ECLI:NL:RBOVE:2025:7447

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
08.069959.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een verdachte voor het veroorzaken van een explosie met een vuurwerkbom

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een 23-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het veroorzaken van een explosie met een vuurwerkbom. De verdachte, samen met een medeverdachte, heeft op 6 maart 2025 een vuurwerkbom bevestigd aan de voordeur van een woning in Almelo en deze tot ontploffing gebracht. Dit leidde tot gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de bewoner, [slachtoffer], die op dat moment in de woning aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was. De rechtbank heeft ook de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. De verdachte moet daarnaast een schadevergoeding van € 1.600,-- betalen aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer en de recidive van de verdachte zwaar laten meewegen in de strafmaat.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.069959.25 (P)
Datum vonnis: 18 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 juni 2025, 16 september 2025, 27 november 2025 en 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C.T. Pittau, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens [slachtoffer] als benadeelde partij is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerk-brandstof-combinatie tegen de voordeur van de woning aan de [adres 1] te bevestigen en aan te steken, waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] te duchten was. Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij hieraan medeplichtig is geweest.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Primair
hij of op omstreeks 6 maart 2025 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, althans vuurwerk, gekoppeld aan een fles(je) met ontbrandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning/pand gelegen aan de [adres 1] te leggen en/of bevestigen, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning/het pand en/of een (voor)deur en/of kozijn(en) en/of ruit(en) en/of pui(en) en/of de vloer en/of het plafond (van de hal) en/of de inventaris en/of (overige) in het pand aanwezige goederen en/of ruimte(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (onder meer) [slachtoffer] te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of een of meer (andere) onbekend gebleven personen, in elk geval een ander dan verdachte, of op omstreeks 6 maart 2025 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, althans vuurwerk, gekoppeld aan een fles(je) met ontbrandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning/pand gelegen aan de [adres 1] te leggen en/of bevestigen, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of brand is
ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning/het pand en/of een (voor)deur en/of kozijn(en) en/of ruit(en) en/of pui(en) en/of de vloer en/of het plafond (van de hal) en/of de inventaris en/of (overige) in het pand aanwezige goederen en/of ruimte(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (onder meer) [slachtoffer] te duchten was,
tot en/of bij het plegen van voorgenoemd misdrijf verdachte,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of omstreeks 6 maart 2025 te Almelo, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door
- contact te onderhouden met de medeverdachte, [medeverdachte] en/of af te spreken met die medeverdachte (teneinde hem, die [medeverdachte] , op te halen) en/of
- een voertuig (personenauto) te besturen en/of
- ( met dit voertuig) die [medeverdachte] te vervoeren (naar Almelo) en/of op te wachten en/of
— na de ontploffing en/of brandstichting — weg te rijden, teneinde de vlucht (van die [medeverdachte] ) mogelijk te maken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij gebrek aan wetenschap en daarmee dus gebrek aan opzet op het gronddelict van de medeverdachte, noch het medeplegen, noch de medeplichtigheid bewezen kan worden.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hem heeft verzocht om samen met hem naar Almelo te rijden om een partij hasj af te leveren. Verdachte zou daarvoor € 200,-- en een tank benzine krijgen. Verdachte wist niet dat [medeverdachte] een vuurwerkbom zou gaan aansteken.
3.3.2
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft van 18 februari 2025 tot 6 maart 2025 om 15:00 uur een auto van het merk BMW gehuurd voor € 1.327,01. Een derde heeft ongeveer dat bedrag op de bankrekening van verdachte gestort, waarna verdachte de huur van de auto heeft betaald aan de verhuurder.
Verdachte heeft op 6 maart 2025 [medeverdachte] opgehaald en is met hem vanuit [plaats] naar Almelo gereden.
Er heeft enige tijd een onverpakte vuurwerk-brandstof-combinatie (hierna ook wel vuurwerkbom genoemd) op de achterbank van de auto gelegen. Verdachte en [medeverdachte] hebben enige tijd stilgestaan aan de [adres 2] . [medeverdachte] heeft toen, voordat hij uit de auto stapte, vanaf de passagiersstoel voorin de vuurwerkbom gepakt. Ook heeft hij met verdachte over het ophalen van een vuurwerkbom gesproken. [medeverdachte] is vervolgens uit de auto gestapt en naar de woning aan de [adres 1] gelopen. [medeverdachte] heeft de vuurwerkbom tegen de voordeur bevestigd en aangestoken. Dit heeft hij gefilmd met een telefoon. Toen de vuurwerkbom afging hoorde [medeverdachte] een harde knal. Hierna is hij weer teruggegaan naar de auto en ingestapt.
