ECLI:NL:RBOVE:2025:7297

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
ak_20_977
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing handhavingsverzoek tegen hockeyvereniging wegens geluid- en lichthinder

Deze uitspraak betreft het beroep van de heer en mevrouw [eisers] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] om hun handhavingsverzoek af te wijzen. Het handhavingsverzoek was gericht tegen de zonder vergunning geplaatste lichtmasten en de aanleg van een nieuw hockeyveld van hockeyvereniging [vereniging], dat dichterbij hun woning is gelegen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en dat er aanleiding is om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast die [eisers] ondervindt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarbij het college wordt opgedragen om binnen 10 weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van [eisers] met betrekking tot de geluidoverlast. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [eisers].

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 20/977

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente]

Als derdebelanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente [gemeente].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen het besluit van het college om het handhavingsverzoek van de heer en mevrouw [eisers] (hierna [eisers] ) af te wijzen zonder het opleggen van maatwerkvoorschiften dan wel het door de gemeente laten treffen van voorzieningen ter bestrijding van licht- en geluidoverlast. [eisers] voert daartoe aan dat het college het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het handhavingsverzoek heeft kunnen afwijzen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat tot het laten treffen van nadere voorzieningen. [eisers] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding: feiten en procesverloop

2.1
[eisers] woont aan de [adres 1] naast de hockeyvelden van hockeyvereniging [vereniging] ([vereniging]). De woning is gelegen aan de oostzijde van de hockeyvelden. Het dichtstbij gelegen hockeyveld is aangelegd op een afstand van circa [nummer 1] meter gerekend vanaf de woning tot aan de rand van het veld.
2.2
Bij brief van 15 augustus 2019 heeft [eisers] het college gevraagd handhavend op te treden tegen de zonder vergunning geplaatste lichtmasten op het terrein van [vereniging] aan de [adres 2], vanwege de lichthinder die hij daarvan ondervindt.
2.3
Bij brief van 6 september 2019 heeft [eisers] het college gevraagd handhavend op te treden tegen de aanleg van een nieuw hockeyveld op sportpark [locatie] aan de [adres 2]. [eisers] geeft daarbij aan dat het nieuwe veld niet op de oude plek is neergelegd maar op een nieuwe plek, dichterbij de woning van [eisers] . Zijn verzoek wordt ingegeven door met name de geluidoverlast die hij ondervindt.
2.4
Met het besluit van 19 december 2019 heeft het college aan de gemeente [gemeente] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van ballenvangers en lichtmasten op het perceel [adres 2].
2.5
Met het besluit van 23 december 2019 heeft het college het handhavingsverzoek van [eisers] ten aanzien van de ballenvangers en lichtmasten afgewezen.
2.6
Met het bestreden besluit van 3 april 2020 heeft het college het bezwaar van [eisers] gegrond verklaard voor zover dat ziet op het niet nemen van een beslissing op het verzoek om handhaving ten aanzien van de aanleg van een nieuw hockeyveld en dat verzoek afgewezen, omdat de aanleg/wijziging van het hockeyveld niet aanlegvergunningplichtig is.
Verder heeft het college het bezwaar van [eisers] voor zover dat ziet op de weigering om handhavend op te treden tegen geluid- en lichthinder ongegrond verklaard omdat kan worden voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Het college acht de algemene normen en voorschriften voldoende om hinder te voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Er bestaat geen aanleiding om maatwerkvoorschriften op te nemen.
Wel heeft het college besloten nader onderzoek in te stellen of door het treffen van voorzieningen of door het treffen van maatwerkvoorschriften een positieve wijziging kan worden bereikt wat betreft de door [eisers] ondervonden licht- en geluidhinder.
2.7
[eisers] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.8
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2020 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, namens het college [naam 1] en namens de gemeente [naam 2].
2.9
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen onderzoek te (laten) verrichten naar de door [eisers] gestelde licht- en geluidhinder. Tevens is gevraagd om een nadere motivering voor het voor lichtonderzoek gekozen omgevingstype E3 (stedelijk gebied).
