ECLI:NL:RBOVE:2025:7294

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11719000 \ CV EXPL 25-1730
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:314 BWArt. 3:108 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagden worden eigenaar van strook grond door verkrijgende verjaring

In deze zaak staat de vraag centraal of gedaagden door verjaring eigenaar zijn geworden van een strook grond die volgens de kadastrale registratie bij het perceel van eiser hoort. Eiser vordert ontruiming van deze strook grond, terwijl gedaagden stellen dat zij sinds 1995 de grond in bezit hebben genomen en door verkrijgende of bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagden de strook grond feitelijk in bezit hebben genomen door het graven van een natuurvijver, het ophogen van de grond met vrijgekomen grond, het plaatsen van een beschoeiing en een gaashekwerk. Deze handelingen zijn naar buiten toe kenbaar en tonen bezitsdaden die voor een buitenstaander duidelijk maken dat gedaagden zich als eigenaar gedragen.

Hoewel eiser betwist dat gedaagden te goeder trouw waren en stelt dat de kadastrale grens en een ruilverkavelingsproces dit uitsluiten, oordeelt de kantonrechter dat dit niet relevant is voor de bevrijdende verjaring. De verjaringstermijn van 20 jaar is sinds 1995 voltooid, waardoor gedaagden eigenaar zijn geworden.

De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van eiser tot ontruiming van de strook grond worden afgewezen omdat gedaagden door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11719000 \ CV EXPL 25-1730
Vonnis van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. P.W.J.C. van Peer,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [woonplaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. P.M.F. Mulder.

1.De zaak en de beslissing in het kort

1.1.
De zaak gaat over de vraag of [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond die achter hun perceel ligt en volgens de openbare registers bij het perceel van [eiser] hoort.
1.2.
De kantonrechter oordeelt in dit vonnis dat de strook grond door verjaring eigendom van [gedaagden] is geworden en wijst de vorderingen van [eiser] tot ontruiming van de strook grond daarom af. De kantonrechter legt dat hierna uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 17 oktober 2025 met producties van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagden] wonen sinds 1987 aan de [adres 1] en [eiser] woont sinds 2019 aan de [adres 2]. Tussen de woningen van [eiser] en [gedaagden] ligt de woning aan de [adres 3]. Achter de percelen van [eiser] en [gedaagden] loopt een sloot.
3.2.
In oktober 2022 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het Kadaster. Het Kadaster heeft een Relaas van bevindingen opgesteld waaruit volgt dat een strook grond aan de achterzijde van het perceel van [gedaagden] langs de slootkant onderdeel is van het perceel van [eiser].

