ECLI:NL:RBOVE:2025:7538

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ak_25_621
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlening omgevingsvergunning voor winkel en appartementen

In deze zaak gaat het om de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Hengelo aan Bouwontwikkeling Twickelrand V.O.F. voor het oprichten van een winkel en twee appartementen. [eiser 1] en [eiser 2], huurders van de huidige woningen op het bouwlocatie, zijn het niet eens met de vergunningverlening en hebben hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank Overijssel oordeelt dat vergunninghouder, de bouwontwikkelaar, geen belanghebbende is bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning, omdat er geen toestemming is gevraagd of verkregen van de huurders voor de wijziging van hun huursituatie. De rechtbank stelt vast dat het college het verzoek om de omgevingsvergunning ten onrechte heeft behandeld als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] worden gegrond verklaard, en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten van het college. De rechtbank herroept het primaire besluit van 30 juli 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Tevens wordt het college opgedragen om het griffierecht aan [eiser 1] en [eiser 2] te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/621 en ZWO 25/648

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1], uit [woonplaats 1],

hierna: [eiser 1],

[eiser 2], uit [woonplaats 2]

hierna: [eiser 2]
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college aan Bouwontwikkeling Twickelrand V.O.F. (hierna: vergunninghouder) heeft verleend voor het oprichten van een winkel en twee appartementen aan de [adres 1]. [eiser 1] en [eiser 2] zijn het niet eens met de vergunningverlening en voeren daartegen beroepsgronden aan.
1.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd dat hun woonsituaties drastisch zullen veranderen als het vergunde bouwplan wordt gerealiseerd en zij als huurders van de huidige woningen niet met de bouwplannen hebben ingestemd. Ook is niet gebleken dat vergunninghouder een start heeft gemaakt om de huurovereenkomsten met [eiser 1] en [eiser 2] te wijzigen, op te zeggen of te ontbinden, noch is vergunninghouder een procedure gestart om het tijdstip van het eindigen van de huurovereenkomst vast te stellen. De rechtbank heeft de betogen van [eiser 1] en [eiser 2] zo opgevat dat zij betogen dat het college het verzoek om een omgevingsvergunning niet als aanvraag kon worden behandeld omdat vergunninghouder geen belanghebbende bij de aanvraag is.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat vergunninghouder geen belanghebbende is en het verzoek om een omgevingsvergunning ten onrechte als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het college behandeld is. [eiser 1] en [eiser 2] krijgen gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 9 juni 2023 heeft vergunninghouder het college verzocht een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een winkel en twee appartementen aan de [adres 1]. Het college heeft het verzoek op 30 juli 2024 toegewezen en een omgevingsvergunning verleend. [eiser 1] en [eiser 2] hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten van 18 december 2024 heeft het college de bezwaren afgewezen en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de vergunninghouder in staat gesteld om als partij deel te nemen aan de beroepsprocedure. Van deze gelegenheid heeft vergunninghouder geen gebruik gemaakt.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben [eiser 1] en de gemachtigden van het college deelgenomen. [eiser 2] en haar gemachtigde hebben niet deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 9 juni 2023, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Het bestreden besluit
4. Vergunninghouder heeft het college verzocht een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een winkel en twee appartementen aan de [adres 1]. Het college heeft het verzoek in behandeling genomen en geconstateerd dat het bouwplan in strijd is met de regels van het bestemmingsplan “Hengelo Zuid – Veldwijk e.o.” omdat het hoofdgebouw buiten het bouwvlak is gelegen, de maximale goothoogte wordt overschreden en de maximale bouwdiepte van het hoofdgebouw wordt overschreden. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo heeft het college de aanvraag aangemerkt als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft, in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning verleend met toepassing van de afwijkmogelijkheid in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdelen 1 en 9, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn de huidige bewoners van de woningen op de adressen [adres 1]. [eiser 2] huurt haar woning al meer dan 25 jaar van vergunninghouder. [eiser 1] huurt ook zijn woning van vergunninghouder en woont daar 20 jaar. [eiser 2] verricht vanuit haar woning werkzaamheden als personal trainer en hondentrimmer. [eiser 1] heeft een atelier aan huis vanuit hij werkzaamheden uitoefent. Zij stellen dat zij na de verwezenlijking van de omgevingsvergunning hun werkzaamheden niet meer kunnen uitvoeren. De benedenverdiepingen van de huidige woningen zullen namelijk worden verbouwd en gebruikt als winkel. Boven de winkel worden twee appartementen gerealiseerd. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat als zij na de verbouwing in de appartementen boven de winkel moeten wonen, zij hun werkzaamheden aan en vanuit huis niet meer door kunnen zetten. Zij hebben in bezwaar aangevoerd dat zij geen toestemming aan vergunninghouder hebben gegeven voor deze wijziging in hun woon- en huursituatie.
Ter zitting is duidelijk geworden dat vergunninghouder (tot op heden) ook geen toestemming heeft gevraagd aan [eiser 1] en [eiser 2], noch een civiele procedure is begonnen bij de burgerlijke rechter.
