In deze zaak staat de vraag centraal of gedaagden door verjaring eigenaar zijn geworden van een strook grond die volgens de kadastrale registratie bij het perceel van eiser hoort. Eiser vordert ontruiming van deze strook grond, terwijl gedaagden stellen dat zij sinds 1995 de grond in bezit hebben genomen en door verkrijgende of bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden.
De kantonrechter stelt vast dat gedaagden de strook grond feitelijk in bezit hebben genomen door het graven van een natuurvijver, het ophogen van de grond met vrijgekomen grond, het plaatsen van een beschoeiing en een gaashekwerk. Deze handelingen zijn naar buiten toe kenbaar en tonen bezitsdaden die voor een buitenstaander duidelijk maken dat gedaagden zich als eigenaar gedragen.
Hoewel eiser betwist dat gedaagden te goeder trouw waren en stelt dat de kadastrale grens en een ruilverkavelingsproces dit uitsluiten, oordeelt de kantonrechter dat dit niet relevant is voor de bevrijdende verjaring. De verjaringstermijn van 20 jaar is sinds 1995 voltooid, waardoor gedaagden eigenaar zijn geworden.
De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.