4.Het geschil

4.1.
[eiser] voert aan dat hij eigenaar is van de strook grond en vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad ontruiming van de strook grond door [gedaagden] op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of deel daarvan dat [gedaagden] niet aan de veroordeling voldoen met een maximum van € 5.000,-, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
[gedaagden] voeren het volgende aan. Zij zijn sinds 1987 eigenaar van de woning en hebben destijds van de verkopers vernomen dat hun perceel tot aan de sloot liep. In 1995 hebben [gedaagden] een natuurvijver gegraven op hun perceel en hebben met de vrijgekomen grond hun perceel tot aan de slootkant (dus inclusief de strook grond) opgehoogd. Omdat delen van de strook grond telkens in de sloot zakten, hebben zij op dat moment ook een beschoeiing geplaatst aan de slootkant. Verder hebben zij op de strook grond op 75 cm afstand van de sloot een gaashekwerk gebouwd. Omdat zij de strook grond in 1995 in bezit hebben genomen en dat bezit nog steeds voortduurt, zijn zij door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond geworden, aldus [gedaagden]
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond achter hun woning. De kantonrechter zal eerst de feitelijke situatie en daarna het beroep op verjaring door [gedaagden] bespreken.
Feitelijke situatie
[Afbeelding]5.2. De kantonrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat uit de erfgrensreconstructie volgt dat de strook grond achter het perceel van [gedaagden] onderdeel is van het perceel van [eiser]. Hoewel zij van mening verschillen hoeveel vierkante meter de strook grond precies is (volgens [eiser] gaat het om ongeveer 25 m2 en volgens [gedaagden] om 12 m2) zijn zij het erover eens dat de door het Kadaster geplaatste paaltjes de erfgrens weergeven. Ook zijn zij het erover eens dat de luchtfoto die [gedaagden] als productie 14 bij de conclusie van antwoord hebben overgelegd, de feitelijke situatie het best weergeeft en daarom als uitgangspunt moet worden genomen.
5.3.
Op de foto is de achterzijde van het perceel van [gedaagden] te zien. Punt 7, 8 en 9 zijn de locaties van de door het Kadaster geplaatste grenspaaltjes. Van punt 7 tot punt 9 loopt een rode lijn. Partijen zijn het erover eens dat die rode lijn de kadastrale grens is tussen het perceel van [eiser] en het perceel van [gedaagden] De groene lijn is de houten beschoeiing die [gedaagden] aan de slootkant hebben geplaatst. Tussen de erfgrens (de rode lijn) en de beschoeiing aan de slootkant (groene lijn) zit een strook grond, die vanaf punt 7 naar punt 9 steeds smaller wordt. Die strook grond is waar het in deze zaak om gaat. Verder is van belang dat [gedaagden] tussen de erfgrens en de (beschoeiing aan de) slootkant een gaashekwerk hebben geplaatst, op ongeveer 60 tot 75 cm vanaf de slootkant.
Zijn [gedaagden] door verjaring eigenaar geworden?
5.4.
De kantonrechter overweegt dat een registergoed op twee manieren door verjaring kan worden verkregen. Voor verkrijgende verjaring is een onafgebroken bezit te goeder trouw van tenminste 10 jaar vereist (art. 3:99 lid 1 BW Pro). Daarnaast wordt iemand eigenaar van een registergoed als diegene het registergoed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw (art. 3:105 lid 1 BW Pro; de bevrijdende verjaring). Die rechtsvordering verjaart door verloop van 20 jaar na het verlies van het bezit (artikel 3:306 BW Pro in samenhang met 3:314 lid 2 BW).
5.5.
Voor zowel de verkrijgende als bevrijdende verjaring is nodig dat [gedaagden] de grond in bezit hebben genomen. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. De vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt of voor een ander wordt volgens artikel 3:108 BW Pro beoordeeld naar verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten. Degene die de zaak in bezit heeft genomen moet zich zodanig gedragen dat anderen daaruit moeten afleiden dat hij vindt dat hij eigenaar is. Met andere woorden: er moet sprake zijn van bezitsdaden. Of er op die manier bezit is uitgeoefend, moet per geval worden bekeken. Het gaat er daarbij niet om wat zich in het hoofd van de betrokkenen heeft afgespeeld (dat is subjectief) maar om de feitelijke situatie en om wat er is gedaan en gebeurd. Dat wordt dan met de blik van buiten (dus objectief) uitgelegd: voor een buitenstaander moet uit het gedrag van de ander duidelijk zijn dat hij denkt de eigenaar te zijn.
