ECLI:NL:RBOVE:2025:7002

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/08/335394 / HA ZA 25-223
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:754 BWArt. 7:764 BWArt. 6:74 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en verrekening na opzegging aannemingsovereenkomst verbouwing woning

Partij A heeft in opdracht van partij B het huis van partij B verbouwd. Partij A stelt dat partij B de aannemingsovereenkomst heeft opgezegd en vordert betaling van het bedrag waarop zij recht heeft. Partij B betwist de opzegging en stelt dat hij een omzettingsverklaring heeft uitgebracht, waardoor hij niets verschuldigd zou zijn. Tevens voert partij B een tegenvordering in reconventie aan wegens gebrekkige uitvoering en maakt een beroep op verrekening.

De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst van aanneming van werk is gesloten en dat partijen nadere afspraken maakten over een resterend bedrag van € 26.000 voor de laatste werkzaamheden. Uit e-mailcorrespondentie en gedragingen van partij B volgt dat hij de overeenkomst heeft opgezegd, niet slechts een omzettingsverklaring heeft gedaan. Op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro moet partij B de totale aanneemsom betalen minus de besparingen die partij A heeft door de opzegging.

De besparingen betreffen materiaalkosten en arbeidsuren. De rechtbank oordeelt dat partij A niet volledig aan haar mededelingsplicht heeft voldaan over de materiaalkosten, waardoor wordt uitgegaan van de door A2 Experts berekende besparingen minus opslag. Over de arbeidskosten wordt een uurtarief van € 58 gehanteerd. Partij B kan een deel van zijn tegenvordering verrekenen, namelijk de herstelkosten van gebrekkige werkzaamheden, rendementsverlies zonnepanelen en de helft van de expertisekosten.

De rechtbank wijst de vordering van partij A toe tot een bedrag van € 4.044,64, te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeelt partij B in de proceskosten. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke vereisten. De tegenvordering van partij B wordt niet inhoudelijk behandeld vanwege de geslaagde verrekening.

Uitkomst: Partij B moet aan partij A € 4.044,64 betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/335394 / HA ZA 25-223
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[partij A] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. E. Nijhoff
tegen

1.[partij B 1],

wonende in [woonplaats 1],
2.
[partij B 2],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B],
advocaat: mr. M. Struik.

1.De zaak in het kort

1.1.
[partij A] heeft in opdracht van [partij B] het huis van [partij B] (deels) verbouwd. Volgens [partij A] heeft [partij B] de aannemingsovereenkomst tussen partijen op enig moment opgezegd. In deze procedure vraagt [partij A] om betaling van het bedrag waarop zij gezien die opzegging recht heeft. [partij B] vindt dat hij de aannemingsovereenkomst niet heeft opgezegd, maar dat hij een omzettingsverklaring heeft uitgebracht. [partij B] meent dan ook niets verschuldigd te zijn aan [partij A]. Daarnaast vindt [partij B] dat hij een tegenvordering heeft op [partij A], en doet in dat kader een beroep op verrekening, onder andere omdat een deel van de werkzaamheden door [partij A] gebrekkig is uitgevoerd.
1.2.
De rechtbank is kort gezegd van oordeel dat [partij B] de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst heeft opgezegd. De wet bepaalt in dat geval dat [partij B] de totale aanneemsom moet betalen, minus de besparingen die [partij A] door de opzegging heeft gehad. Dit betekent dat de vordering van [partij A] voor een deel zal worden toegewezen. Het beroep op verrekening door [partij B] slaagt deels.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 26 juni 2025,
- de conclusie van antwoord, met daarin een (voorwaardelijke) eis in reconventie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- spreekaantekeningen aan de kant van [partij B]
2.2.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat op 3 december 2025 uitspraak zal worden gedaan.

