ECLI:NL:RBOVE:2025:7526

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11944427 \ CV EXPL 25-3231
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot uitbreiding van contact- en locatieverboden en herstel van gebreken in een familierelatie

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Overijssel, gaat het om een kort geding tussen een moeder en haar zoon, waarbij de moeder (eiseres) vorderingen heeft ingesteld tegen haar zoon (gedaagde 1) en diens vrouw (gedaagde 2). De partijen wonen op een landgoed in een woonboerderij, waarbij de verhoudingen ernstig verstoord zijn. Eiseres vordert een uitbreiding van eerder opgelegde contact- en locatieverboden, omdat zij stelt dat gedaagden zich hier niet aan houden. Daarnaast vordert zij herstel van diverse gebreken aan de woning. De rechtbank heeft op 19 december 2025 uitspraak gedaan. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen en dat gedaagden zich onrechtmatig hebben gedragen door de eerder opgelegde verboden te overtreden. De vorderingen van eiseres zijn deels toegewezen, waaronder de uitbreiding van de verboden en de verplichting voor gedaagde 1 om gebreken aan de woning te herstellen. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11944427 \ CV EXPL 25-3231
Vonnis in kort geding van 19 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C. ter Braack,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. D.F. Briedé.

1.De zaak in het kort

Partijen wonen op een landgoed in een woonboerderij, bestaand uit voor- en achterhuis. [eiseres] (moeder van [gedaagde 1] ) woont in het achterhuis, [gedaagden] (zijn vrouw) in het voorhuis. De verhoudingen zijn ernstig verstoord. In een eerdere kort geding procedure (11361623 CV EXPL 24-338) zijn over en weer contact- en locatieverboden toegewezen. Volgens [eiseres] houden [gedaagden] zich hier niet aan, reden waarom zij een uitbreiding van die verboden en een verhoging van de daarbij opgelegde dwangsommen vordert. Verder vordert zij herstel van diverse gebreken. Een deel van het gevorderde wordt toegewezen, hieronder wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21
- het herstelexploot van 27 november 2025
- de akte overlegging productie 22 van [eiseres]
- de e-mail van mr. Briedé van 8 december 2025 met twee bijlages
2.2.
De mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

3.De feiten

3.1.
Zoals hiervoor onder 1 al is vermeld, zijn [eiseres] en [gedaagde 1] moeder en zoon. [gedaagde 2] is de vrouw van [gedaagde 1] .
3.2.
[eiseres] was eigenaar van de woonboerderij aan de [adres 1] (het achterhuis) en [adres 2] (het voorhuis) in [woonplaats 1] . Zij heeft ervoor gezorgd dat het perceel met opstallen de status van landgoed heeft gekregen.
3.3.
Op 21 juli 2017 heeft [eiseres] het landgoed aan [gedaagde 1] overgedragen. Sindsdien woont [eiseres] in het achterhuis en [gedaagde 1] in het voorhuis. Inmiddels woont ook [gedaagde 2] in het voorhuis.
3.4.
Bij kortgedingvonnis van 12 december 2024 is het [gedaagden] onder meer verboden om:
zich te bevinden in het gebied zoals dat bij benadering middels de geel/rode belijning is aangegeven op onderstaande schets
(beslissing 2);
[afbeelding]
zich binnen een straal van tien meter rondom [eiseres] te bevinden, wanneer [eiseres] zich vanuit het geel/rood belijnde gebied naar de openbare weg loopt of zich in het geel/rood belijnde gebied bevindt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 5.000,00
(beslissing 3);
[eiseres] (met haar auto) of haar bezoek (met auto) de toegang tot het landgoed te weigeren, actief te benaderen en aan te spreken, dan wel de toegang tot het landgoed op enige andere wijze te ontzeggen, beletselen op te werpen tegen parkeren door [eiseres] of haar bezoek in het geel/rood belijnde gebied en hun honden los te laten lopen in het geel/rood belijnde gebied of het gebied tussen het geel/rood belijnde gebied en de openbare weg, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 10.000,00
(beslissing 5).