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] de strook grond in bezit hebben genomen. [gedaagden] hebben voldoende gemotiveerd aangevoerd, en [eiser] heeft dat onvoldoende gemotiveerd weersproken, dat [gedaagden] in 1995 op hun perceel een natuurvijver hebben gegraven en dat zij met de grond die daarbij is vrijgekomen hun perceel tot aan de slootkant (dus inclusief de strook grond) hebben opgehoogd. Verder hebben zij toegelicht dat zij, om verzakking van delen van de strook grond in de sloot tegen te gaan, aan de slootkant een houten beschoeiing hebben gebouwd. Ook hebben zij midden op de strook grond, op ongeveer 60 cm tot 75 cm vanaf de beschoeiing, een gaashekwerk geplaatst om de sierwatervogels die leven bij de natuurvijver op hun perceel te houden. Verder is tijdens de mondelinge behandeling ter sprake gekomen dat de strook grond door de beschoeiing en het hekwerk voor anderen (ook vanaf het perceel van [eiser]) niet toegankelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat het door de feitelijke handelingen, te weten het ophogen van de grond, het plaatsen van de beschoeiing om verzakking van de grond in de sloot tegen te gaan, het bouwen van het gaashekwerk en het (gedeeltelijk) gebruiken van de strook grond voor het houden van sierwatervogels, naar buiten toe kenbaar was dat [gedaagden] de grond in bezit hadden genomen en de strook grond ook voor zichzelf hielden. [eiser] heeft deze feitelijke handelingen van [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd betwist. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het enkele plaatsen van beschoeiing niet is aan te merken als een bezitsdaad en heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie, maar de vraag of iets als een bezitsdaad is aan te merken is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en bovendien leiden alle hiervoor genoemde omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat [gedaagden] de grond in bezit hebben genomen.
5.7.
[eiser] betwist dat [gedaagden] te goeder trouw waren bij inbezitneming van de strook grond. [eiser] voert daartoe aan de erfgrens uit de openbare registers volgt en dat in 1994, dus voor de inbezitneming van de strook door [gedaagden], bovendien een ruilverkavelingsproces is gestart waarbij is uitgegaan van dezelfde kadastrale grens. Volgens [eiser] wisten [gedaagden] daarom in ieder geval door de start van het ruilverkavelingsproces al vóór 1995 dat de strook grond geen onderdeel was van hun perceel. [gedaagden] betwisten dat. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of [gedaagden] te goeder trouw waren en door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook grond zijn geworden omdat zij door het tijdsverloop van 20 jaren op grond van bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond geworden. [gedaagden] hebben voldoende aangetoond dat zij in 1995 de natuurvijver op hun perceel hebben gegraven en op dat moment ook de strook grond, zoals hiervoor is overwogen in bezit hebben genomen. Dat volgt onder andere uit de door [gedaagden] overgelegde verklaringen van buren dat de natuurvijver in 1995 is gegraven en op dat moment de beschoeiing is aangelegd om verzakking van de grond in de sloot tegen te gaan. Hoewel [eiser] betwist dat het gaashekwerk ook al in 1995 is geplaatst omdat het hek op de luchtfoto’s niet te zien is, hebben [gedaagden] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende toegelicht dat de natuurvijver gegraven is voor het houden van sierwatervogels en, omdat het hek daarvoor noodzakelijk was, het hekwerk ook op dat moment geplaatst is.
5.8.
[eiser] voert tot slot nog aan dat de vorm van de natuurvijver van [gedaagden] door de loop van de jaren is veranderd en dat zij met die vrijgekomen grond hun perceel steeds meer naar het noorden hebben opgeschoven. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar luchtfoto’s vanaf 2006 die hij in het geding heeft gebracht. Volgens [eiser] volgt daaruit dat de feitelijke situatie steeds verandert waardoor er geen sprake kan zijn van verjaring. De kantonrechter volgt [eiser] daarin niet. Dat het perceel is opgeschoven of uitgebreid wordt door [gedaagden] betwist en is bovendien niet af te leiden uit de overgelegde foto’s. Dat het perceel in de richting van de sloot is uitgebreid is ook niet waarschijnlijk omdat de sloot die het perceel aan die zijde begrenst niet veranderd of verplaatst is.
Conclusie
5.9.
Gelet op het voorgaande is de verjaringstermijn voor bevrijdende verjaring van 20 jaren in 1995 aangevangen en is de verjaring in ieder geval eind 2015 voltooid, ruim voor de kadastrale meting in 2022. Dat betekent dat [gedaagden] door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. De vordering van [eiser] tot ontruiming van de strook wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
5.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Helmink en Westerhof worden begroot op:
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
677,00
5.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.