De bewoner van de woning, [slachtoffer] , sliep op dat moment en werd wakker van een doffe dreun. Vervolgens hoorde hij de rookmelders in zijn woning afgaan. Toen hij naar de overloop liep rook hij een rooklucht. In het trappengat zag hij rook. Toen hij naar beneden ging zag hij dat de keuken ook vol met rook stond. [slachtoffer] wilde door de voordeur naar buiten, maar het slot van de voordeur gloeide, waardoor hij de voordeur niet kon openen en zijn woning niet kon verlaten.
Omstreeks 02:10 uur werd 112 gebeld. De melder meldde te hebben gezien dat een BMW bij de [adres 2] stilstond. Een persoon uit deze auto had een vuurwerkbom afgestoken. De persoon stapte daarna weer in de BMW waarna de BMW wegreed.
De ter plaatse gekomen politieagenten zagen dat de voordeur en het kozijn van de [adres 1] in brand stonden. Zij hebben de brand geblust en de deur ingetrapt waarna [slachtoffer] uit de woning kon worden gehaald.
Uit camerabeelden van [bedrijf] , gelegen aan de [adres 2] , volgt dat om 02:07:28 uur de BMW met daarin verdachte en [medeverdachte] aan komt rijden en parkeert. Om 02.08:31 uur stapt [medeverdachte] uit de auto en loopt hij de [adres 1] in. Om 02.09:42 uur is er een lichtflits van de explosie te zien waarna om 02:09:48 uur [medeverdachte] uit de [adres 1] komt rennen en in de BMW stapt, waarna verdachte als bestuurder de BMW om 02:09:55 uur wegrijdt.
Op de telefoon van verdachte, een Apple iPhone 11 Pro, zijn opnames van filmpjes aangetroffen van de ontploffing. Op een van de video’s is te zien dat een telefoon wordt vastgehouden door iemand met beide handen (de gefilmde telefoon). Op de gefilmde telefoon is een video te zien van het bevestigen en tot ontploffing brengen van het explosief aan de voordeur van de [adres 1] . Deze video is gemaakt na het strafbare feit, terwijl de video op de gefilmde telefoon is gemaakt tijdens het strafbare feit. Om 02:35 uur werd op de telefoon van verdachte een afbeelding verwijderd met daarop de tekst ‘ [adres 3] ’.
De voorzijde van de woning aan de [adres 1] was aangetast door de explosieve verbranding. De explosiehaard zag op de omgeving van de toegangsdeur. Vlak bij de explosiehaard stond een aanzienlijke hoeveelheid brandbare materialen. Gezien de schade aan de voordeur en de brandpatronen, is met het explosief op slothoogte een brandbare vloeistof tot ontploffing gebracht met een daaropvolgende brand. De vluchtweg naar buiten maakte deel uit van de gang waar de explosie plaatsvond en de brand woedde.
3.3.3
De aannemelijkheid van de verklaring van verdachte
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, die erop neerkomt dat hij niet wist dat [medeverdachte] in Almelo een vuurwerkbom tot ontploffing zou brengen, niet geloofwaardig. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in opdracht van een persoon een vuurwerkbom moest plaatsen en aansteken aan de [adres 1] en dit moest filmen. De vuurwerkbom heeft volgens de verklaring van [medeverdachte] ter zitting enige tijd onverpakt op de achterbank van de auto gelegen die door verdachte werd bestuurd. Terwijl verdachte op de bestuurdersstoel zat en [medeverdachte] op de passagiersstoel naast hem, heeft [medeverdachte] de vuurwerkbom van de achterbank gepakt en vervolgens daarmee de auto verlaten. De explosie heeft een harde knal en lichtflits teweeggebracht, wat verdachte niet ontgaan kan zijn, alleen al gelet op de verklaring van [medeverdachte] daarover (“die knal was echt niet normaal”). [medeverdachte] heeft op
1 juli 2025 bij de politie verklaard dat hij met verdachte heeft gesproken over het ophalen van een vuurwerkbom. In de Apple iPhone 11 Pro van verdachte is een video aangetroffen die is gemaakt van een video waarop het plaatsen en aansteken van de vuurwerkbom aan de [adres 1] te zien is. Ook is uit deze telefoon een afbeelding verwijderd met de tekst “ [adres 3] ”, wat zeer waarschijnlijk het beoogde doelwit was. Bovendien is het zeer onaannemelijk dat verdachte voor een rit die hem € 200,-- en een tank benzine zou opleveren een huurauto gebruikt waarvan de kosten dit bedrag ver overstijgen en door een derde op zijn bankrekening wordt gestort. Dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte wist dat [medeverdachte] een vuurwerkbom tot ontploffing zou brengen.