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert samengevat:
I. [gedaagden] te verbieden om zich te bevinden in het gebied zoals aangegeven op onderstaande afbeelding, welk verbod zich mede uitstrekt tot derden en zaken die door of vanwege [gedaagden] aanwezig zijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00;
[afbeelding]
II. [gedaagden] te verbieden zich binnen een straal van tien meter rondom [eiseres] te bevinden wanneer zij vanuit het in de afbeelding aangegeven gebied naar de openbare weg loopt of zich in het geel/rood belijnde gebied bevindt, welk verbod zich mede uitstrekt tot derden die door of vanwege [gedaagden] aanwezig zijn op het landgoed, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00;
III. [gedaagden] te verbieden om [eiseres] (met haar auto) of haar bezoek (met auto) de toegang tot het landgoed te weigeren, actief te benaderen en aan te spreken, dan wel de toegang tot het landgoed op enige andere wijze te ontzeggen, om beletselen op te werpen tegen parkeren door [eiseres] of haar bezoek in het geel/rood belijnde gebied, om hun honden los te laten lopen in het geel/rood belijnde gebied of het gebied tussen het geel/rood belijnde gebied en de openbare weg, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 10.000,00;
IV. het in het eerdere kortgedingvonnis opgelegde locatieverbod uit te breiden in overeenstemming met het in de afbeelding hierboven aangegeven gebied;
V. te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen dat [eiseres] een schutting met poort laat plaatsen, waarbij de kosten van maximaal € 10.000,00 door [gedaagden] (primair), dan wel voor de helft door [gedaagden] (subsidiair), dan wel door [eiseres] (meest subsidiair) moeten worden betaald;
VI. te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen en niet mogen (laten) verhinderen dat [eiseres] op kosten van [gedaagde 1] haar slaapkamerraam laat herstellen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00, met veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van de factuur van de glaszetter van € 1.471,00 inclusief btw;
VII. te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen en niet mogen (laten) verhinderen dat [eiseres] op kosten van [gedaagde 1] – tot een maximum van € 20.000,00 – een aannemer en tuinman inschakelt om de lekkage te herstellen, de dichtgeschroefde/dichtgetimmerde ramen en deuren te herstellen, het verf op de ramen van de keuken en voordeur te verwijderen, de vernielde achterpui te herstellen, onderhoud aan de verwarmingsketel te plegen, de haag en zaken voor haar ramen te verwijderen, het onkruid in haar tuin te laten verwijderen en opnieuw met gras in te laten zaaien, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00 (primair),
dan wel [gedaagde 1] te veroordelen om deze gebreken binnen vier maanden op zijn kosten door deskundige derden te laten herstellen, welke derden door [eiseres] moeten worden goedgekeurd en alleen het terrein van het locatieverbod mogen betreden na overleg met en schriftelijke toestemming van [eiseres] , op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00 (subsidiair);
VIII. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Kwalificatie overeenkomst partijen
5.2.
In het kortgedingvonnis van 12 december 2024 is overwogen:
(...)
4.5
Hoewel het in de Familieovereenkomst genoteerde voornemen om de voorwaarden en bepalingen ten aanzien van het gebruik van de woonruimte door [eiseres] nader vast te leggen in een huurovereenkomst niet is uitgevoerd, staat vast dat [eiseres] de woonruimte gebruikt en daarvoor huur betaalt. Het lijdt daarom geen twijfel dat tussen partijen een huurovereenkomst bestaat.
5.3.
Volgens [gedaagden] is er geen sprake van een huurovereenkomst (en heeft de rechter het in voormeld vonnis (dus) bij het verkeerde eind). Het was destijds de bedoeling om een huurovereenkomst te sluiten voor het voorhuis, maar dat is nooit gebeurd.
Namens [eiseres] is daarop ter zitting aangevoerd dat er, gelet op voormeld vonnis, in deze procedure vanuit moet worden gegaan dat sprake is van een huurovereenkomst.
5.4.