2.1
Vervolgens kon vanwege de covid-maatregelen lange tijd geen maatgevend onderzoek plaatsvinden. Bij brief van 21 juni 2021 heeft het college meegedeeld dat in overleg met [eisers] is besloten het geluidonderzoek te verplaatsen naar het begin van het seizoen 2021/2022 als de competitie begint en weer publiek wordt toegelaten.
2.11
Bij brief van 10 januari 2022 heeft het college aangegeven dat vanwege maatregelen in verband met het coronavirus het geluidonderzoek nog immer niet is afgerond.
2.12
Bij brief van 4 mei 2022 heeft de rechtbank het college gevraagd haar binnen 4 weken te informeren over de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en welke gevolgen het college daaraan verbindt. Daarbij is aangegeven dat als niet binnen de gestelde termijn wordt gereageerd, het college zal worden opgeroepen ter comparitie om de rechtbank te informeren.
2.13
Bij brief van 30 mei 2022 heeft het college bij de rechtbank het rapport van Alcedo van 16 maart 2022 ingediend inzake geluidsmetingen aan de naastgelegen hockeyvelden ten aanzien van de woning aan de [adres 3]. Daarbij heeft het college -kortgezegd - aangegeven dat uit het rapport blijkt dat dat sprake is van overschrijdingen van de geluidsnormen en dat het zeer aannemelijk is dat sprake is van geluidhinder voor de bewoners van de woning [adres 3] en dat de omgevingsdienst IJsselland (ODIJ) is gevraagd het college te adviseren over de te nemen maatregelen.
2.14
Naar aanleiding van rappelbrieven van [eisers] heeft de rechtbank het college bij brief van 28 december 2022 op grond van artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgeroepen te verschijnen ter zitting van 12 juni 2023 voor het geven van inlichtingen over de gevolgen die het college verbindt aan de resultaten van het akoestisch onderzoek en de voortgang met betrekking tot het uit te voeren lichtonderzoek.
2.15
Naar aanleiding van de comparitiezitting heeft het college bij brief van 19 januari 2023 de rechtbank een planning overgelegd met betrekking tot het onderzoek naar de aspecten van het lichtonderzoek, een nadere onderbouwing van het gehanteerde omgevingstype E3 en het vervolg op het akoestisch onderzoek met mogelijke geluidreducerende maatregelen.
2.16
Bij brief van 28 februari 2023 heeft het college aan de rechtbank het rapport over het akoestisch onderzoek geluidreducerende maatregelen van 22 februari 2023 van Alcedo overgelegd alsmede het rapport lichtonderzoek van de oude situatie van 15 februari 2023 van [naam 4].
2.17
Bij brieven van 20 december 2023 en 26 januari 2024 heeft het college de rechtbank geïnformeerd over de stand van zaken.
2.18
Desgevraagd door de rechtbank heeft [eisers] bij brief van 17 juli 2024 meegedeeld het beroep niet in te trekken. Naast de theoretische berekening, wil [eisers] bewijs in de vorm van een fysieke meting dat het geluid nu binnen de daarvoor geldende normen valt.
2.19
De rechtbank heeft partijen bij brief van 22 oktober 2024 opgeroepen om op
26 november 2024 ter zitting te verschijnen om tot een afronding van de zaak te komen.
2.2
Bij brief van 1 november 2024 heeft het college gevraagd de zitting uit te stellen in afwachting van de resultaten van een fysieke meting.
2.21
Naar aanleiding van rappelbrieven van [eisers] heeft de rechtbank partijen bij brief van 18 november 2024 op grond van artikel 8:44 van de Awb opgeroepen om op
16 januari 2025 te verschijnen voor het geven van inlichtingen en de bespreking van de verdere inrichting van de procedure.
2.22
Op verzoek van [eisers] en het college heeft de rechtbank de comparitie uitgesteld vanwege een nog niet afgerond geluidonderzoek.
2.23
Het college heeft bij brief van 26 februari 2025 het advies en bij e-mailbericht van 28 februari 2025 het aangepaste advies van 26 februari 2025 van de ODIJ aan de rechtbank overgelegd.