3.3.4
Medeplegen
Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen gericht op het, in dit geval, teweegbrengen van een ontploffing. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] . Er is sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering van een vooraf gemaakt plan tot het plaatsen en aansteken van een vuurwerkbom aan de [adres 1] . Hoewel verdachte de vuurwerkbom niet zelf heeft geplaatst en aangestoken is hij een onmisbare schakel geweest in het geheel door een auto te huren, [medeverdachte] op te halen, samen met hem van [plaats] naar Almelo te rijden, [medeverdachte] vlak bij de [adres 1] af te zetten en na de explosie [medeverdachte] weer te laten instappen en direct weer te vertrekken uit Almelo.
3.3.5
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit en dat zowel gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 maart 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie,
zijnde een Cobra, gekoppeld aan een fles met ontbrandbare vloeistof, tegen de voordeur van een woning gelegen aan de [adres 1] te bevestigen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en een (voor)deur en kozijn(en) en ruit(en) en pui(en) en de vloer en het plafond (van de hal) en de inventaris en (overige) in het pand aanwezige
goederen en ruimte(s) te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer] te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een zodanige straf op te leggen dat verdachte na de uitspraak concreet zicht heeft op zijn vrijheid. Daarbij kunnen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd, waaraan verdachte wil meewerken.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte is in de nacht van 6 maart 2025 samen met de medeverdachte van [plaats] naar de [adres 1] gereden om een vuurwerkbom aan de voordeur van een woning te bevestigen, tot ontploffing te brengen, dit te filmen en daarna weer weg te rijden, dit alles in een razend tempo en met verstrekkende gevolgen. In de betreffende woning lag op dat moment de bewoner [slachtoffer] te slapen, die werd opgeschrikt door een doffe dreun en vervolgens zijn rookmelders hoorde afgaan en zijn huis vol rook zag staan. [slachtoffer] kon zelf niet uit zijn woning komen. De politie, gealarmeerd door een omstander die direct 112 heeft gebeld, was binnen enkele minuten ter plaatse en kon [slachtoffer] uit zijn woning bevrijden. De woning van [slachtoffer] is een rijwoning, aan de linker- en rechterzijde omsloten door buurpercelen en gelegen in de nabijheid andere woningen, winkels en horeca. Uit het politieonderzoek zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat het gebruikte explosief bedoeld was voor een andere woning in dezelfde straat en dat [slachtoffer] dus het slachtoffer is geworden van een vergissing. De [adres 1] is kort na deze explosie opgeschrikt door een tweede explosie. [slachtoffer] heeft in zijn slachtofferverklaring treffend omschreven welke gevolgen de ontploffing en daaropvolgende brand voor hem hebben gehad en nog steeds hebben. Ter zitting toonde [slachtoffer] zich nog steeds emotioneel over wat hem is overkomen. Explosies als deze zijn niet alleen bedreigend en beangstigend voor de slachtoffers, maar ook voor de omwonenden. Ze leiden ook tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:
- het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 7 oktober 2025;
- het reclasseringsadvies van 30 mei 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte liep bovendien in verband met een eerdere veroordeling in een proeftijd. Dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
In het reclasseringsadvies staat onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat verdachte sinds dat hij 17 jaar oud is meerdere keren in aanraking is gekomen met justitie en dat hij na zijn detentie in 2020 zijn leven niet meer op orde heeft gekregen. Dit is zorgwekkend, gelet op zijn jonge leeftijd. Ondanks dat het lijkt alsof verdachte stabiliteit ervaart op grond van zijn familie en relatie, kan dit niet aangemerkt worden als beschermende factor aangezien dit hem eerder ook niet heeft weerhouden van delictgedrag. Zijn financiën kunnen aangemerkt worden als zowel criminogeen als delictgerelateerd. Ook de houding en beïnvloedbaarheid van verdachte worden gezien als zorgelijk. Verdachte is gediagnosticeerd met een benedengemiddeld IQ en disharmonisch profiel, waardoor hij overschat kan worden. In gesprek oogt hij onzeker en geeft hij aan moeite te hebben met het zeggen van nee waardoor hij in ongewenste situaties belandt. Volgens de reclassering kan worden afgevraagd in hoeverre hij dit inzet. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld als verdachte geen ondersteuning krijgt bij het maken van weloverwogen keuzes. Het risico op letsel kan niet worden ingeschat en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank weegt de (proces)houding van verdachte in strafverzwarende zin mee. Verdachte heeft in eerste instantie bij de politie een verklaring afgelegd die hij en de medeverdachte op elkaar hadden afgestemd. Ondanks een verbod om met elkaar te communiceren hebben verdachte en de medeverdachte na hun aanhouding in het arrestantencomplex informatie met elkaar uitgewisseld over de bij de politie af te leggen verklaring. Verdachte heeft met zijn handelen het onderzoek bemoeilijkt. Verdachte is later op zijn eerste verklaring teruggekomen, maar heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor het bewezen verklaarde feit.
