Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:7513

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
ak_25_3217
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen correspondentieregeling en weigering als gemachtigde UWV

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om hem alleen schriftelijk via een vast correspondentieadres te laten corresponderen en hem niet langer te accepteren als gemachtigde van mevrouw. Het UWV heeft deze regeling meerdere malen verlengd tot 31 oktober 2027. Verzoeker stelt dat deze besluiten zijn GGZ-behandelingen belemmeren en dat mevrouw betalingsachterstanden heeft opgelopen door de weigering.

De voorzieningenrechter overweegt dat er geen spoedeisend belang bestaat. Verzoeker kan nog steeds schriftelijk met het UWV corresponderen via het vastgestelde adres, en de weigering als gemachtigde betekent niet dat mevrouw geen uitkering kan aanvragen of bezwaar kan maken. Mevrouw kan zelf contact opnemen of een andere gemachtigde aanwijzen.

De rechtbank merkt op dat het verzoek niet is ingediend door of namens mevrouw, waardoor haar spoedeisend belang niet relevant is in deze procedure. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker de behandeling van het bezwaar kan afwachten en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3217

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de brief van 18 oktober 2023 van het UWV. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Met de brief van 18 oktober 2023 heeft het UWV een regeling getroffen, die inhoudt dat verzoeker alleen schriftelijk via een vast correspondentieadres kan corresponderen met het UWV. Ook heeft het UWV verzoeker geweigerd als gemachtigde voor mevrouw [naam]. Deze regeling en weigering zijn bij brief van 15 oktober 2024 verlengd tot en met 31 oktober 2025 en bij brief van 23 september 2025 verlengd tot en met 31 oktober 2027. Verzoeker heeft beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/2674. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan het UWV op 21 oktober 2025.
1.3
Op 27 november 2025 heeft het UWV beslist op verzoekers bezwaar. Het UWV heeft het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft tegen het besluit van 27 november 2025 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/3635. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het ingediende beroep bij de rechtbank.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter concludeert dat er in dit geval geen enkel spoedeisend belang bestaat. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

Beoordeling spoedeisend belang

De feiten
3. In de brief van 18 oktober 2023 heeft het UWV de regeling van het correspondentieadres getroffen en verzoeker geweigerd als gemachtigde voor mevrouw [naam]. Met de daarop volgende brieven van 15 oktober 2024 en 23 september 2025 heeft het UWV dit verlengd.
3.1
De regeling met betrekking tot het correspondentieadres houdt in dat van verzoeker enkel schriftelijke correspondentie wordt geaccepteerd. Al zijn correspondentie inzake zijn bezwaarprocedures en overige zaken dient hij te richten aan één vast correspondentieadres.
Als reden voor het correspondentieadres vermeldt het UWV dat verzoeker (nog steeds) met een te hoge frequentie het UWV benaderd. Om ervoor te zorgen dat verzoeker de dienstverlening ontvangt die hij van het UWV mag verwachten heeft het UWV de regeling met betrekking tot het correspondentieadres getroffen.
3.2
Verder weigert het UWV verzoeker als de gemachtigde van mevrouw [naam]. Het UWV heeft meermaals getracht om in contact met haar te komen om vast te stellen dat verzoeker bevoegd is om als haar gemachtigde op te treden. Helaas hebben alle pogingen om met haar in contact te komen niet tot resultaten geleid, waardoor het voor het UWV niet duidelijk is geworden of verzoeker bevoegd is om als haar gemachtigde op te treden. Om die reden wordt de weigering in stand gehouden. De weigering kan worden opgeheven als mevrouw [naam] contact opneemt met het UWV en vastgesteld kan worden dat zij verzoeker machtigt als haar gemachtigde. Tot op heden heeft zij dat niet gedaan, waardoor het UWV verzoeker nog steeds niet kan accepteren als haar gemachtigde.
Standpunt verzoeker
4. Verzoeker heeft desgevraagd nader onderbouwd waarin - volgens hem - zijn spoedeisend belang is gelegen. Verzoeker stelt dat de besluiten van het UWV zijn GGZ-behandelingen belemmeren omtrent de opgelopen PTTS. Sinds 18 oktober 2023 - toen het eerste besluit is genomen met betrekking tot het correspondentieadres en de weigering van verzoeker als gemachtigde van mevrouw [naam] - is verzoeker weer in stress gaan leven, doordat hij wordt beschuldigd als een fraudeur, wat totaal niet mocht volgens het medische rapport. De besluiten van het UWV zijn schadelijk voor de PTSS-behandelingen. Voor wat mevrouw betreft, gaat het uitsluitend om de machtiging van mevrouw om haar belangen inzake haar uitkeringen te behartigen. Voor mevrouw heeft deze zaak een spoedeisend karakter omdat ze betalingsachterstanden omtrent haar zorgpremie en zorgkosten heeft opgelopen, terwijl zij recht had op een WIA- c.q. een Wajong-uitkering, want ze behoorde tot een doelgroep en ze had toen bij de WEZO gewerkt.
Beoordeling door de rechtbank
5. In het aangevoerde ziet de voorzieningenrechter geen enkel spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.1
Het UWV heeft verzoeker meegedeeld dat hij enkel nog via één vast correspondentieadres met het UWV kan corresponderen. Los van de vraag of de brieven van het UWV kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, betekent dit dat het voor verzoeker nog steeds mogelijk is om met het UWV te corresponderen. Dat correspondentie soms niet correct of later dan gebruikelijk wordt bezorgd op het correspondentieadres of niet op een juiste manier wordt doorgeleid, betekent niet dat verzoeker niet meer met het UWV kan corresponderen. Dit kan immers ook gebeuren, indien verzoeker de correspondentie naar een ander adres stuurt. In de brief van het UWV ziet de voorzieningenrechter trouwens niet dat het UWV hiertoe heeft besloten, vanwege het feit dat verzoeker wordt beschouwd als fraudeur.
5.2
Het niet accepteren van verzoeker als gemachtigde voor mevrouw [naam] betekent niet dat zij geen uitkering zou kunnen aanvragen of bezwaar en beroep zou kunnen instellen. Dit is nog steeds mogelijk. Zij kan zelf contact opnemen met het UWV of iemand anders dan verzoeker machtigen om haar te vertegenwoordigen. In dit verband merkt de rechtbank overigens nog op dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet is ingediend door of namens mevrouw [naam], zodat een spoedeisend belang van haar ook geen rol kan spelen in deze procedure.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de voorzieningenrechter geen reden aan te nemen dat verzoeker de behandeling van het bezwaar niet kan afwachten. Er is daarom geen spoedeisend belang.
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt verzoeker het griffierecht niet terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.