3.De feiten

3.1.
Op 15 november 2023 heeft [partij A] een offerte naar [partij B] gestuurd voor de verbouwing van de woning van [partij B] in Oldemarkt. De offerte heeft een totaalbedrag van € 118.090,18 inclusief btw. Deze offerte is door [partij B] geaccepteerd.
3.2.
[partij A] is op 15 januari 2024 begonnen met de werkzaamheden aan de woning van [partij B]
3.3.
In de periode januari 2024 tot en met juni 2024 heeft [partij A] voor haar werkzaamheden zes facturen naar [partij B] gestuurd, voor in totaal een bedrag van € 110.569,19. [partij B] heeft deze facturen betaald.
3.4.
Op 14 juli 2024 heeft [partij B] via WhatsApp het volgende bericht naar [partij A] gestuurd:

[naam 1][rechtbank: [naam 1], medewerker bij [partij A]]
, jouw lijstje is niet compleet. Hieronder wat er nog moet gebeuren. Inmiddels accepteren we alle uitloop.(…)
We hebben er niet veel vertrouwen meer in dat in week 30 alles rond is. Daarvoor zijn de toezeggingen simpelweg te vaag.(…)
We gaan de laatste facturen pas betalen als alles af is en we overeenstemming hebben over het eindbedrag.” (…)
3.5.
Vervolgens vindt er een e-mailwisseling tussen partijen plaats, waarin met name de kosten van de nog te verrichten werkzaamheden worden besproken. Hierin geeft [partij A] onder meer aan dat zij de werkzaamheden tijdelijk stillegt, totdat het nog te betalen bedrag en de verdere afwikkeling duidelijk wordt. In een e-mailbericht van 19 juli 2024 van [partij B] aan [partij A], met daarin een voorstel voor de (financiële) afwikkeling van de werkzaamheden, staat onder meer het volgende:

Wanneer [partij A] hier niet mee akkoord kan of wil gaan stellen we voor om tafel te gaan zitten om te bespreken hoe we de overeenkomst kunnen beëindigen en te bepalen op welk bedrag [partij A] dan nog recht heeft.
3.6.
Op 22 juli 2024 heeft er een overleg tussen partijen plaatsgevonden. Partijen zijn het eens geworden over een door [partij B] te betalen eindbedrag van € 26.000,00 inclusief btw, voor de laatste door [partij A] te verrichten werkzaamheden.
3.7.
[partij A] heeft op 23 juli 2024 een factuur naar [partij B] gestuurd met een bedrag van € 26.000,00. In de omschrijving van de factuur staat onder meer het volgende:

Hierbij brengen wij u in rekening:
Rest factuur offerte 0.2023-11-169/0.2024-05-183 + Meerwerk
Conform afspraak laatste betaling €26.000 incl BTW hiervan brengen wij nu 100% in rekening*
* 5% van €26.000 mag betaald worden na akkoord vd puntenlijst (zie bericht whatsapp 14-7-2024)
(…)
Betaling binnen 14 dagen na factuurdatum € 24.700,00
* 5% van €26.000 mag betaald worden na akkoord vd puntenlijst € 1 .300,00
3.8.
[partij B] heeft de factuur van [partij A] van 23 juli 2024 niet betaald.
3.9.
Op 5 augustus 2024 heeft [partij B] een e-mail naar [partij A] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:

Hierbij stel ik [partij A] in gebreke met betrekking tot het niet tijdig en niet deugdelijk uitvoeren van de overeengekomen verbouwing van de woning aan [adres].
- De zonnepanelen zijn gemonteerd maar leveren geen stroom.
- Er is geen instructie ontvangen hoe met de PV-installatie om te gaan.
- De inverter is zodanig ingebouwd dat deze niet toegankelijk is.
- Werkzaamheden volgens bijgaande lijst zijn niet of onvolledig uitgevoerd maar al wel gefactureerd.
- Volgens opgave op een “kladje” (zie bijlage) zouden de werkzaamheden week 17 gereed zijn.
Volgens uw voorlopige planning niet eerder dan 4 maand later.
Wij geven u tot uiterlijk 7 september de tijd om de werkzaamheden goed uitgevoerd af te ronden. Waarna we de Laatste termijn factuur van €26000 overmaken.
N.b. Volgens AVA consumenten 2023: art. 13 1. Als de aannemer het werk of onderdelen daarvan niet volgens afspraak uitvoert, mag u de betaling van een of meerdere facturen (gedeeltelijk) uitstellen.
Het bedrag dat wij nu achterhouden staat in redelijke verhouden tot de nog niet uitgevoerde werkzaamheden volgens bijgaande lijst.
Uw reactie zijn we uiterlijk morgenmiddag voor 12 uur tegemoet.
3.10.
[partij B] heeft op 6 augustus 2024 de volgende e-mailberichten naar [partij A] gestuurd:
Om 13:03 uur

Je hebt niet gereageerd op onze ingebrekestelling. Ik stel voor de opdracht bij deze te annuleren.
En om 15:44 uur

