ECLI:NL:RBOVE:2025:7281

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
11473239 \ CV EXPL 25-10
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling huurachterstand en vergoeding vervangende woonruimte toegewezen

In deze civiele zaak heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en gedaagden veroordeeld tot ontruiming van de woning. Gedaagden mochten bewijs leveren dat zij de huur over een halve maand oktober 2022 en de huurverhoging over december 2023 hadden betaald, terwijl eiser aanvullend bewijs mocht leveren dat hij de woning daadwerkelijk voor zichzelf huurde.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagden niet konden bewijzen dat de huur over oktober 2022 was betaald, ondanks verklaringen van getuigen over contante betalingen. De verklaringen van gedaagden werden onvoldoende geacht omdat zij geen zelfstandige bewijskracht hadden en het bankafschrift geen contante betaling aantoonde. Voor de huur over december 2023 stelde de kantonrechter vast dat gedaagden wel geslaagd waren in hun bewijs, onder meer door bankoverschrijvingen en verrekening met schoonmaakwerkzaamheden.

Eiser had ook een vordering tot vergoeding van €5.200,- voor vervangende woonruimte wegens ontruiming ingediend. Hij overlegde een volledige huurovereenkomst, videobewijs en correspondentie waaruit bleek dat hij de woning voor zichzelf huurde. Gedaagden betwistten dit, maar konden dit niet bewijzen. De kantonrechter wees de vordering van eiser toe.

Uiteindelijk veroordeelde de kantonrechter gedaagden hoofdelijk tot betaling van €5.606,45 aan eiser, bestaande uit de huur over oktober 2022 en de vergoeding voor vervangende woonruimte, en wees de vordering voor de huurverhoging december 2023 af. Tevens werden de proceskosten van €1.037,72 aan gedaagden opgelegd.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €5.606,45 aan eiser wegens huurachterstand en vergoeding vervangende woonruimte.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11473239 \ CV EXPL 25-10
Vonnis van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen

1.[gedaagde 1],

te [woonplaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats 4],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.

1.De beslissing in het kort

1.1.
In het tussenvonnis van 26 augustus 2025 heeft de kantonrechter [gedaagden] toegelaten tot het leveren van bewijs dat zij de huur voor de halve maand oktober 2022 en de huurverhoging voor de maand december 2023 aan [eiser] hebben betaald en [eiser] toegelaten tot het leveren van aanvullend bewijs dat hij de woning aan de [adres 1] daadwerkelijk en voor zichzelf heeft gehuurd.
1.2.
De kantonrechter komt in dit eindvonnis tot het oordeel dat [gedaagden] geslaagd zijn in het leveren van bewijs voor de stelling dat zij de huur over de maand december 2023 aan [eiser] hebben betaald en dat zij niet geslaagd zijn in het leveren van bewijs voor de stelling dat zij de huur over de maand oktober 2022 aan [eiser] hebben betaald. De kantonrechter oordeelt verder dat [eiser] geslaagd is in de bewijslevering. De kantonrechter zal [gedaagden] daarom veroordelen een bedrag van € 5.606,45 aan [eiser] te betalen. De kantonrechter legt dat hierna uit.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 augustus 2025,
- de akte van [eiser] van 15 september 2025 met productie,
- de akte van [eiser] van 17 september 2025 met producties,
- het getuigenverhoor van 1 oktober 2025,
- de akte na getuigenverhoor van [gedaagden] met producties,
- de antwoordakte van [eiser] met producties.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