Allereerst wordt opgemerkt dat aan een vonnis in kort geding geen gezag van gewijsde toekomt. Verder is er geen regel die verbiedt dat (een geschil over) een rechtsbetrekking opnieuw ter discussie wordt gesteld. Desalniettemin ziet de kantonrechter geen aanleiding zich opnieuw te buigen over de vraag of sprake is van een huurovereenkomst. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze kwestie inmiddels (ook) voorligt in hoger beroep en dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden daterend van na het kortgedingvonnis van 12 december 2024 die moeten leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een huurovereenkomst. Dat [eiseres] lange tijd niet op het landgoed heeft verbleven (en daarmee haar hoofdverblijf elders heeft gehad) en naar eigen zeggen “noodgedwongen” is teruggekeerd, is daarvoor onvoldoende. Dit zijn immers geen omstandigheden die maken dat een overeenkomst niet of niet langer als huurovereenkomst kan worden gekwalificeerd.
5.5.
In het navolgende zal dan ook als uitgangspunt gelden dat sprake is van een huurovereenkomst met betrekking tot het achterhuis.
Incidenten na het kortgedingvonnis van 12 december 2024
5.6.
Volgens [eiseres] hebben [gedaagden] zich door het kortgedingvonnis niet laten weerhouden van het:
  • plaatsen van grote stenen op de wegstrook waar zij (en haar bezoek) de auto keert;
  • blokkeren van de oprijlaan (op 14 februari 2025);
  • uitschelden van haar ( [gedaagde 1] , op 15 februari 2025);
  • filmen van haar op korte afstand ( [gedaagde 2] , op 15 februari 2025);
  • barricaderen van haar ramen met houten schuttingdelen (op 15, 16 en
20 februari 2025);
- afdekken van de ramen naast haar voordeur met een zwarte plaat, die is vastgetimmerd aan de kozijnen (mei 2025).
Verder hebben zij alle ruitjes in haar voordeur en haar keukenramen dichtgespoten met zwarte verf, althans hebben zij dit laten doen door [gedaagde 2] vader (mei 2025) en kijken eind mei 2025 een vriendin van [gedaagde 2] en een vriend van [gedaagde 1] uitgebreid en zonder gêne bij haar naar binnen. Vanaf medio juni 2025 wachten [gedaagden] haar dagelijks op als ze naar buiten gaat, waarbij ze haar naschreeuwen, op de ramen bonken en naar haar zwaaien. Verder laten ze, eveneens in juni 2025, een drone pal voor haar raam op de eerste verdieping rondzwermen.
5.7.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] diverse foto’s en filmpjes willen overleggen. Deze bestanden konden echter, zoals meegedeeld aan
mr. Briedé, niet worden geopend, waarop hem is verzocht deze bestanden op een andere wijze aan te leveren. Aangezien mr. Briedé vervolgens heeft laten weten dat dit niet mogelijk was, maken deze bestanden geen deel uit van de processtukken. Dat laat onverlet dat uit de gemailde toelichting bij deze foto’s en filmpjes kan worden opgemaakt dat [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat niet zij de oprijlaan hebben geblokkeerd, maar [eiseres] dat heeft gedaan, dat op de wegstrook waar [eiseres] stelt haar auto te keren altijd bloembakken hebben gestaan en dat van filmen op korte afstand geen sprake is geweest (de afstand zou ruim 18 meter zijn geweest). Verder zou [eiseres] “het privacy folie” op het raam naast de voordeur moedwillig hebben verwijderd en een telefoon al filmend in een lege auto hebben achtergelaten. Dat [gedaagde 2] naar [eiseres] zwaait ( [eiseres] ’s productie 14) is dan ook niet waar; [eiseres] zat niet in die auto, aldus [gedaagden] . Ter zitting hebben zij verklaard dat zij niets van doen hebben gehad met het barricaderen van [eiseres] ’s ramen met schuttingdelen, het dichtspuiten van [eiseres] ’s ramen en de drone.
5.8.