Voor jouw info en omdat je niet inhoudelijk gereageerd hebt op onze ingebrekestelling gaan we nu op zoek naar iemand die onze verbouwing wel tijdig, volledig en goed uitgevoerd kan afmaken.
3.11.
Op 4 september 2024 heeft [partij A] een e-mail naar [partij B] gestuurd, waarin kort gezegd staat dat de werkzaamheden bijna klaar zijn en dat er speciaal voor het project materialen zijn aangeschaft. [partij A] vraagt verder in deze e-mail aan [partij B] welke oplossing hij ziet.
3.12.
Bij e-mail van 9 september 2024 aan [partij B] heeft (de gemachtigde van) [partij A] zich namens [partij A] – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat [partij B] de aannemingsovereenkomst heeft opgezegd en heeft [partij A] een voorstel gedaan voor de afwikkeling.
3.13.
Vervolgens heeft een e-mailwisseling tussen (de gemachtigden van) partijen plaatsgevonden, waarbij partijen hebben geprobeerd om tot een oplossing te komen. Er is geen overeenstemming tussen partijen bereikt.
3.14.
[partij B] heeft A2 Experts gevraagd om te onderzoeken welke werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd en wat de kosten van die werkzaamheden zijn, als ook welke werkzaamheden gebrekkig zijn en welke kosten herstel daarvan met zich brengen. Tijdens de inspectie op 18 oktober 2024 waren de heer [naam 3], eigenaar van [partij A], en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), bouwdeskundige ingeschakeld door [partij A], aanwezig.
3.15.
[partij A] heeft [naam 2] gevraagd om op een conceptrapportage van A2 Experts te reageren, en om een berekening te maken van een afrekening uitgaande van een opzegging van de aanneemovereenkomst door [partij B] [naam 2] heeft op 15 november 2024 een rapportage uitgebracht.
3.16.
A2 Experts heeft op 26 november 2024 een definitief rapport van haar bevindingen uitgebracht.
3.17.
Bij e-mail van 28 november 2024 heeft [partij B] een voorstel gedaan voor afwikkeling van de aannemingsovereenkomst. Bij brief van 8 januari 2025 heeft [partij A] gereageerd op de e-mail van [partij B] [partij A] heeft zich in deze brief op het standpunt gesteld dat [partij B] de aannemingsovereenkomst heeft opgezegd, en heeft zij [partij B] gesommeerd om tot betaling van een bedrag van € 29.856,20 over te gaan.
3.18.
Inmiddels heeft [partij B] de werkzaamheden aan zijn woning door een derde laten afmaken.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
[partij A] vordert – samengevat – primair veroordeling van [partij B] tot betaling van een bedrag van € 29.856,20 en subsidiair een bedrag van € 26.000,00, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4.2.
[partij B] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In (voorwaardelijke) reconventie
4.4.
[partij B] vordert voorwaardelijk, voor het geval zijn beroep op verrekening niet opgaat dan wel zijn vordering die van [partij A] te boven gaat – samengevat – veroordeling van [partij A] tot betaling van een bedrag van € 29.188,82 aan schadevergoeding en een bedrag van € 1.149,50 aan expertisekosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder vraagt [partij B] om veroordeling van [partij A] tot het leveren van materialen ter zake alle niet uitgevoerde werkzaamheden, op straffe van een dwangsom.
4.5.
[partij A] voert verweer.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
Opzegging of ingebrekestelling en een omzettingsverklaring?
5.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zij een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten, zoals bedoeld in artikel 7:750 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder staat tussen partijen vast dat zij, nadat discussie was ontstaan over de voortgang van het werk en de betaling van facturen, op 22 juli 2024 nadere afspraken hebben gemaakt. Die afspraken hielden kort gezegd in dat [partij B] voor de op dat moment nog uit te voeren werkzaamheden door [partij A], inclusief meerwerk, een bedrag van € 26.000,00 aan [partij A] verschuldigd was. Een opleverdatum voor de op dat moment nog uit te voeren werkzaamheden zijn partijen niet overeengekomen.
5.2.
De primaire vordering van [partij A] is gebaseerd op de stelling dat [partij B 1] de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst heeft opgezegd. [partij B 1] heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens [partij B] moet zijn tweede e-mail van 6 augustus 2024 worden gelezen als een omzettingsverklaring, een verklaring waarin hij aangeeft dat hij niet langer nakoming van de overeenkomst verlangd, maar vergoeding van de door hem geleden schade.