Tussenvonnis van 26 augustus 2025
3.1.
In het tussenvonnis van 26 augustus 2025 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [gedaagden] veroordeeld de woning te ontruimen. Verder heeft de kantonrechter [gedaagden] toegelaten tot het leveren van bewijs dat zij de huur over de halve maand oktober 2022 en de huurverhoging over de maand december 2023 aan [eiser] hebben betaald en [eiser] toegelaten tot het leveren van (aanvullend) bewijs dat hij de woning aan de [adres 1] daadwerkelijk en voor zichzelf heeft gehuurd. Beide partijen hebben schriftelijke bewijsstukken in het geding gebracht en er heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. Ook hebben partijen bij akte op het getuigenverhoor en elkaars bewijsstukken gereageerd.
Huur oktober 2022
3.2.
[gedaagden] voeren in hun conclusie van antwoord aan dat zij de huur voor de maand oktober contant hebben voldaan en verwijzen ter onderbouwing daarvan naar het door [eiser] als productie 14 overgelegde bankafschrift van 13 november 2022, waar bij de betaling van de huur voor de maand november 2022 van € 800,- staat:
‘contant en vergoeding’. Volgens hen duidt dat erop dat de huur voor de halve maand oktober van € 406,45 contant is voldaan. [gedaagden] zijn in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren voor hun stelling dat zij de huur contant hebben voldaan. In totaal zijn vier getuigen gehoord: [eiser], [gemachtigde] (de partner van [eiser]), [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. De getuigen hebben onder andere het volgende verklaard over de betaling van de huur van oktober 2022:
[gedaagde 2]:
‘Over de contante betalingen verklaar ik als volgt. Eind oktober 2022 heeft mijn dochter een bedrag van EUR 400,00 aan [eiser] overhandigd in verband met de huur. Ik was daarbij. [eiser] heeft toen meteen EUR 50,00 teruggegeven omdat wij EUR 700,00 leefgeld van de gemeente zouden ontvangen en het ging om de helft van de maand oktober 2022.”
[gedaagde 3]:
“Op 27 oktober 2022 heb ik aan [eiser] een bedrag van EUR 400,00 overhandigd in verband met de huur over oktober 2022. Hij heeft daarvan EUR 50,00 teruggegeven omdat het leefgeld dat wij ontvingen EUR 700,00 was en het ging om de huur over een halve maand. Daarnaast heb ik hem een bedrag betaald, ik weet niet meer hoeveel, voor ooglenzen die hij voor mij had besteld.”
[eiser]:
“De betalingen die in geschil zijn hebben niet plaatsgevonden. Het gaat om het bedrag van EUR 406,45 en EUR 400,00. Ik heb geen betalingen in cash ontvangen.”
[gemachtigde]:
“Wat betreft de beide betalingen kan ik alleen maar verklaren dat mijn partner wel eens tegen mij heeft gezegd dat er niet of te weinig was betaald. Ik ben niet bekend met contante betalingen door de familie [gedaagden] aan mijn partner ter zake van de huur.”
3.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] niet in de bewijslevering zijn geslaagd. [gedaagden] verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat zij de huur contant hebben betaald naar de getuigenverklaringen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Zij verklaren dat het bedrag op of omstreeks 27 oktober 2022 contant is betaald, maar daartegenover staat de verklaring van [eiser] dat hij geen contante betaling heeft ontvangen. Omdat partijen tegenovergesteld verklaren en de verklaringen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verklaringen van partijen zijn waaraan op grond van het tot 1 januari 2025 op dit punt geldende recht geen zelfstandige bewijskracht toekomt, zijn hun verklaringen onvoldoende om bewezen te verklaren dat de huur contant is betaald.
3.4.
Ook uit de schriftelijke bewijsstukken die [gedaagden] hebben overgelegd volgt de contante betaling niet. Uit de whatsapp-correspondentie waar [gedaagden] in hun akte van 8 oktober 2025 naar verwijzen volgt niet dat de huur contant betaald is, alleen dat [gedaagde 3] [eiser] nog moest betalen en dat [eiser] aangeeft dat er geen haast bij is. Ook uit het bankafschrift van 13 november 2022 waarop staat
‘contant en vergoeding’kan zonder verder bewijs – dat ontbreekt – niet worden afgeleid dat de huur voor de maand oktober 2022 contant is betaald. Bovendien heeft [eiser] de stelling van [gedaagden] gemotiveerd betwist. Volgens [eiser] ziet het betalingsbewijs waar [gedaagden] naar verwijzen op de huur voor de maand november 2022 van € 700,- en een bedrag van € 100,- dat hij [gedaagden] had geleend omdat zij geen contant geld konden opnemen bij de bank. Ter onderbouwing verwijst hij naar een whatsapp-correspondentie van 13 november 2022 tussen hem en [gedaagde 3], waaruit volgt dat hij € 100,- contant in de woning achterlaat en zij dat bedrag op die dag (13 november 2022) aan hem overmaakt. Gelet op het voorgaande zijn [gedaagden] zijn niet in de bewijsopdracht geslaagd. Dat betekent dat het door [eiser] gevorderde bedrag van € 406,45 ter zake van de huur over de halve maand oktober 2022 wordt toegewezen.