De rechtbank weegt ook het gemak waarmee verdachte dit zeer ernstige feit ogenschijnlijk heeft begaan, enkel en alleen om er zelf financieel beter van te worden, in zijn nadeel mee. De reactie hierop moet niet alleen verdachte voldoende afschrikken (speciale preventie), maar ook anderen die, al dan niet in ruil voor geld en/of op verzoek van (een) derde(n), overwegen om soortgelijke strafbare feiten te plegen (generale preventie). De rechtbank ziet in dit alles aanleiding om met betrekking tot de hoogte van de gevangenisstraf af te wijken van de vordering van de officier van justitie.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Eventuele voorwaarden kunnen aan de orde komen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
6.5
Het inbeslaggenomen voorwerp
De officier van justitie vordert ten aanzien van het beslag verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen Apple iPhone 11 Pro.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen Apple iPhone 11 Pro moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid.

7.De schade van de benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van
€ 1.600,--, ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. De raadsman heeft geen subsidiair standpunt over de vordering ingenomen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. In dit geval brengen naar het oordeel van de rechtbank de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gevorderde bedrag van € 1.600,-- komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank zal de vordering van € 1.600,-- toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 6 maart 2025.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 26 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van
4 juni 2024 is verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33 en 33a Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 1.600,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.600,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
het in beslag genomen voorwerp
- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten de Apple iPhone 11 Pro;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 09-072211-24
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2024 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (een) maand.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
Buiten staat
Mr. H.H. de Boef is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R025014/WASBEER25. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , van 6 maart 2025, pagina 33, voor zover inhoudende als verklaring van aangever:
Op donderdag 6 maart 2025 was ik alleen aanwezig in mijn woning. Deze woning is gevestigd aan de [adres 1] . Omstreeks 02:10 uur hoorde ik een doffe dreun. Ik werd hier wakker van. Later hoorde ik de rookmelders in mijn woning af gaan. Ik ben toen naar de overloop gelopen. Ik rook toen een rooklucht. Ik zag in het trappengat rook. Ik ben toen naar beneden gelopen. Ik zag dat de keuken ook vol rook stond. Ik ben toen in paniek naar de voordeur gelopen. Ik probeerde de voordeur open te doen. Dit lukte niet. Ondertussen zag ik dat het slot van de voordeur gloeide.
2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 november 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Op 6 maart 2025 was ik de bestuurder van de BMW. Het klopt dat ik deze auto had gehuurd van 18 februari 2025 tot 6 maart 2025 om 15:00 uur voor € 1.327,01. Ik heb de huur aan de verhuurder betaald, nadat het bedrag door een ander op mijn bankrekening is gestort. Ik heb [medeverdachte] opgehaald en wij zijn vanuit [plaats] naar Almelo gereden. De verklaring die ik in eerste instantie heb afgelegd, over een bezoek aan twee dames, klopt niet. Toen ik in Almelo kwam heb ik de auto in een straat geparkeerd. [medeverdachte] is toen uit de auto gestapt. Ik heb in de auto gewacht en ben daarna samen met [medeverdachte] weer weggereden uit Almelo. De in beslag genomen Apple iPhone 11 Pro is van mij.
3
Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 1 juli 2025, pagina’s 306 t/m 311 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [medeverdachte] :
A: Ik werd benaderd dat ik iets voor huis moest zetten.
V: Maar wat moest je voor de deur zetten dan?
A: Een cobra.
V: Welke instructies kreeg je?
A: Ik moest hem op die deur zetten.
V: Het gaat toch niet vanzelf aan?
A: Ja ik stak het aan. Die knal was echt niet normaal.
V: Hoe zou deze opdrachtgever dan weten dat je de klus geklaard hebt?