Is vergunninghouder belanghebbende bij de verzochte omgevingsvergunning?
5. De rechtbank begrijpt [eiser 1] en [eiser 2] zo dat zij betogen dat vergunninghouder de vergunde bouwplannen niet kan uitvoeren omdat zij als huurders hiervoor geen medewerking verlenen en zij niet instemmen met een wijziging van hun huursituatie. Vergunninghouder is bovendien geen civiele procedure gestart om de huurovereenkomsten te wijzigen, op te zeggen of te ontbinden, dan wel het tijdstip van het eindigen van de huurovereenkomst vast te stellen. Vergunninghouder kan daarom niet als belanghebbende worden aangemerkt bij de door haar verzochte omgevingsvergunning.
5.1.
Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
5.2.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat degene die om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk verzoekt, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. Dit is anders indien aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. [1] Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is het verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. [2]
5.3.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn geen eigenaar van hun woning en niet is gebleken dat zij zakelijke rechten hebben op de woning of de betrokken gronden. De rechtbank merkt [eiser 1] en [eiser 2] aan als rechthebbenden in de zin dat zij allebei met vergunninghouder een huurovereenkomst hebben en zij al tientallen jaren hun woningen huren, en daardoor (onder andere) recht hebben op huurbescherming. Omdat vergunninghouder niet aan de procedure heeft deelgenomen, heeft zij geen duidelijkheid aan de rechtbank kunnen verschaffen over de huurrelaties met [eiser 1] en [eiser 2]. Uit hetgeen [eiser 1] ter zitting heeft toegelicht, is het de rechtbank gebleken dat vergunninghouder de huurovereenkomst met hem niet heeft opgezegd of heeft gewijzigd. Ook is vergunninghouder tot op heden geen procedure bij de kantonrechter gestart om het tijdstip van het eindigen van de huurovereenkomst vast te stellen of de ontbinding vast te stellen. Op basis van hetgeen [eiser 2] in de procedure heeft gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat het voornoemde ook voor haar geldt.
5.4.
De rechtbank onderkent vanzelfsprekend dat het aan de civiele rechter is om te overwegen of vergunninghouder de huurrelaties kan beëindigen. Ondanks dat de rechtbank niet uitsluit dat er voor vergunninghouder (theoretische) mogelijkheden zijn om tegen de wens van [eiser 1] en [eiser 2] de vergunde bouwactiviteiten uit te voeren, heeft vergunninghouder geenszins onderbouwd op welke wijze en onder welke voorwaarde zij onder de voornoemde omstandigheden de vergunde bouwactiviteit kan verwezenlijken. De rechtbank stelt daarmee vast dat vergunninghouder onder de omstandigheden ten tijde van de bestreden besluiten de vergunde bouwactiviteiten niet kon verwezenlijken.
5.5.
De rechtbank overweegt dat het college op basis van de informatie die vergunninghouder bij het verzoek heeft ingebracht en van [eiser 1] en [eiser 2] in bezwaar heeft ontvangen, niet zondermeer aannemelijk kon achten dat vergunninghouder het bouwplan kan realiseren. In het verzoek heeft vergunninghouder namelijk aangegeven dat zij twee koopappartementen zal realiseren en geen huurappartementen. In de bezwaarfase moet het college duidelijk geworden zijn, wat de rechtbank onder 5.4. vaststelt, dat de vergunninghouder onder de huidige omstandigheden het vergunde bouwplan niet kon verwezenlijken. De vergunninghouder heeft in de bezwaarfase bij gelegenheid van de hoorzitting louter verwezen naar de scheiding tussen publiek- en privaatrecht, en daarbij volledig in het midden gelaten hoe zij wilde omgaan met de huurbescherming van [eiser 1] en [eiser 2] als rechthebbenden. Het college had in de heroverweging van het bezwaar bij vergunninghouder nader moeten onderzoeken hoe zij het bouwplan zou realiseren en of zij daarmee als belanghebbende bij het verzoek om de omgevingsvergunning aangemerkt kon worden.
5.6.
De rechtbank oordeelt dat het college, onder de voornoemde omstandigheden en bij gebrek aan informatie over de huursituatie van [eiser 1] en [eiser 2], vergunninghouder niet als belanghebbende kon aanmerken bij haar verzoek om de omgevingsvergunning. Dit betekent dat vergunninghouder ten onrechte is ontvangen in haar verzoek, omdat haar verzoek om een omgevingsvergunning geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De beroepsgrond slaagt.
5.7.
Dit betekent ook dat de rechtbank de overige beroepsgronden van [eiser 1] en [eiser 2] niet meer hoeft te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn gegrond omdat het college in strijd met artikel 1:3, derde lid, van de Awb een besluit op het verzoek van vergunninghouder heeft genomen. Dit betekent dat het college de bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.
6.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank zal, doende wat het college had behoren te doen, het besluit van 30 juli 2024 herroepen omdat er geen sprake was van een ontvankelijke aanvraag, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
6.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan [eiser 1] en [eiser 2] vergoeden. [eiser 1] en [eiser 2] hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 18 december 2024;
- herroept het primaire besluit van 30 juli 2024;
- bepaalt dat de uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- draagt het college op om het door [eiser 1] betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden;
- draagt het college op om het door [eiser 2] betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717.
2.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232.