Huur december 2023
3.5.
Ten aanzien van de niet betaalde huur over de maand december 2023, bestaande uit de huurverhoging van € 400,-, stellen [gedaagden] niet dat deze contant is voldaan, maar dat volledige huursom van € 1.200,- in delen is voldaan. Volgens [gedaagden] hebben er twee bankoverschrijvingen plaatsgevonden en is een deel van de huur verrekend met het loon dat [gedaagde 2] ontving voor de schoonmaakwerkzaamheden die zij verrichtte in de vakantiewoningen van [eiser]. [gedaagde 2] heeft daar tijdens het getuigenverhoor als volgt over verklaard:
“Ik heb vakantiewoningen voor hem schoongemaakt en mijn loon werd vervolgens verrekend met de verschuldigde huur. Het restant van die huur werd per bank overgemaakt.”
3.6.
Volgens [gedaagden] is de huur over de maand december 2023 van € 1.200,- als volgt voldaan. [gedaagde 2] heeft in december 2023 vijf keer voor [eiser] gewerkt voor een bedrag van € 80,- per keer (€ 400,- in totaal). Daarnaast hebben zij op 3 januari 2024 een bedrag van € 500,- via het door [eiser] gestuurde digitale betaalverzoek betaald. Dat betekent dat zij voor de maand december 2023 begin januari 2024 in totaal € 900,- hadden betaald en nog € 300,- moesten betalen, aldus [gedaagden] Zij stellen verder dat zij vervolgens op 4 maart 2024 een bedrag van € 620,- per bankoverschrijving hebben betaald. Een deel van dat bedrag, te weten € 300,- zag op de achterstallige huur over de maand december 2023, het overige deel van € 320,- zag op de huursom voor maand februari 2024. Voor februari 2024 moest een bedrag van € 320,- betaald worden omdat het overige deel van € 880,- al was verrekend met de betaling voor de schoonmaakwerkzaamheden van [gedaagde 2] in februari. Volgens [gedaagden] heeft zij in februari elf keer voor [eiser] schoongemaakt voor een bedrag van € 80,- per keer (totaal € 880,-). Dat betekent volgens [gedaagden] dat zij op 4 maart 2024 de huur voor de maand december 2023 volledig hadden voldaan.
3.7.
[eiser] betwist niet dat de gestelde bankoverschrijvingen door [gedaagden] hebben plaatsgevonden of dat [gedaagde 2] schoonmaakwerkzaamheden verrichte, maar betwist wel dat de huur voor de maand december 2023 is betaald op de door [gedaagden] gestelde wijze. Volgens [eiser] zijn partijen niet overeengekomen dat het achterstallige deel van de huur voor de maand december 2023 op 4 maart 2024 betaald zou worden. Ook correspondeert het opgegeven aantal keren dat [gedaagde 2] heeft schoongemaakt volgens [eiser] niet met het schoonmaakrooster dat [gedaagden] als productie 2 bij de conclusie van antwoord hebben overgelegd en kan hij de berekening niet volgen.
3.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is met de door [gedaagden] overgelegde bewijsstukken en gegeven toelichting voldoende vast komen te staan dat de huur over de maand december is voldaan. Vaststaat dat [gedaagden] op 3 januari 2024 en 4 maart 2024 betalingen per bankoverschrijving hebben verricht. Omdat [eiser] de schoonmaakwerkzaamheden in december 2023 niet betwist, staat ook vast dat een bedrag van € 400,- is verrekend met de huur voor de maand december 2023. Verder hebben [gedaagden] toegelicht dat [gedaagde 2] in februari 2024 elf keer heeft schoongemaakt en daarom een bedrag van € 880,- met de huur voor februari moet worden verrekend. Dat zij die werkzaamheden heeft verricht volgt ook uit het Whatsapp-bericht van [gedaagde 3] aan [eiser] van 1 maart 2024 waarin onder andere het volgende is opgenomen:
“Mum worked 11 times this month”. [eiser] heeft daarop onder andere gereageerd
“Yeah your mum worked alot!”.Uit de Whatsapp-correspondentie volgt niet dat [eiser] op dat moment heeft aangegeven dat het door [gedaagde 3] opgegeven aantal onjuist was, hij beaamt juist dat [gedaagde 2] inderdaad vaak heeft gewerkt. Gelet op het voorgaande zijn [gedaagden] geslaagd in de bewijslevering en wordt de vordering van [eiser] tot betaling van € 400,- door [gedaagden] afgewezen.
Huur woning [adres 1]
3.9.