5.3.
Vooropgesteld wordt dat de vraag of er sprake is van een opzegging moet worden beantwoord aan de hand van de gedragingen en verklaringen van [partij B] (zie artikel 3:33 en Pro 3:35 BW). Een dergelijke opzegging kan zowel uitdrukkelijk gebeuren, als blijken uit het feitelijk handelen van de opdrachtgever, in dit geval [partij B] Wat betreft een omzettingsverklaring zoals bedoel in artikel 6:87 BW Pro geldt dat voor een dergelijke verklaring geen formele bewoordingen nodig zijn, maar dat iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser (in dit geval [partij B]) schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, voldoende is.
5.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Om te beginnen staat in het e-mailbericht van 6 augustus 2024 niet met zoveel woorden dat [partij B] in plaats van nakoming een vervangende schadevergoeding vordert, zoals artikel 6:87 BW Pro voorschrijft. Dat [partij B] aanspraak maakte op schadevergoeding had toch in ieder geval in de verklaring opgenomen mogen zijn [zie de arresten van de Hoge Raad van 2 december 2026, ECLI:NL:HR:2016:2730 (r.o. 3.5.2.) en van 5 juli 2024, ECLI:NL:
HR:2024:1028 (r.o. 4.2.2)]. Maar het bericht kan ook niet worden uitgelegd zoals [partij B] voorstaat, namelijk als een omzettingsverklaring. Op 5 augustus 2024 heeft [partij B] een e-mail naar [partij A] gestuurd waarin hij stelt dat [partij A] de werkzaamheden niet tijdig en ondeugdelijk heeft uitgevoerd, en stelt [partij B] aan [partij A] een termijn om de werkzaamheden goed af te ronden, als ook een korte termijn (minder dan 24 uur) om op dit bericht te reageren. Een dag later op 6 augustus 2024, kort na het verstrijken van de door [partij B] gestelde reactietermijn, heeft [partij B] een e-mail naar [partij A] gestuurd waarin hij onder meer schrijft: “
Ik stel voor de overeenkomst bij deze te annuleren.” Hoewel dit bericht als een voorstel kan worden gelezen, is de rechtbank van oordeel dat de formulering “bij deze annuleren” op geen andere manier kan worden uitgelegd dan dat [partij B] kennelijk de wens had de aannemingsovereenkomst per direct te beëindigen. Diezelfde dag, enkele uren later, volgt een e-mail van [partij B] waarin hij aangeeft dat omdat [partij A] niet op zijn e-mail van 5 augustus 2024 gereageerd heeft, hij op zoek gaat naar iemand die de verbouwing kan afmaken. De rechtbank is van oordeel dat in dat tweede bericht van [partij B], na het eerdere bericht met daarin de bewoording “annuleren”, de bevestiging van de opzegging van de aannemingsovereenkomst besloten ligt, door de mededeling dat [partij B] op zoek gaat naar een ander om de werkzaamheden af te maken. [partij A] mocht uit deze berichten dan ook afleiden dat [partij B] de aannemingsovereenkomst had opgezegd. Voor dit oordeel is verder ook nog van belang dat [partij B], in zijn e-mailbericht aan [partij A] van 19 juli 2024, al eerder de beëindiging van de aannemingsovereenkomst heeft genoemd, waarbij volgens [partij B] in dat geval gekeken zou moeten worden op welk bedrag [partij A] nog recht zou hebben. Dat bericht wijst ook in de richting van een opzegging. De rechtbank volgt [partij B] dan ook niet, waar deze verklaart dat hij die berichten stuurde in een uiterste poging om [partij A] in beweging te krijgen.
Gevolgen opzegging: aanneemsom minus besparingen
5.5.
Omdat [partij B] de overeenkomst met [partij A] heeft opgezegd, geldt op grond van art. 7:764 lid 2 BW Pro dat [partij B] gehouden is om de voor het gehele werk geldende prijs aan [partij A] te betalen, verminderd met de besparingen die voor [partij A] uit de opzegging voortvloeien. Uit vaste jurisprudentie volgt dat [partij B] de stelplicht en bewijslast heeft van het bestaan en de omvang van die besparingen, en dat op [partij A] in dit verband een belangrijke mededelingsplicht rust. De aannemer (in dit geval [partij A]) moet ter motivering van de betwisting van de stellingen van de opdrachtgever (in dit geval [partij B]) feitelijke gegevens verstrekken om zo de opdrachtgever aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te geven. Het is immers de aannemer die de beschikking heeft over de feitelijke gegevens die voor de berekening van de besparingen nodig zijn.