2.24
Bij e-mailbericht van 15 april 2025 heeft [eisers] gereageerd op het advies van de ODIJ en de rechtbank gevraagd aanvullende geluidreducerende maatregelen op te leggen.
2.25
Bij brief van 5 september 2025 heeft het college gereageerd op de reactie van [eisers] .
2.26
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer en mevrouw [eisers] , namens het college [naam 3] en namens de gemeente [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijke recht
3.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.2
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 6 september 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.3
Deze uitspraak gaat over een langlopend geschil tussen [eisers] en het college over de vraag of het college handhavend moet optreden tegen hinder die [eisers] stelt te ondervinden vanwege het gebruik van het naastliggende perceel dat door [vereniging] in gebruik is als sportveld. [eisers] ervaart licht- en geluidsoverlast sinds de positie van het hoofdveld ten opzichte van de woning is gewijzigd. Hierbij is het hoofdveld op een afstand van [nummer 1] meter van de woning komen te liggen (voorheen [nummer 2] meter).
3.4
[eisers] ervaart geluidhinder vanwege hockeyballen die tegen de boarding langs het veld en in de goals zijn aangebracht, worden geslagen en verder van het slaan van ballen met de hockeystick. Verder ervaart [eisers] lichthinder van de geplaatste lichtmasten.
3.5
Het college heeft afgezien van handhavend optreden omdat geen sprake is van overtreding van de licht- en geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieuhinder.
Wel heeft het college besloten nader onderzoek in te stellen of door het treffen van (niet-verplichte) maatwerkvoorschriften een positieve wijziging kan worden bereikt wat betreft de door [eisers] ondervonden licht- en geluidhinder.
3.6
Niet in geschil is dat op basis van het geldende planologische regime een sportveld ook ten behoeve van een hockeyvereniging op de huidige (nieuwe) locatie zonder omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd. Daarmee wordt geoordeeld dat het sportveld niet in strijd met het planologische regime ter plaatse aanwezig is.
3.7
Daarmee staat evenwel niet tevens vast of het gebruik van dat sportveld niet in strijd is met overige wettelijke regels. In het onderhavige geval ligt ter beoordeling voor of voldaan wordt aan de normen die gelden voor “licht” en “geluid”.
Lichthinder
3.8
Hangende beroep is uit nader onderzoek gebleken dat [eisers] lichthinder ondervindt van geplaatste lichtmasten rond het sportveld.
In opdracht van het college heeft [naam 4] onderzoek uitgevoerd dat heeft geresulteerd in het rapport van 31 maart 2023. [naam 4] heeft de nieuwe situatie getoetst aan algemene richtlijn die in november 1999 en in juni 2003 door de commissie lichthinder van de NSVV is gepubliceerd. Die algemene richtlijn bevat grenswaarden voor lichthinder van omwonenden van sportveld- en terreinverlichting.
Gebleken is dat [naam 4] bij zijn onderzoek is uitgegaan van een omgevingstype E2 (gebieden met een lage omgevingshelderheid; in het algemeen buitenstedelijke en landelijke (woon)gebieden) en dat in tegenstelling tot omgevingstype E3 (gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid; in het algemeen stedelijke (woon)gebieden) waar verweerder eerder van uitging. Uit het rapport van [naam 4] komt naar voren dat voor wat betreft de verticale verlichtingssterkte (Ev) de gevonden lichtwaarden op de onderzochte gevels van de woningen niet voldoen aan de daarvoor geldende criteria in de toekomstige situatie. Voor wat betreft de lichtintensiteit (lichtsterkte I) wordt wel voldaan aan de grenswaarde.
3.9
Het college heeft daarin aanleiding gevonden om maatregelen te nemen om te voldoen aan de normen. Het heeft geleid tot het aanbrengen van afschermingen in de armatuur van de hindergevende lichtmast(en) rond het sportveld en tot het nader afstellen van de verlichting.
