ECLI:NL:RBOVE:2025:7548

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11957608 \ CV EXPL 25-1992
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming en betaling huurachterstand in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. S.G.G. Post, en gedaagde, een besloten vennootschap, die niet is verschenen. Eiseres vorderde ontruiming van het gehuurde pand en betaling van een huurachterstand van € 9.014,50, alsook de betaling van toekomstige huurtermijnen en een contractuele boete. De voorzieningenrechter oordeelde dat gedaagde door het niet betalen van de huur zodanig tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst dat het aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden. De vorderingen van eiseres werden toegewezen, waarbij gedaagde werd veroordeeld tot ontruiming van het pand binnen zeven dagen na betekening van het vonnis. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de contractuele boete, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang van eiseres voldoende onderbouwd, gezien de huurachterstand en de afhankelijkheid van de huuropbrengsten. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Voorzieningenrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11957608 \ CV EXPL 25-1992
Vonnis in kort geding van 23 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.G.G. Post, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[gedaagde] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025. [eiseres] verscheen met haar gemachtigde, mr. S.G.G. Post en werd vergezeld door haar zoon, dhr. [naam] . Er is niemand namens [gedaagde] verschenen en daarom is tegen [gedaagde] verstek verleend.

2.De zaak in het kort

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] door het niet betalen van de huur zodanig is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst dat voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden. Daarom worden de vorderingen van [eiseres] toegewezen.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 december 2021 het pand aan de [adres] (hierna ook te noemen: het pand) van [eiseres] .
3.2.
In de huurovereenkomst staat dat de huurprijs bij aanvang van de huur € 1.633,50 (inclusief btw) bedraagt en steeds voor de eerste van de maand betaald moet zijn. De huur bedraagt inmiddels € 1.802,90 (inclusief btw).
3.3.
Op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst zijn (onder meer) de volgende algemene voorwaarden van toepassing:
Betalingen(…)
23.2
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door Huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt Huurder aan Verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. De hiervoor bedoelde boete(rente) is niet verschuldigd indien Huurder voor de in artikel 23.1 genoemde vervaldatum per aangetekende brief een gemotiveerde vordering bij Verhuurder heeft ingediend en Verhuurder binnen 4 weken na ontvangst van deze brief inhoudelijk daarop niet heeft gereageerd. (…)’

4.Het geschil

de vordering
[eiseres] vordert – samengevat – [gedaagde] te veroordelen tot:
de ontruiming van het gehuurde;
betaling van de huurachterstand van € 9.014,50 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over iedere vervallen maand vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening;
de nog te verschijnen huurtermijnen te voldoen vanaf december 2025 tot aan de dag waarop het onder I gevorderde is voldaan;
de veroordeling in de incassokosten, proceskosten en in de nakosten.
[eiseres] voert hiertoe aan dat [gedaagde] een betalingsachterstand van vijf maanden heeft laten ontstaan. [gedaagde] werd gesommeerd de achterstand te betalen, maar heeft niet gereageerd en niet betaald. Daarom zag [eiseres] zich genoodzaakt de ontruiming van het gehuurde te vorderen.

5.De beoordeling

Spoedeisendheid
5.1.
Met betrekking tot de spoedeisendheid wordt het volgende overwogen. Op het moment dat de gerechtelijke procedure werd opgestart, was sprake van een huurachterstand van vijf maanden. [eiseres] is als verhuurder en eigenaar van het pand afhankelijk van de huuropbrengsten; op dit moment moet zij interen op haar spaargeld. Het spoedeisend belang van [eiseres] bij het treffen van een voorlopige voorziening staat hiermee dan ook voldoende vast.
Beoordelingskader
5.2.
Bij de beoordeling van het gevorderde wordt grote terughoudendheid betracht, omdat toewijzing van de vordering tot ontruiming grote en meestal onomkeerbare gevolgen heeft. Deze vordering wordt slechts toegewezen als deze zeer waarschijnlijk ook in een bodemprocedure zou worden toegewezen. Ook voor toewijzing van de overige vorderingen geldt dat deze slechts zullen worden toegewezen als de kans groot is dat deze in een bodemprocedure worden toegewezen.
Huurachterstand
5.2.
[eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] de huur vanaf juli tot en met november 2025 niet heeft betaald en er op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding dus een huurachterstand was van € 9.014,50. [gedaagde] moet deze huurachterstand betalen.
Ontruiming
5.3.
[gedaagde] moet haar verplichtingen uit de huurovereenkomst nakomen en dus de huurprijs tijdig betalen. Vast staat dat [gedaagde] sinds juli 2025 geen huur heeft betaald en dat er inmiddels een huurachterstand van vijf maanden is, namelijk over de maanden juli tot en met november. [gedaagde] heeft geen enkel voorstel gedaan om de huurachterstand af te betalen en heeft, nadat zij is gedagvaard, ook geen huur betaald.
5.4.
Vanwege de huurachterstand van vijf maanden staat vast dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst.
Op grond van artikel 6:265 BW geeft elke tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen, niet rechtvaardigt.
5.5.
De voorzieningenrechter acht het zeer waarschijnlijk dat de kantonrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de toewijzing van de ontruimingsvordering gerechtvaardigd is. [gedaagde] is niet in de procedure verschenen en van bijzondere omstandigheden is ook niet gebleken. [gedaagde] is vaak aangeschreven over het te laat betalen van de huur en ook over de betalingsachterstand. Dit maakt dat de gevorderde ontruiming wordt toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op zeven dagen na betekening van dit vonnis.
Contractuele boete
5.6.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde contractuele boete van € 300,- per maand – in totaal € 1.500,- – toewijzen. [eiseres] heeft – door de overlegging van de algemene voorwaarden – namelijk voldoende gesteld en onderbouwd dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] een boete van € 300,- moet betalen per maand dat zij de huur niet uiterlijk voor de laatste vervaldag heeft betaald.
Incassokosten
5.7.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
Daarom zal een bedrag van € 825,73 worden toegewezen.
Wettelijke rente
5.8.
[eiseres] heeft ook betaling van de wettelijke handelsrente gevorderd.
De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] de overeenkomst als particulier met [gedaagde] heeft gesloten. De kantonrechter zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen, steeds vanaf de vervaldag van de onderliggende facturen.
Proceskosten
5.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
Totaal
1.083,04
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
bepaalt dat [gedaagde] B.V. het gehuurde, gelegen aan de [adres] , binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, volledig en behoorlijk ontruimt en ter vrije beschikking van [eiseres] stelt, met wie en wat zich daarin van haarentwege mocht bevinden;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] B.V. tot betaling aan [eiseres] van de achterstallige huurpenningen tot en met november 2025, zijnde € 9.014,50 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldag van de onderliggende facturen tot aan de dag van algehele voldoening;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] B.V. tot betaling van de lopende huurtermijnen van € 1.802,90 per maand inclusief btw vanaf december 2025 tot aan de dag van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldag van de onderliggende facturen tot aan de dag van algehele voldoening;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] B.V. tot betaling van de contractuele boete van € 300,- per vervallen maand, in totaal € 1.500,00;
6.5.
veroordeelt [gedaagde] B.V. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 825,73;
6.6.
veroordeelt [gedaagde] B.V. in de proceskosten van € 1.083,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.7.
veroordeelt [gedaagde] B.V. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.