De kantonrechter stelt vast dat op de door [eiseres] als productie 11 overgelegde foto en haar als fragment 7 (van productie 6; een USB-stick met filmpjes) overgelegde filmpje te zien is dat er een houten schuttingdeel is geplaatst voor haar voordeur en de twee ramen daarnaast (waarbij op dit filmpje ook te zien is dat zij deze schutting verwijdert). Op de foto’s die zijn overgelegd als productie 12 is te zien dat voormelde twee ramen naast de voordeur zijn afgedekt door een zwarte, aan het kozijn bevestigde plaat. Op het als fragment 8 overgelegde filmpje is te zien dat iemand met een spuitbus het in beeld zijnde raam voorziet van verf, terwijl de als producties 12 en 22 overgelegde foto’s laten zien dat de raampjes in de voordeur en twee andere raampjes alle zijn voorzien van zwarte verf. Op het als fragment 11 overgelegde filmpje is een drone te zien, die gedurende enige tijd vlak voor het raam blijft “hangen”.
5.9.
Dat [gedaagden] niets te maken hebben gehad met voormelde incidenten, komt niet geloofwaardig voor. Hoewel niet geheel uit te sluiten is dat (een) willekeurige derde(n) aanleiding heeft/hebben gezien voor de gewraakte gedragingen, ligt dat niet voor de hand, gelet op de elkaar opvolgende incidenten die toch echt op [eiseres] persoonlijk gericht lijken te zijn. Daar komt bij dat [gedaagden] in het verleden (getuige ook het als fragment 2 overgelegde filmpje, daterend van vóór het kortgedingvonnis van 12 december 2024) en ter zitting te kennen hebben gegeven gefrustreerd te zijn over de door [eiseres] geplaatste camera’s, en de verhoudingen tussen partijen allerminst verbeterd zijn sinds voormeld vonnis. Tot slot is in aanmerking genomen dat [gedaagden] het in het kader van deze procedure relevant hebben geacht dat [eiseres] “privacy folie moedwillig heeft verwijderd”, daarmee op zijn minst implicerend dat er een verband is met (door hen getroffen) maatregelen om hun privacy op andere wijze te waarborgen.
Uitbreiding verboden naar derden en zaken
5.10.
De kantonrechter acht het (dus) voorshands aannemelijk dat [gedaagden] wel degelijk de hand hebben gehad in de hiervoor onder 5.8 genoemde incidenten en is van oordeel dat dit onrechtmatig is. Hoewel [gedaagden] lijken te veronderstellen (getuige ook het als fragment 9 overgelegde filmpje, waarop de vader van [gedaagde 2] te zien en horen is die op instructie van [gedaagden] op geringe afstand van het raam “het zwarte ding” in het huis van [eiseres] fotografeert/filmt) dat van onrechtmatig handelen hunnerzijds geen sprake kan zijn als een ander de fysieke dader is, is dat niet het geval. Het is mogelijk dat een fysieke handeling van een persoon te gelden heeft als gedraging van een ander, die daarvan de juridische dader is en daarvoor aansprakelijk is uit eigen gedrag.
5.11.
Hoewel het de vraag is of een uitbreiding van het verbod strikt genomen nodig is – omdat juridisch daderschap kan worden aangenomen zonder dat van fysiek daderschap sprake is – wordt (toch, voor de duidelijkheid) aanleiding gezien om de vordering onder I. toe te wijzen, inhoudende een uitbreiding tot derden en zaken die zich door of vanwege [gedaagden] op het landgoed bevinden. Daarbij wordt aanleiding gezien de opgelegde dwangsom te verhogen als na te volgen. Voldoende aannemelijk is immers dat de eerder opgelegde dwangsom een onvoldoende prikkel vormt tot nakoming van de opgelegde verboden.
5.12.
Voor een uitbreiding van het in beslissing 3 van het eerdere kortgedingvonnis opgelegde verbod en het verhogen van de in beslissing 3 en 5 opgelegde dwangsommen ziet de kantonrechter op dit moment geen aanleiding. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagden] de in deze beslissingen opgelegde verboden (zie hiervoor onder 3.4) hebben overtreden (en zich dus niet hebben laten weerhouden door de daarbij opgelegde dwangsommen), maar [gedaagden] hebben dat betwist, zodat een en ander onvoldoende aannemelijk is geworden.