Conclusie lichthinder
3.1
Door deze hangende het beroep getroffen maatregelen ervaart [eisers] niet langer lichthinder. De rechtbank stelt vast dat de klacht van [eisers] over de ondervonden lichthinder destijds terecht is opgeworpen en dat het college ten onrechte het verzoek om handhaving ter zake van lichthinder heeft afgewezen en dat besluit bij het thans bestreden besluit ten onrechte heeft gehandhaafd.
Geluidhinder
3.11
Ter zitting heeft [eisers] desgevraagd verklaard dat het geschil zich nu nog beperkt tot de ondervonden geluidhinder.
3.12
In het rapport van de ODIJ van 26 februari 2025 is vermeld dat er formeel geen geluidnormen gelden voor activiteiten op een open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten.
In dat verband is verwezen naar artikel 22.70 van het omgevingsplan van de gemeente [gemeente]. In het eerste lid van die bepaling is geregeld dat bij het bepalen van geluidniveaus, als bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.69 en artikel 22.71 het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten buiten beschouwing blijft.
In het tweede lid van dit artikel is geregeld dat bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), als bedoeld in artikel 22.67 tot en met artikel 22.69, buiten beschouwing blijft het geluid als gevolg van:
het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport-, of recreatieactiviteiten de kern vormen, of
het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
3.13
Niet in geschil is dat toetsing niet dient plaats te vinden aan nieuw recht maar nog aan het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
De rechtbank is gebleken dat de normen zoals opgenomen in het omgevingsplan gelijk zijn aan die voorheen waren opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
3.14
Het advies van de ODIJ is mede gebaseerd op het akoestisch rapport van Alcedo van 22 februari 2023. Dit rapport is een vervolgrapport op een rapport van Alcedo uit 2022 waarin is geconcludeerd dat het zeer aannemelijk is dat de geluidssituatie vanwege [vereniging] leidt tot geluidhinderklachten voor [eisers] .
3.15
In paragraaf 2.3.2 van het 2023-rapport schrijft Alcedo:
“De nieuwe positie van het nieuwe hoofdveld is gerealiseerd binnen de voor sport bestemde planologische ruimte. Voorafgaand aan de wijziging heeft geen afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor de nieuwe geluidssituatie plaatsgevonden. Om inzicht te krijgen in de mate van de geluidhinderklachten heeft de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog plaatsgevonden. Hierbij zijn zowel de oude en de nieuwe situatie beoordeeld. In dit kader worden het stemgeluid en de maximale geluidsniveaus vanwege de sportactiviteiten ook beoordeeld. De geluidsniveaus zijn getoetst aan de richtwaarden van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.
In paragraaf 2.3.3 van het 2023-rapport van Alcedo zijn de waarden vermeld zoals die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Daarbij is vermeld dat volgens het Activiteitenbesluit stemgeluid van bezoekers (toeschouwer, speler, trainer/coach etc) op het open terrein van een sport- of recreatie-inrichting buiten beschouwing blijft en dat de grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus (La max) niet van toepassing zijn op sportactiviteiten in de open lucht. Echter in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening (toetsing aan de richtwaarden volgens de VNG) worden stemgeluid en maximale geluidsniveaus echter wel meegenomen in de beslissing.
3.16
Op basis van dat op berekeningen gebaseerde onderzoek is geadviseerd een geluidreducerend scherm te plaatsen alsook geluidreducerende boarding langs het veld en in de goals aan te brengen.
3.17
Ter zitting is gebleken dat die boarding is aangebracht en een geluidreducerend scherm in overleg met [eisers] is geplaatst op de erfgrens met een lengte van 40 meter en een hoogte van 2,75 meter. Een hoger scherm wil [eisers] niet.
Vervolgens hebben na plaatsing van het scherm op verzoek van [eisers] metingen plaatsgevonden.
3.18
Uit het advies van de ODIJ begrijpt de rechtbank dat aangezien de beoordeling plaatsvindt in het kader van een goede ruimtelijke ordening het stemgeluid en de maximale geluidsniveaus door sportactiviteiten op het hockeyveld zijn meegenomen in de beoordeling.
3.19
Uit het advies van de ODIJ gebaseerd op geluidmetingen blijkt dat het geplaatste scherm een geluidreducerend effect heeft ten opzichte van de situatie zonder dat scherm.