5.6.
Over de totale door [partij B] verschuldigde aanneemsom zijn partijen het eens. Dat is de optelsom van hetgeen [partij B] tot 22 juli 2024 aan [partij A] had betaald, een bedrag van € 110.569,19, plus de op 22 juli 2024 overeengekomen resterende aanneemsom, een bedrag van € 26.000,00. De totale aanneemsom komt daarmee op een bedrag van € 136.569,19.
5.7.
Over de besparingen voor [partij A] die uit de opzegging voortvloeien, zijn partijen het niet geheel eens. Beide partijen verwijzen naar wat hun deskundigen daarover hebben gezegd. De besparingen worden hierna besproken, als ook de vraag of rekening moet worden gehouden met een opslag daarover.
Algemene kosten, risico, winst en CAR-polis
5.8.
In de berekening van de besparingen van [partij B] is door zijn deskundige A2 Experts een opslag gehanteerd voor algemene kosten (7%), risico (10%), winst (3%) en CAR-polis (3%). Door [partij A] is betwist dat deze opslag in de berekening van de besparingen moet worden meegenomen, omdat deze niet in de overeenkomst tussen partijen is opgenomen.
5.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit deze wijze van afrekenen, namelijk na opzegging op de voet van artikel 7:764 lid 2 BW Pro, volgt dat de aannemer in beginsel aanspraak kan maken op de opslag voor winst over de gehele prijs. Waarom daar in dit geval van zou moeten worden afgeweken is niet door [partij B] gesteld, en evenmin gebleken. Of ook de opslagen voor algemene kosten en risico in aanmerking komen, is afhankelijk van de vraag of daar in het concrete geval op bespaard is. Indien nog niet met de uitvoering van het werk is aangevangen, zal de opslag voor risico onder de besparingen vallen. In dit geval heeft [partij A] de werkzaamheden voor het grootste gedeelte verricht (daargelaten of zij dit deugdelijk heeft gedaan). Dat betekent dat de opslag voor algemene kosten en risico in beginsel niet onder de besparingen vallen. Ook hiervoor geldt dat niet gesteld of gebleken is waarom van in dit geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Wat betreft de CAR-polis heeft [partij A] gesteld dat zij dit niet in rekening heeft gebracht bij [partij B] Gelet daarop heeft [partij B] onvoldoende onderbouwd waarom dit een besparing oplevert voor [partij A].
5.10.
Gelet op het voorgaande zal bij de berekening van de besparingen van [partij A] geen opslag voor algemene kosten, risico, winst en CAR-polis worden meegenomen.
Materiaalkosten
5.11.
A2 Experts heeft berekend dat [partij A] een besparing heeft op de materiaalkosten van € 14.087,95 inclusief btw. [partij A] heeft dit betwist en heeft in dat kader aangevoerd dat zij nagenoeg alle materialen die zij voor het afronden van de werkzaamheden nog nodig had al had aangeschaft, op 5% na. Omdat zij deze materialen specifiek voor de werkzaamheden voor [partij B] c.s. heeft aangeschaft, en dus niet op andere projecten kan gebruiken, levert dit volgens [partij A] nagenoeg geen besparing op. Bij de berekening van de 5% aan materialen die [partij A] nog had moeten aanschaffen is zij uitgegaan van het door A2 Experts berekende bedrag aan materiaalkosten. Volgens [partij A] is haar besparing aan materiaal een bedrag van € 704,40 inclusief btw.
5.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen rust op [partij A] een belangrijke mededelingsplicht ten aanzien van de besparingen. De rechtbank is van oordeel dat [partij A] op dit punt niet volledig aan haar mededelingsplicht heeft voldaan. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De deskundige van [partij A], [naam 2], heeft in zijn reactie op het (concept)rapport van A2 Experts enkel gesteld dat nagenoeg alle materialen al door [partij A] zijn ingekocht en dat deze niet op andere projecten gebruikt kunnen worden. Ditzelfde standpunt is door [partij A] ingenomen in de conclusie van antwoord in reconventie. Pas op de zitting heeft [partij A], ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de al aangeschafte materialen niet voor andere projecten kan gebruiken, aangevoerd dat het onder meer gaat om een specifiek type hout voor gevelbekleding, namelijk ‘Platowood’, en om op maat gemaakte kozijnen. Hiermee heeft [partij A] [partij B] te weinig, en vooral te laat, aanknopingspunten gegeven om op dit punt nader bewijs te kunnen leveren. Daarmee heeft [partij A] aldus niet aan haar mededelingsplicht voldaan, zodat van het door A2 Experts begrote bedrag aan besparingen op materiaal zal worden uitgegaan, minus de opslagen. Die opslagen zijn in totaal 23%. Dat betekent dat de besparingen op materiaal uitkomen op een bedrag van € 10.847,72 (€ 14.087,95 x 0,77).
