In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser], eigenaar van een perceel kadastraal bekend gemeente [locatie], en de Gedeputeerde Staten van Overijssel (GS). Het geschil betreft een last onder dwangsom die aan [eiser] is opgelegd om 8.100 m2 aan bomen (elzen) te herplanten op zijn perceel. [eiser] is het niet eens met deze last, omdat hij van mening is dat de opgelegde herplantplicht meer inhoudt dan wat er oorspronkelijk op het perceel stond, wat zijn huidige agrarische gebruik onmogelijk maakt. Hij heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het college de last om te herplanten onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college opnieuw op het bezwaar van [eiser] moet beslissen, en schorst de herplantplicht in afwachting van een nieuw besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het beroep van [eiser] wordt gegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft ook bepaald dat GS het door [eiser] betaalde griffierecht moet vergoeden en dat GS in de proceskosten van [eiser] moet worden veroordeeld.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het opleggen van bestuursrechtelijke lasten en de noodzaak voor bestuursorganen om rekening te houden met de feitelijke situatie op het terrein.