A: Ik had een telefoon meegekregen en daar moest ik het ook mee filmen.
V: Wat heb je tegen [verdachte] verteld over wat er zou gaan gebeuren die avond?
A: Ik had hem gezegd dat ik iets zou ophalen.
V: Wat was iets dan?
A: Ja, een bom. Een vuurwerkbom.
4
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [medeverdachte] :
De verklaring die ik in eerste instantie heb afgelegd, over een bezoek aan twee dames, klopt niet. Ik heb op 6 maart 2025 in Almelo bij een woning aan de [adres 1] een vuurwerkbom tegen de voordeur bevestigd en aangestoken. Ik heb dit in opdracht gedaan van een persoon. Ik heb aan [verdachte] gevraagd of hij mij naar Almelo wilde brengen.
De vuurwerkbom lag los achter in de auto op de achterbank. Er zat dus geen tas of iets dergelijks omheen. Ik heb mijn jas aangedaan, vanaf de passagiersstoel voorin de vuurwerkbom gepakt, ben uit de auto gestapt en naar de woning gelopen. Bij de woning heb ik de vuurwerkbom geplaatst en afgestoken en ik ben daarna weer teruggegaan naar de auto.
5
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 14 maart 2025, pagina 36, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:
Het betreft een telefoongesprek tussen de melder en de centralist van de meldkamer 112 van de politie. Dit gesprek vond plaats op 6 maart 2025, omstreeks 02.10 uur.
Centralist: Meldkamer politie 112, wat is het adres van uw noodgeval?
Melder: [adres 4] . Stopt een BMW. Eentje stapt er uit. Heeft een vuurwerkbom afgestoken. En is die gelijk weggereden met de BMW.
Centralist: Ok, maar die vuurwerkbom is afgegaan?
Melder: Ja, is ook afgegaan.
6
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 6 maart 2025, pagina 41, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten:
Op donderdag 6 maart 2025 omstreeks 02:14 uur zagen wij verbalisanten een manspersoon welke de melder bleek te zijn. Wij hoorden hij op dat moment het Operationeel Centrum nog aan de telefoon had. Wij verbalisanten vroegen hem of hij de politie gebeld had. Wij hoorden de melder zeggen dat dat klopte. Wij zagen dat hij de [adres 1] in wees met zijn arm, hand en vinger en hoorden hem zeggen dat daar de knal vandaan kwam.
Wij verbalisanten zagen dat de voordeur en het kozijn van [adres 1] in brand stonden. Ik verbalisant [verbalisant 4] heb de brandblusser uit ons dienstvoertuig gepakt en heb deze brand geblust. Wij verbalisanten hoorden in het pand een manspersoon schreeuwen. Ik verbalisant [verbalisant 4] heb hierop de deur met één trap opengetrapt. Wij verbalisanten hebben de manspersoon geadviseerd binnen te blijven. Wij hebben dit gedaan omdat er bij de voordeur en in de gang een dichte rookwolk hing. Wij zagen toen deze rook weg trok de manspersoon naar buiten komen. De manspersoon betrof [slachtoffer] .
7
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 1] ), met bijlagen, van verbalisant [verbalisant 5] , van 6 maart 2025, pagina’s 80 t/m 97, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:
Op donderdag 6 maart 2025 om 07:50 uur kwam ik, naar aanleiding van een brandstichting en of explosie, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1] .
Schadebeeld analyse
Deze woning was aangetast door een explosie en of explosieve verbranding en was met name aan de voorzijde aangetast door een explosie en of explosieve verbranding. Ter
hoogte van het slot welke deel uit maakte van de toegangsdeur, welke in zijn geheel
aanwezig was, zag ik schade passend bij een explosie en of explosieve verbranding.
Voor deze toegangsdeur buiten lagen diverse delen van illegaal vuurwerk (Cobra 6), zwarte taperesten en delen van een plastic fles aangetast door vuur. Binnen achter de toegangsdeur lagen diverse kleine papieren snippers op de vloer, vermoedelijk afkomstig van vuurwerk. Gezien de totale schade was deze beperkt gebleven tot deze hal en de omgeving van deze toegangsdeur, plafond en vloer.
PD-onderzoek
Gezien de schade aan de voordeur en de brandpatronen hierop had hier op deze deur een VBO (Vuurwerk Brandstof Combinatie) middels tape geplakt gezeten. Deze was dus hier op slothoogte geëxplodeerd en heeft aansluitend een brand veroorzaakt.