Plaatsen schutting
5.13.
[eiseres] vordert te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen dat zij een schutting laat plaatsen. Deze vordering zal echter worden afgewezen. [eiseres] is geen eigenaar van het erf en heeft dus geen recht op het plaatsen van een schutting op de erfgrens zoals bedoeld in artikel 5:49 lid 1 BW. Op grond van artikel 7:215 lid 1 BW is [eiseres] als huurder niet bevoegd de inrichting of gedaante van het gehuurde te veranderen zonder toestemming van de verhuurder. Dat zou alleen mogen als het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan gemaakt en verwijderd kunnen worden, maar gesteld noch gebleken is dat dit het geval is bij de door haar beoogde schutting.
Gebied locatieverbod uitbreiden
5.14.
In het kortgedingvonnis van 12 december 2024 is met betrekking tot het gebied van het locatieverbod onder meer het volgende opgenomen:
Wel zal de lijn, die op de schets langs de gevel van de schuur loopt, verplaatst worden op anderhalve meter van de voormalige carport, thans hondenhok. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de twee honden die in dit hok verblijven, van [gedaagde 1] zijn en hij (en [gedaagde 2] onbeperkte toegang daartoe moeten hebben.
5.15.
In de niet (afdoende) onderbouwde (en door [gedaagden] betwiste) stelling van [eiseres] dat zij vanaf de ruimte voor het hondenhok in de gaten wordt gehouden en gefilmd, wordt geen aanleiding gezien het gebied waarvoor het locatieverbod geldt, uit te breiden.
Herstel slaapkamerraam
5.16.
De kantonrechter gaat er, gelet op de toezegging van [gedaagde 1] ter zitting en de nadien gevolgde berichten, vanuit dat [gedaagde 1] conform deze toezegging op zijn kosten het slaapkamerraam laat herstellen.
Herstel gebreken
5.17.
[eiseres] vordert te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen dat zij, op kosten van [gedaagde 1] , een aannemer en tuinman inschakelt om diverse gebreken aan het gehuurde te herstellen, dan wel dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om de gebreken te laten herstellen. Het gaat volgens haar om:
  • herstel van “de nieuw ontstane lekkage”;
  • herstel van de dichtgeschroefde/getimmerde ramen en deuren;
  • verwijdering van de verf op de ramen van de voordeur en de keuken;
  • herstel van de vernielde achterpui;
  • onderhoud aan de verwarmingsketel;
  • verwijdering van de haag en zaken voor haar raam;
  • verwijdering van het onkruid in haar tuin (waarbij het gras opnieuw ingezaaid moet worden).
5.18.
In artikel 7:204 lid 2 BW is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de verhuurde zaak waardoor deze aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat hij bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de huurovereenkomst betrekking heeft.
Op grond van artikel 7:206 lid 1 BW is de verhuurder verplicht om op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. Het derde lid van voormeld artikel geeft de huurder de bevoegdheid om bij verzuim van de verhuurder de gebreken zelf te herstellen en de daarvoor gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder te verhalen.
5.19.
Omtrent de “nieuw ontstane lekkage” heeft [eiseres] , onder verwijzing naar de door haar als productie 19 overgelegde foto’s, alleen gesteld dat “inmiddels is gebleken dat er een nieuwe lekkage is in de woning” (punt 4.21 dagvaarding), zonder nader te concretiseren wanneer deze lekkage zich heeft voorgedaan en in welk vertrek. Hiermee heeft zij (op wie stelplicht en bewijslast ter zake rusten) onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gebrek, althans, van een ander gebrek dan het kapotte slaapkamerraam, waardoor naar haar zeggen (ook) sprake is van lekkage. Waarom “het plegen van onderhoud aan de verwarmingsketel” zou moeten worden aangemerkt als gebrek, valt niet in te zien. Voor zover [eiseres] hiermee heeft willen wijzen op het door [gedaagde 1] niet (tijdig) nakomen van een op hem rustende verplichting, heeft zij dit niet onderbouwd.
5.20.
