ECLI:NL:RBOVE:2025:7555

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ak_25_2313 en ak_25_2314
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de ontvankelijkheid van bezwaarschriften inzake ambulante begeleiding op grond van de Jeugdwet

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, uitspraak gedaan in de zaken van eisers [eiser 1] en [eiser 2] tegen het college van burgemeester en wethouders van [gemeente]. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaarschriften, die zij hadden ingediend naar aanleiding van de afwijzing van hun aanvragen voor ambulante begeleiding op grond van de Jeugdwet. De rechtbank concludeert dat de bezwaarschriften ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door het college, omdat er sprake was van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank wijst erop dat ouders niet gewend zijn om juridische procedures te voeren en dat er veel mondelinge communicatie heeft plaatsgevonden tussen hen en het college, wat heeft geleid tot een vertrouwensrelatie. De rechtbank vernietigt de besluiten van het college en draagt hen op om alsnog inhoudelijk op de bezwaren te beslissen. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van griffierechten en proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/2313 en 25/2314
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaken tussen

[eiser 1], ([eiser 1]) en [eiser 2], ([eiser 2]), uit [woonplaats],

gezamenlijk eisers
(gemachtigde: mr. L. de Widt),
en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente], het college

(gemachtigde: C. Michorius).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaarschriften.
1.2
Eisers hebben op 26 maart 2024 een aanvraag ingediend voor ambulante begeleiding, individueel, op grond van de Jeugdwet (Jw).
Het college heeft deze aanvragen met de separate besluiten van 20 februari 2025 afgewezen.
Met de bestreden besluiten van 4 augustus 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet verschoonbare termijnoverschrijding.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de ouders van eisers, [naam 1] en [naam 2]. Voorts is verschenen, [naam 3], cliëntondersteuner van eisers.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. Voor de beroepen van [eiser 1] en van [eiser 2] gelden dezelfde overwegingen.
3.1.
Het gaat in beide beroepen alleen om de vraag of het bezwaar verwijtbaar te laat is ingediend of niet.
3.2.
Er is vrij recente rechtspraak die tot een verandering leidt in de ontvankelijkheidskwesties. De nieuwe uitgangspunten houden onder meer in dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding – in het geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen – een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering wordt gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien.
3.3.
Het college heeft het advies van de bezwarencommissie overgenomen. Daarbij is het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is ten onrechte het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
3.4.
De bezwarencommissie is er namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat ouders al een advocaat hadden ten tijde van de bezwarenmogelijkheid. Dat is onjuist. Als ouders waren gehoord had de commissie en daarmee het college dat argument niet gebruikt.
3.5.
Het andere argument dat de commissie en daarmee het college gebruikt in het bestreden besluit is dat het op de weg van ouders had gelegen om eerst bezwaar te maken en daarna informeel met het college te overleggen. Ook dat is echter onjuist gelet op de context.
3.6.
Uit het hele dossier blijkt dat veel kwesties mondeling worden besproken.
Er is een verslag van een gesprek van 13 november 2023 waarin de jeugdconsulent naar aanleiding van het mondeling overleg aan ouders bericht dat een pgb wordt toegekend. Een besluit daarover is nooit bekendgemaakt. Wel is ouders later te verstaan gegeven dat het pgb alsnog niet wordt toegekend. Een besluit daarover is evenmin bekendgemaakt.
Dan is er een aanvraag die mondeling ingediend, in september 2024. Naar aanleiding daarvan is er een gesprek geweest waarin ouders mondeling te verstaan is gegeven dat er geen pgb wordt verleend maar dat de afwijzing niet direct wordt afgerond om nog na te denken over een oplossing ter ontlasting van ouders.
3.7.
Uiteindelijk vindt dat zijn beslag in het primaire besluit van 20 februari 2025 tot afwijzing.
3.8.
Daarop komt een mail van de clientondersteuner van ouders op 12 maart 2025 met het verzoek om te komen tot overleg. Aanleiding daarvan is een mondeling contact dat de clientondersteuner heeft gehad met de behandelend jeugdconsulent. Die zou hebben gezegd dat er nog contact kan zijn over de afwijzing voordat officieel bezwaar wordt gemaakt. Het college heeft dit in het verweerschrift niet tegengesproken.
3.9.
Er komt een reactie van de jeugdconsulent die de behandeling overneemt dat dit gesprek kan plaatsvinden op 8 april 2025. Dat is echter al na het einde van de bezwarentermijn. Het had op de weg van het college gelegen om daarbij direct de kanttekening te plaatsen dat de bezwaartermijn dan al zou zijn afgelopen. De voormalige jeugdconsulent heeft immers gezegd dat er nog een contact kan zijn voordat officieel bezwaar wordt gemaakt. Daarmee heeft ze het vertrouwen gewekt dat er eerst een gesprek kon komen en daarna eventueel bezwaar.
3.10.
Uiteindelijk bericht de nieuwe jeugdconsulent op 29 april 2025 dat er geen ander besluit komt en dat de bezwarentermijn inmiddels verlopen is. Bezwaar kan nog worden ingediend maar het is dan aan de bezwarencommissie om te bepalen hoe het verder gaat. Daarna wordt op 4 of 8 mei bezwaar gemaakt.
3.11.
Het gaat om ouders die niet gewend zijn om dit soort procedures te voeren, die tot het moment van de afwijzing een gemeente hebben gezien die wil meewerken in een informele setting, telkens gesprekken wil voeren en wil meedenken met ouders. Met name de mailwisseling, die start met het verzoek van de clientondersteuner en de reactie van de gemeente heeft dat beeld bevestigd: er kan veel worden besproken; de setting is informeel.
3.12.
Daarnaast is er sprake van een tweepartijen geschil; belangen van derden zijn niet in het geding bij het besluit.
3.13.
Tenslotte gaat het om de ontwikkeling van kinderen. Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind brengt met zich mee dat de belangen van deze kinderen op de voorgrond moeten staan bij elke beslissing over kinderen. Het belang van de kinderen is zeker niet gediend bij een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Kinderen hebben recht op een inhoudelijke beslissing.

Conclusie en gevolgen

4. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Dit betekent dat het college alsnog inhoudelijk op de ingediende bezwaren moet beslissen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.
5. Omdat beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 4 augustus 2025;
- draagt het college op alsnog op de bezwaren te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,-x2, €106,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- x2, €3.628,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025 door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
de rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.