Samenvatting
Gemeen gevaar van goederen en of personen
Gezien de aangetroffen situatie, onderzoeksresultaten en de mij bekomen informatie
was het mogelijk dat: hier een explosie en of explosieve verbranding had plaats
gevonden door dat hier opzettelijk vuurwerk was ingebracht en ontstoken op de voordeur
van genoemde woning.
Zowel de drukgolf, hitte-inwerking, rondslingerende resten, scherfwerking dan wel een
mogelijk ontstaan van een brand zou voor personen in de omgeving van deze explosie
letsel in verschillende gradaties te duchten zijn geweest. Indien personen op moment
van de explosie op zeer geringe afstand zich bevonden hadden van de explosiehaard dan
was er ernstig tot dodelijk letsel te duchten. De vluchtweg maakte deel uit van de gang
waar de explosie en de brand woede.
Bij deze explosie en of explosieve verbranding was dan ook gemeen gevaar voor
goederen te duchten, zoals bedoeld in artikel 157 onder 1e wetboek van strafrecht.
Gezien de aanzienlijke hoeveelheid brandbare materialen die daar vlak bij deze
explosiehaard stonden, had deze brand zich kunnen ontwikkelen en mogelijk had deze
brand zich snel tot een oncontroleerbare brand kunnen ontwikkelen met alle gevolgen Wanneer deze brand (voordeur en kozijn) zich oncontroleerbaar had ontwikkeld dan hadden personen die zich daar op dat moment in de woning hadden bevonden, gevaar gelopen. Indien iemand zich op dit vroeg tijdstip in de nabijheid van deze explosie had bevonden had deze persoon zich kunnen verwonden, lichamelijke schade op kunnen lopen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat explosies en brandstichting gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden. Rookontwikkeling draagt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid in zich met mogelijk fatale gevolgen.
Om deze reden was het aannemelijk dat ten tijde van de explosie en brandstichting naar algemene ervaringsregels sprake was van een voorzienbaar levensgevaar en gevaar
voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.
8
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] van 13 maart 2025, pagina’s 151 t/m 159, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:
Op camerabeelden van [bedrijf] gelegen aan de [adres 2] is het volgende te zien:
Op 06-03-2025, om 02:07:28 uur, komt er vanaf de linker zijde een zwarte auto aan rijden en de bestuurder parkeert zijn auto.
Op 06-03-2025, om 02:08:31 uur stapt de bijrijder uit de auto.
Op 06-03-2025, om 02:08:38 uur, loopt de bijrijder de [adres 1] te Almelo in.
Op 06-03-2025, om 02:09:42 uur is links in beeld een licht flits te zien van de explosie.
Op 06-03-2025, om 02:09:48 uur komt de bijrijder rennend uit de [adres 1] .
Op 06-03-2025, om 02:09:51uur stapt de bijrijder aan de bijrijderskant in de auto.
Op 06-03-2025, om 02:09:55 rijdt de zwarte auto weg.
9
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , van 24 maart 2025, met bijlagen, pagina’s 167 t/m 186, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
Onder de verdachte [verdachte] werd een Apple iPhone 11 Pro in beslag genomen.
[afbeelding]
Video [bestandsnaam]
Op de video zie ik dat een telefoon wordt vastgehouden.
Op deze telefoon wordt een korte video afgespeeld.
Op deze video zie ik een PET fles voorzien van een paarskleurige dop. Ik zie twee zwartkleurige voorwerpen vastzitten aan deze PET fles. Ik zie dat deze twee zwartkleurige voorwerpen middels zwarte tape vast zitten aan de PET fles. Ik zie dat de PET fles gevuld is met een geelkleurige substantie. Ik zie uit één van de zwarte voorwerpen een groen lont steken. Zie hiervoor afbeelding 8.
Ik zie dat deze PET fles op een deurknop staat. Ik zie dat er een hand in beeld komt. Ik zie dat deze hand voorzien is van een zwartkleurige handschoen. Ik zie dat deze hand een aansteker vasthoudt.
Ik zie dat het gaat om de voordeur van de [adres 1] .
[afbeelding]
Ik zie dat de aansteker 'ontstoken' wordt.
Ik zie dat er een lont gaat branden. Zie hiervoor afbeelding 11.
[afbeelding]
Ik zie dat persoon die filmt weg rent over de [adres 1] .
Ik zie dat de persoon stil blijft staan en in de richting van de [adres 1] filmt.
Ik zie hierop een 'steekvlam' en rook ontstaan. Vervolgens zie ik een explosie.
Zie hiervoor afbeeldingen 14 en 15.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]