjarig wordt in beweging te krijgen. Verder staat op 17 december 2025 een gesprek gepland tussen [minderjarige] en de leerplichtambtenaar. Het is belangrijk dat [minderjarige] hier naar toe gaat.

4.De standpunten

4.1.
Het standpunt van [minderjarige] is niet bekend. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening naar voren te brengen.
4.2.
Het standpunt van de moeder is niet bekend. Zij is niet verschenen op de mondelinge behandeling.
4.3.
De vader heeft naar voren gebracht dat er geen verandering en verbetering lijkt te komen in de situatie van [minderjarige]. De vader vertelt dat hij wel af en toe contact heeft met [minderjarige] en dat [minderjarige] ook bij hem langs komt om te klussen op het erf waarmee hij dan wat geld verdient. Het lukt de vader echter niet om tot [minderjarige] door te dringen. [minderjarige] wil niets met de hulpverlening te maken hebben. De vader heeft ook geen contact met de moeder.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
De GI kan op grond van artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit - kort gezegd - doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het artikel 1:263, derde lid, BW kan de GI aan de kinderrechter verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen, om naleving van de inhoud van de aanwijzing te realiseren.
Het inhoudelijk oordeel
De schriftelijke aanwijzing
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.3.
[minderjarige] is al bijna 18 jaar en komt op dit moment niet toe aan zijn ontwikkeling. Hij wordt op vrijwel alle ontwikkelingsgebieden bedreigd. [minderjarige] en de moeder hebben in de afgelopen periode niet meegewerkt aan de ondertoezichtstelling. De moeder en [minderjarige] komen niet opdagen op de geplande hulpverleningsgesprekken en stellen zich allebei niet open voor de hulpverlening en de samenwerking. Hierdoor is er onvoldoende zicht op de thuissituatie en de ontwikkeling van [minderjarige] en komt de hulpverlening voor [minderjarige] niet van de grond. [minderjarige] overziet de gevolgen hiervan niet en de moeder doet ook onvoldoende om hem daarin te stimuleren, waardoor de zorgen onverminderd aanwezig zijn. [minderjarige] gaat nog altijd niet naar school, heeft een leerstraf en kampt met emotieregulatie- en gedragsproblematiek waarvoor hij geen behandeling krijgt. Volgens de GI is het koppelen van een maatje vanuit Jongerenwerk aan [minderjarige] nog voordat hij 18 jaar wordt een laatste middel om hem in beweging te krijgen.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat de GI met haar schriftelijke aanwijzing het belang van [minderjarige] voor ogen heeft. De aanwijzing is niet onredelijk en het gevraagde gedrag kan van de moeder en [minderjarige] worden gevergd. Nu de moeder en [minderjarige] onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan van aanpak is de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De schriftelijke aanwijzing wordt daarom bekrachtigd; omdat [minderjarige] al snel meerderjarig wordt is dit een laatste redmiddel om [minderjarige] te bewegen richting zelfstandigheid en volwassenheid.
5.5.
De kinderrechter acht het gelet op het voorgaande noodzakelijk dat de moeder en [minderjarige] de hulpverlening van de GI aanvaarden en dat zij zich daarvoor zullen inzetten. Dit betekent concreet dat:
  • [minderjarige] op 17 december 2025 naar het gesprek met de leerplichtambtenaar gaat;
  • [minderjarige] meebeweegt met het traject waarbij hij gekoppeld wordt aan een maatje van Jongerenwerk;
  • [minderjarige] zich openstelt voor het contact met de GI;
  • De moeder contact opneemt met de GI en zich zal openstellen voor contact en gesprekken met de hulpverlening;
  • De aanwijzingen van de GI worden opgevolgd.
De dwangsom
5.6.
Het verzoek om deze bekrachtiging met een dwangsom te versterken wordt niet gevolgd. Dat komt niet zozeer omdat een dergelijke prikkel hier te ver zou gaan, maar omdat het verzoek op dit punt onvoldoende bepaald is. Verzocht wordt immers niet meer dan ‘in overweging te nemen’om aan de niet naleving van de aanwijzing een dwangsom te verbinden. Ter zitting heeft de jeugdbeschermer dit desgevraagd niet nader geconcretiseerd door er een bedrag aan te verbinden; zij gaf aan daarover te twijfelen. Bij die stand van zaken is het verzoek ten aanzien van de dwangsom niet toewijsbaar. De opmerking van de vader ter zitting dat hier een dwangsom van € 5.000 passend zou zijn maakt dit niet anders, aangezien het hier een verzoek van de GI betreft en niet van de vader. Dit deel van het verzoek zal de kinderrechter daarom niet toewijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 22 oktober 2025;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 door mr. A.M. Koene, kinderrechter, in aanwezigheid van S. Mahmoud als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).