In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker had een aanvraag gedaan voor bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en voor bedrijfskapitaal van €150.000,- op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle had deze aanvraag en het daaropvolgende bezwaar afgewezen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat bij financiële geschillen doorgaans geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald. Verzoeker stelde dat hij sinds 2023 geen inkomen meer ontvangt en zijn vaste lasten niet meer kan betalen, maar heeft dit niet onderbouwd met bankafschriften of andere documenten ondanks meerdere verzoeken daartoe.
Daarom concludeerde de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbrak en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.