Arbeidskosten
5.13.
Partijen verschillen van mening over het aantal manuren dat [partij A] heeft bespaard als gevolg van de opzegging, als ook over het uurtarief waarmee gerekend moet worden. A2 Experts is in haar berekening uitgegaan van 129,24 uur aan besparing, tegen een uurtarief van € 58,00 exclusief btw. De deskundige van [partij A] gaat uit van een besparing van 16,67 uur minder dan A2 Experts, oftewel 112,57 uur, tegen een (gemiddeld) uurtarief van € 33,83.
5.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Door (de deskundige van) [partij A] is onweersproken gesteld dat het voor de nog uit te voeren werkzaamheden niet nodig is om steigers te plaatsen, en heeft daarvoor 12,67 uur begroot. Gelet daarop gaat de rechtbank uit van een besparing van 112,57 uur.
5.15.
Wat betreft het uurtarief overweegt de rechtbank als volgt. [partij A] heeft aangevoerd dat zij naast volwaardige timmermannen ook met aspirant timmermannen werkt, en dat daarom van een gemiddeld uurloon van € 33,83 moet worden uitgegaan. Ter onderbouwing hiervan heeft [partij A] facturen overgelegd. [partij B] heeft gemotiveerd betwist dat van dat lagere uurtarief moet worden uitgegaan, door te stellen dat de door [partij A] overgelegde facturen niet op de werkzaamheden zien waar het in deze procedure om gaat, en omdat [partij B] ervan uit mag gaan dat de werkzaamheden door volwaardige vaklieden wordt verricht. Hierop heeft [partij A] haar standpunt niet nader onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg lag. Gelet daarop zal de rechtbank wat deze besparing betreft uitgaan van een uurtarief € 58,00, en dus van een totale besparing aan arbeidskosten van € 6.529,06 (112,57 uren maal het uurtarief van € 58,00).
Overige kosten
5.16.
In de rapportage van [naam 2] staat dat in de opstelling van de aanneemsom en de besparingen verschillende kosten niet opgenomen zijn. Het gaat om de kosten samenhangend met een door de opzegging ontstaan overschot aan vaklieden, die niet elders in te zetten waren [partij B] (€ 2.129,60), incassokosten (€ 1.022,00), kosten van de opstelling van de afrekening (€ 1.161,60) en renteverlies (€ 494,10) vanwege onbetaalde facturen. Naar het oordeel van de rechtbank spelen deze kosten geen rol bij het bepalen van de hoogte van het bedrag dat [partij B] op grond van artikel 7:754, tweede lid, BW aan [partij A] moet betalen, nu zij geen deel uitmaken van ‘de voor het gehele werk geldende prijs’ en evenmin van invloed zijn op de relevante besparingen. Hierna komen de rente en de incassokosten nog aan de orde.
Verrekening?
5.17.
[partij B] heeft een beroep gedaan op verrekening. Daartoe heeft [partij B] aangevoerd dat A2 Experts heeft berekend dat aan hem een bedrag van € 25.185,21 aan niet uitgevoerde werkzaamheden toekomt, wegens gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden een bedrag van € 3.673,61 en een bedrag van € 330,00 vanwege rendementsverlies van zonnepanelen. Verder heeft [partij B] aanspraak gemaakt op de kosten voor het opstellen van het rapport van A2 Experts, een bedrag van € 1.149,50. De rechtbank begrijpt [partij B] aldus dat deze vordering is gebaseerd op artikel 6:74 BW Pro, een toerekenbare tekortkoming in de nakoming (wanprestatie).
5.18.
De rechtbank overweegt als volgt. Gezien de opzegging van de aannemingsovereenkomst door [partij B] kan alleen schade die een direct gevolg is van een wanprestatie met betrekking tot het werk dat door de aannemer vóór de opzegging werd verricht, voor vergoeding in aanmerking komen. [1] Dit betekent allereerst dat de gevorderde schadevergoeding voor niet uitgevoerde werkzaamheden niet aanmerking kunnen worden genomen. De kosten van herstel van gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden komen wel in aanmerking. A2 Experts heeft de kosten van herstel begroot op een bedrag van € 3.673,83 inclusief btw. [partij A] heeft, weliswaar in het kader van de berekening van de hoogte van de vervangende schadevergoeding, ook de herstelkosten begroot. Volgens [partij A] bedragen de herstelkosten € 3.351,41 inclusief btw. De rechtbank is van oordeel dat [partij A], althans haar expert, onvoldoende heeft onderbouwd op basis waarvan zij op een (iets) lagere begroting van de herstelkosten uitkomt. Er is door [partij A] enkel een andere berekening gemaakt, zonder toelichting. Dat is gezien de uitgebreide onderbouwing van de herstelwerkzaamheden en de kosten die daarbij horen door A2 Experts, onvoldoende. Gelet daarop gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 3.673,83 aan herstelkosten.
