De rechtbank Overijssel behandelde de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen de man en de vrouw na hun echtscheiding. De peildatum voor de omvang van de gemeenschap was 21 november 2024, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. De waardering van de goederen werd vastgesteld op de datum van de beschikking, tenzij anders redelijk was.
Er was onenigheid over de waarde van de auto, de aanwezigheid van inboedel, smartengeld en mogelijke benadeling van de gemeenschap. De rechtbank stelde vast dat de banksaldi gelijk verdeeld moesten worden, maar dat de vrouw geen bewijs had geleverd voor het bestaan van smartengeld of benadeling. De auto werd toegewezen aan de vrouw tegen een gemiddelde waarde van €10.850, met verrekening van €5.425 aan de man.
De man had onvoldoende onderbouwing voor het bestaan van nog te verdelen inboedel en smartengeld. De pensioenrechten worden volgens de wettelijke vereveningsregeling afgewikkeld. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en stelde de verdeling uitvoerbaar bij voorraad vast.