ECLI:NL:RBOVE:2025:7048

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/08/340500 / FA RK 25-2802
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige omgangsregeling wegens ontbreken spoedeisend belang

De man verzocht de rechtbank om een voorlopige omgangsregeling met zijn minderjarige kind, waarbij hij eens per 14 dagen onbegeleid contact zou hebben. Hij stelde dat er eerder contact was en dat het belang van omgang groot is, ook omdat de moeder het contact zou belemmeren. De vrouw voerde verweer dat sinds november 2022 geen contact meer was geweest en dat er geen nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Tevens wees zij op de problematiek van de man, zoals verslavingen en gebrek aan pedagogische kwaliteiten.

De rechtbank nam kennis van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en stelde vast dat er een bodemprocedure loopt waarin een bijzondere curator is benoemd om een standpunt in te nemen over het afstammingsverzoek. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering, maar dat de man geen spoedeisend belang heeft omdat er al jaren geen contact is geweest.

Verder werd geoordeeld dat het advies van de bijzondere curator en de uitkomst van de bodemprocedure moeten worden afgewacht, omdat deze bepalend zijn voor de juridische grondslag van het omgangsverzoek. De rechtbank kon daarom niet vooruitlopen op het verzoek en wees het af. De beschikking werd uitgesproken op 11 december 2025 door mr. C.W. Couperus-van Kooten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige omgangsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/340500 / FA RK 25-2802
beschikking van 11 december 2025
inzake
[de man],
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker,
advocaat: mr. B. Eijgelsheim,
en
[de vrouw],
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
belanghebbende,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 4 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door mr. Eijgelsheim;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Aarnoudse, en
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.De feiten

2.1.
Uit de vrouw is geboren het navolgende minderjarige kind:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2021, hierna te noemen: [minderjarige] .
2.2.
De vrouw is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw.
2.3.
De man, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.4.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bekend onder het zaaknummer C/08/337723 / FA RK 25-2208. In deze procedure is bij beschikking van 21 oktober 2025 is mr. [curator] als bijzondere curator benoemd over [minderjarige] en is de bijzondere curator verzocht binnen zes weken verslag uit te brengen en een standpunt in te nemen over het afstammingsverzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, als provisionele voorziening:
te bepalen dat [minderjarige] eens per 14 dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 15:00 uur onbegeleid contact heeft met de man, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer bij haar terugbrengt, althans een voorlopige omgangsregeling te bepalen als de rechtbank meent dat juist is.
3.2.
Ter onderbouwing stelt de man dat hij het van groot belang vindt dat er omgang gaat plaatsvinden tussen hem en [minderjarige] tijdens de bodemprocedure. Volgens de man kwam [minderjarige] met enige regelmaat bij hem over de vloer en had zij toen ook contact met haar broers en zussen. Volgens hem weet [minderjarige] dat hij haar vader is. Het biologisch vaderschap heeft de vrouw nooit ontkend. Als de nauwe persoonlijke betrekking niet meer aanwezig zou zijn, is dat omdat de vrouw [minderjarige] weghoudt bij de man. De problematiek speelt zich meer op ex-partnerniveau af dan dat de man geen goede vader zou zijn. De man begrijpt dat vanwege het tijdsverloop zorgvuldig moet worden gekeken naar de omgang en staat open voor begeleide omgang als dat nodig is.

4.Het verweer

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd. Primair stelt zij dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek omdat er sinds november 2022 geen enkel contact meer is geweest tussen de man en [minderjarige] . Tot half november 2022 zijn er sporadisch korte contactmomenten geweest op momenten dat het de man uitkwam. Daarbij was geen sprake van een band en opvoeding. Naar de mening van de vrouw is er geen sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en de man. De vrouw praat thuis ook niet over de man. De vrouw stelt dat de belangen van [minderjarige] zich tegen het contact met de man verzetten vanwege de alcohol- en cocaïneverslaving van de man en het gebrek aan pedagogische kwaliteiten bij de man.

5.Het advies van de raad

De raad adviseert het advies van de bijzondere curator in de bodemprocedure af te wachten en wil niet hierop vooruitlopen.

6.De beoordeling

6.1.
Op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering. Met voorziening wordt, net als bij een kort geding, bedoeld een ordemaatregel die bestaat in een bevel een handeling te verrichten dan wel na te laten. Genoemd artikel is van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan het vereiste dat een hoofdvordering is ingesteld. In die procedure verzoekt de man hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen, hem samen met de vrouw met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten en een omgangsregeling vast te stellen.
6.3.
Verder stelt de rechtbank vast dat is voldaan aan het vereiste dat de voorlopige voorziening voldoende samenhang heeft met de hoofdvordering.
6.4.
Toewijzing van het verzoek van de man is slechts mogelijk indien één of beide partijen daarbij een voldoende (spoedeisend) belang heeft. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de man geen spoedeisend belang bij zijn verzoek omdat er sinds november 2022 al geen contact tussen [minderjarige] en de man is. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het advies van de bijzondere curator in de bodemprocedure over het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning en de beslissing van de rechtbank op dit verzoek moet worden afgewacht omdat dit gevolgen heeft voor de juridische grondslag voor het verzoek van de man tot het vaststellen van een (voorlopige) omgangsregeling. De rechtbank kan hierop niet vooruitlopen zal daarom het verzoek van de man afwijzen.

7.De beslissing voor de duur van het geding

De rechtbank:
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. Couperus-van Kooten en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.