[eiseres] heeft naar het oordeel van de kantonrechter terecht gesteld dat de aan het kozijn bevestigde plaat naast de voordeur en de zwarte verf op diverse raampjes gebreken opleveren. De kantonrechter zal het onder VII. subsidiair gevorderde (veroordeling van [gedaagde 1] tot herstel) toewijzen. Op grond van artikel 7:206 BW is de verhuurder immers verplicht om op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen. Omstandigheden op grond waarvan deze hoofdregel moet worden afgeweken, zijn gesteld noch gebleken. Aan deze veroordeling tot herstel zal een dwangsom worden verbonden als hierna te volgen. Hetgeen [eiseres] verder onder VII. subsidiair heeft gevorderd, wordt niet toegewezen. Haar wens om op deze wijze de regie te houden over het door [gedaagde 1] als verhuurder uit te voeren herstel is weliswaar begrijpelijk, maar daarvoor onvoldoende. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het voor de hand ligt dat [gedaagde 1] (bij wege van zijn gemachtigde, gelet op het [gedaagde 1] eerder opgelegde contactverbod) datum en tijdstip van de komst van de voor het herstel in te schakelen partij(en) afstemt met c.q. aankondigt bij [eiseres] .
5.21.
Voor toewijzing van het onder VII. primair gevorderde (een rechterlijke machtiging (artikel 3:299 BW) om [eiseres] de herstelwerkzaamheden zelf te laten uitvoeren op kosten van [gedaagde 1] ) ziet de kantonrechter geen aanleiding. Uitgangspunt van voormeld artikel 7:206 lid 3 BW is immers dat de huurder eerst zelf herstelkosten maakt, die hij vervolgens op de verhuurder kan verhalen. Nog daargelaten dat is gesteld noch gebleken dat [eiseres] niet in staat is voormelde kosten in eerste instantie zelf te dragen, geldt dat zij te weinig heeft gesteld om ter zake een voorschot op de herstelkosten – die redelijk moeten zijn – te kunnen toewijzen.
5.22.
Over de “vernielde achterpui” heeft [eiseres] gesteld dat op het als fragment 14 overgelegde filmpje te zien is dat [gedaagde 1] gaten in de achterpui boort en dat de huidige staat van de pui te zien is op de als productie 20 overgelegde foto. Hiermee heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat sprake is van een gebrek (als bedoeld in artikel 7:204 BW). Het enkele feit dat op voormelde foto te zien is dat het hout van de pui beschadigd is, is daarvoor onvoldoende. Voor zover zij (met ambtshalve aanvulling van de grondslag) heeft willen betogen dat zij schade heeft geleden door onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en zij deze schade vergoed wenst te zien in een andere vorm dan geld (artikel 6:103 BW) heeft te gelden dat het (voor het treffen van de gevraagde voorziening vereiste) spoedeisend belang ontbreekt. Het als fragment 14 overgelegde filmpje dateert immers van oktober 2023.
5.23.
Dit spoedeisend belang ontbreekt naar het oordeel van de kantonrechter ook voor zover het gaat om (het herstel van) de twee laatste door [eiseres] gestelde gebreken (wat daar verder ook van zij). Van zowel de haag (en de stenen) als de “volledig overhoop gehaalde tuin” was immers al sprake in de in 2024 gevoerde kort geding procedure.
Proceskosten
5.24.
Gelet op hun familierelatie zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verbiedt [gedaagden] om zich te bevinden in het gebied, deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummer [nummer], zoals dat bij benadering middels de geel/rode belijning is aangegeven op de afbeelding onder randnummer 3.4, welk verbod zich mede uitstrekt tot derden en zaken (zoals een drone) die door of vanwege [gedaagden] aanwezig zijn op het landgoed (aan de [adres 1] en [adres 2] , waarop beide partijen wonen), alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, met een maximum van € 25.000,00,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen vier maanden na dit vonnis op zijn kosten de dichtgeschroefde/getimmerde ramen naast de voordeur te (laten) herstellen en de zwarte verf op de raampjes van de keuken en de voordeur te (laten) verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij met voldoening van deze veroordeling in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. A.M.S. Kuipers op 19 december 2025.