[eiser] vordert een bedrag van € 5.200,- voor de vervangende woonruimte die hij heeft gehuurd voor een periode van acht weken in april en mei 2024 omdat hij geen toegang had tot zijn woning. Ter onderbouwing heeft [eiser] bij de dagvaarding betalingsbewijzen en een pagina uit de huurovereenkomst overgelegd. Omdat [gedaagden] betwisten dat hij de woonruimte voor zichzelf heeft gehuurd en [eiser] maar één pagina uit de huurovereenkomst heeft overgelegd, heeft de kantonrechter [eiser] in het tussenvonnis toegelaten tot het leveren van (aanvullend) bewijs. [eiser] heeft bij zijn akte van 15 september 2025 de volledige ondertekende huurovereenkomst overgelegd. [eiser] heeft bij zijn akte van 17 september 2025 een videofragment overgelegd waarin de verhuurster, mevrouw [naam 1], een digitale rondleiding van de woning aan [eiser] geeft. Ook heeft [eiser] bij die akte Whatsapp-correspondentie tussen hem en [naam 1] overgelegd waaruit volgt dat [eiser] in ieder geval op 5 april 2024 in de woning was.
3.10.
[gedaagden] betwisten dat [eiser] de woning voor zichzelf heeft gehuurd. Volgens [gedaagden] heeft hij de woning gehuurd voor de heer [naam 2], een werknemer van het bedrijf van de broer van [eiser]. Zij verwijzen ter onderbouwing onder andere naar het document met de ‘Living Rules’ dat [eiser] op 4 april aan [gedaagden] heeft gestuurd. In die ‘Living Rules’ deelt [eiser] [gedaagden] mede dat vanaf 6 april 2024 een vriend, [naam 2], in de slaapkamer van [eiser] zal verblijven. Omdat [gedaagden] geen toegang hebben gegeven tot de woning heeft [eiser] op 5 april 2025 de huurovereenkomst met [naam 1] gesloten voor [naam 2]. [naam 1] heeft daaraan meegewerkt omdat [gedaagden] een zakelijk geschil met [naam 1] hebben waarvan [eiser] op de hoogte was, aldus [gedaagden]
3.11.
[eiser] heeft daarover bij het getuigenverhoor op vragen van [gedaagden] als volgt verklaard:
“(…) De heer [naam 2] was een werknemer van mijn broer, hij woonde bij mijn moeder en het plan was dat hij tijdelijk aan de [adres 2] zou gaan wonen. Dat is niet doorgegaan. Hij heeft niet aan de [adres 1] gewoond.
Ik heb de woning aan de [adres 1] gehuurd omdat ik aan de [adres 2] niet kon wonen en in mijn visie was afgesproken dat de familie er in april uit zou zijn. Ik wilde niet bij mijn moeder wonen.
In de loop van de tijd ben ik bekend geworden met een conflict tussen [naam 1] en [gedaagden] maar ik weet niet wanneer dat was. Ik heb het huis via booking.com uitgezocht; andere woningen waren duurder.”
3.12.
[gemachtigde] heeft als volgt verklaard:
“Ik ben de partner van de heer [eiser]. Ik was erbij toen hij de eerste keer de woning aan de [adres 1] betrok en heb hem op dat adres ook later bezocht. (…) Ik ben niet betrokken geweest bij de zoektocht van [eiser] naar een andere woning in Zwolle. Ik heb destijds wel met hem besproken dat ik het vrij duur vond maar er was geen alternatief. [eiser] zocht een woning die hij per direct kon betrekken en indien nodig voor onbepaalde tijd kon bewonen, omdat wij niet wisten wanneer hij weer in de woning aan de [adres 2] kon gaan wonen.”
Zij heeft ook verklaard:
“Ik ben aan de [adres 1] drie keer geweest nadat de heer [eiser] zijn intrek had genomen. (…) Nadat de huurovereenkomst aan de [adres 1] was beëindigd woonde mijn partner afwisselend bij zijn moeder en zijn broer”.
3.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] met de bankafschriften, de huurovereenkomst en de verklaring van [gemachtigde], die zijn eigen verklaring als getuige ondersteunt, nu voldoende aangetoond dat hij de woning aan de [adres 1] voor zichzelf heeft gehuurd. De stelling van [gedaagden] dat de woning voor [naam 2] is gehuurd, stuit hierop af en voor de juistheid van hun stelling is ook geen bewijs geleverd. Gelet op het voorgaande is [eiser] in de (aanvullende) bewijslevering geslaagd en wordt de vordering tot betaling van € 5.200,- toegewezen.
Conclusie
3.14.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eiser] tot betaling van € 406,45 en € 5.200,- worden toegewezen en de vordering tot betaling van € 400,- wordt afgewezen. Dat betekent dat [gedaagden] in totaal een bedrag van € 5.606,45 aan [eiser] moeten betalen.
3.15.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter neemt aan dat [gemachtigde] als gemachtigde geen vergoeding voor haar werkzaamheden bij [eiser] in rekening brengt omdat ze ook zijn partner is. Dat betekent dat [eiser] geen aanspraak kan maken op vergoeding van het salaris van zijn gemachtigde. De kantonrechter zal daarom alleen vergoeding van de reis-, verblijf- en verletkosten toewijzen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
138,22
- griffierecht
732,00
- reis-, verblijf- en verletkosten
100,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.037,72
3.16.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.606,45,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.037,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. de Haan en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.