Verder wordt geconcludeerd dat als de waarden voor de maximale geluidwaarden (Lamax) worden getoetst aan de normen uit het omgevingsplan (die gelijk zijn aan die uit het Activiteitenplan) (en waarbij dus geen rekening wordt gehouden met de uitzonderingen die formeel wel gelden) dan zou in de dagperiode op een beoordelingshoogte van 1,5 m mv+ niet worden voldaan aan de 70 dB(A) en in de avondperiode zou op een beoordelingshoogte van 4,5 m vm+ ook niet worden voldaan aan de beoordelingswaarde van 65 dB(A).
Zouden de waarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (Lar,lt) worden getoetst aan de normen uit het omgevingsplan (die dus gelijk zijn aan die uit het Activiteitenbesluit) en waarbij dus ook geen rekening wordt gehouden met de uitzonderingen die formeel wel gelden) dan zou in de dagperiode op een beoordelingshoogte van 1,5 m mv+ worden voldaan aan de 50 dB(A) en in de avondperiode zou op een beoordelingshoogte van 4,5 m vm+ niet worden voldaan aan de beoordelingswaarde van 45 dB(A).
Conclusie geluidhinder
3.2
De rechtbank stelt vast dat, mede gelet op de opdracht die blijkbaar aan Alcedo is gegeven, alsmede op basis van de verklaringen van het college ter zitting, de vraag voorligt of in het kader van een goede ruimtelijke ordening met de verplaatsing van het sportveld in de richting van de woning van [eisers] ten opzichte van [eisers] voldaan wordt aan de in dat kader te hanteren geluidnormen. Daarbij hanteert het college in dat verband een strenger kader dan volgt uit het Activiteitenbesluit.
3.21
Ter zitting is met het college geconcludeerd dat voor wat betreft zowel de maximale geluidwaarden (in de dagperiode: beoordelingswaarde 70 dB(A) en in de avondperiode: 65 dB(A)) als de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de avondperiode (beoordelingswaarde: 45 dB(A)) in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening niet aan de beoordelingswaarden worden voldaan.

Conclusie en gevolgen

4.1
De rechtbank komt tot de conclusie dat [eisers] terecht heeft geklaagd over de door hem ondervonden lichthinder en geluidhinder. Het college heeft ten onrechte geconcludeerd dat ten aanzien van beide vormen van gestelde hinder werd voldaan aan de daarvoor geldende normen. Het college heeft dan ook ten onrechte besloten om het handhavingsverzoek af te wijzen en vervolgens ten onrechte besloten om de bezwaren van [eisers] ongegrond te verklaren en het afwijzingsbesluit te handhaven.
4.2
Inmiddels is gebleken dat het college hangende de behandeling van het beroep geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van [eisers] voor zover het betreft de ondervonden lichthinder. [eisers] heeft weliswaar voor wat betreft dit onderdeel wel terecht beroep ingesteld maar heeft thans geen belang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op zijn handhavingsverzoek over lichthinder.
Die situatie doet zich niet voor voor wat betreft de bezwaren van [eisers] met betrekking tot de door hem ondervonden geluidhinder.
4.3
Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het betreft de weigering handhavend op te treden met betrekking tot de geluidoverlast.
Het college zal daarom opnieuw moeten beslissen op het bezwaarschrift van [eisers] voor wat betreft de door hem ondervonden geluidoverlast.
4.4
Voor wat betreft de gevraagde proceskostenvergoeding komen de door [eisers] gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bestaan uit de door [eisers] gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zittingen.
Deze reiskosten komen op grond van artikel 1, sub d van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking en bedragen € 39,98 (3 keer 47,6 km tegen een tarief van € 0,28 per km).
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college wel aan [eisers] het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren gericht tegen de weigering om handhavend op te treden voor wat betreft de ondervonden geluidoverlast ongegrond zijn verklaard;
  • draagt het college op met in achtneming van deze uitspraak binnen 10 weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor wat betreft het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van
€ 39,98;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 178, -.aan [eisers] vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.