5.19.
Wat betreft het rendementsverlies van de zonnepanelen overweegt de rechtbank als volgt. [partij B] heeft gesteld dat [partij A] de zonnepanelen gebrekkig heeft geplaatst, waardoor hij een rendementsverlies van € 330,00 heeft geleden. Het gebrekkig plaatsen van de zonnepanelen is door [partij A] niet betwist, evenmin het door A2 Experts berekende rendementsverlies.
5.20.
Dan de kosten van A2 Experts. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] een deel van de werkzaamheden gebrekkig heeft uitgevoerd, en dat zij daarom herstelkosten als schadevergoeding aan [partij B] verschuldigd is. Dat maakt dat [partij B] aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten voor het vaststellen van de schade, op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. Die kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt, daarnaast moeten die kosten qua omvang redelijk zijn. Aan die twee vereisten, de zogeheten dubbele redelijkheidstoets, is naar het oordeel van de rechtbank deels voldaan. [partij B] meende dat een deel van de werkzaamheden niet goed door [partij A] was uitgevoerd, en had daarom aanleiding om een deskundige in te schakelen. Echter ziet een aanzienlijk deel van het onderzoek van A2 Experts niet op de gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden van [partij A], maar onder meer op de nog niet uitgevoerd werkzaamheden. Gelet daarop zal de rechtbank de helft van de kosten van A2 Experts, een bedrag van € 574,75, toerekenen aan de beoordeling van gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden.
5.21.
Nu voor verrekening van de drie genoemde bedragen voldaan is aan de eisen van artikel 6:127 BW Pro zal de rechtbank genoemde bedragen verrekenen met het bedrag dat [partij B] nog aan [partij A] dient te betalen.
Conclusie
5.22.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een bedrag van € 4.044,64 toewijzen. Dat is de uitkomst van de volgende berekening. Op de totale aanneemsom, € 26.000,00, zijn eerst de hiervoor opgesomde besparingen (€ 10.847,72 aan materiaalkosten en € 6.529,06 aan arbeidskosten) in mindering te brengen. Van de uitkomst daarvan, een bedrag van € 8.623,22, wordt vervolgens de som van de te verrekenen bedragen (€ 3.673,83 + € 330,00 + € 574,75), afgetrokken. Het eindbedrag is dan € 8.623,22 -/- € 4.578,58 = € 4.044,64. Over dat bedrag dient [partij B] wettelijke rente te betalen op en wijze zoals onder de beslissing vermeld.
5.23.
Nu de primaire vordering van [partij A] (gedeeltelijk) wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering van [partij A].
Buitengerechtelijke incassokosten
5.24.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [partij B] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [partij A] heeft aan [partij B] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld en er geen betalingstermijn van veertien dagen is gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [partij B] Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
5.25.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
121,02
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.866,02
Hoofdelijke veroordeling
5.26.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
In (voorwaardelijke) reconventie
5.27.
Aangezien het beroep op verrekening van [partij B] (deels) slaagt, is niet aan de voorwaarde waaronder de tegenvordering is ingesteld voldaan. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde vorderingen. De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 4.044,64, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.866,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In voorwaardelijke reconventie
6.5.
verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft,
6.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op
3 december 2025. (wv)

Voetnoten

1.Zie het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 14 december 1979, ECLI:NL:GHSHE: