ECLI:NL:RBOVE:2025:6885

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
08-263137-21 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en bedreiging in vereniging

Op 1 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een vonnis uitgesproken in de zaak tegen een 37-jarige man, die samen met een medeverdachte op 28 september 2021 in Enschede een woning is binnengegaan en daarbij geweld heeft gebruikt tegen de bewoner, [slachtoffer]. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachte de voordeur van de woning hebben ingeslagen en de bewoner onder bedreiging met een pistool hebben vastgehouden. De verdachte heeft de telefoon van de bewoner gestolen. De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van de bewoner betrouwbaar zijn en dat het geweld en de bedreiging met geweld wettig en overtuigend bewezen zijn. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schadevergoeding aan de benadeelde partij, die is vastgesteld op € 1.500,00 voor immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-263137-21 (P)
Datum vonnis: 1 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede , naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
28 september 2021 in Enschede , al dan niet samen met een ander, met (bedreiging van) geweld spullen van [slachtoffer] heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 28 september 2021 te Enschede , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te begeven,
- ( vervolgens) met een steen en/of een bijl, althans met een hard voorwerp het raam van de (voor)deur in te slaan,
- ( vervolgens) de woning van voornoemde [slachtoffer] te betreden,
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] (in haar slaapkamer) aan haar arm(en) (uit haar bed) te trekken,
- ( vervolgens) een pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen het been, althans op/tegen het lichaam van voornoemde
[slachtoffer] te houden,
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] bij/aan haar arm(en), althans haar lichaam vast te pakken/houden/grijpen/trekken,
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] op de bank te smijten/gooien/zetten,
- ( vervolgens) de telefoon en/of de laptop van voornoemde [slachtoffer] (af) te pakken en/of
- ( vervolgens) het pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp op/tegen het been, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te richten.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit [verdachte] van het ten laste gelegde vrij te spreken nu niet kan worden bewezen dat geweld is gebruikt tegen aangever [slachtoffer] , dan wel dat daarmee is gedreigd. [slachtoffer] heeft op essentiële onderlenen wisselende verklaringen afgelegd, onder meer wat betreft de omschrijving van het wapen, en haar verklaring vindt bovendien onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Voorts heeft de verdediging betwist dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal (met geweld of dreiging daarmee) van de telefoon en dat het opzet van [verdachte] daarop was gericht.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Op 28 september 2021 omstreeks 21:00 uur ontving de politie een melding van een bedreiging met geweld in de woning aan de [adres 2] . Twee mannen zouden onder dreiging van een vuurwapen de bewoner [slachtoffer] uit bed hebben getrokken, de woning hebben doorzocht en een mobiele telefoon hebben weggenomen. Kort na de melding werden [medeverdachte] en medeverdachte [verdachte] samen in een auto door verbalisanten aangetroffen. In die auto werd een mobiele telefoon afkomstig uit de woning van [slachtoffer] aangetroffen. [medeverdachte] en [verdachte] erkennen dat zij de ruit van de voordeur van [slachtoffer] hebben ingeslagen en de woning hebben betreden, alwaar zij [slachtoffer] (in de slaapkamer) aantroffen. Zij voeren hiervoor als reden aan dat zij geld kwamen ‘terughalen’ van [slachtoffer] dat [slachtoffer] door middel van oplichting van [medeverdachte] zou hebben verkregen. [medeverdachte] ontkent geweld tegen [slachtoffer] te hebben gebruikt, hiermee te hebben gedreigd of een telefoon uit de woning meegenomen te hebben.
3.3.2
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. [slachtoffer] heeft met drie verklaringen voldoende uitgebreid, gedetailleerd en in hoofdlijnen consistent verklaard over wat zich op 28 september 2021 in haar woning heeft afgespeeld. De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen op hoofdlijnen consistent zijn en onderling met elkaar overeenkomen, namelijk dat twee mannen in haar woning zijn geweest nadat de voordeur was vernield, haar uit bed hebben getrokken, zij is vastgehouden en door een donkere man met een wapen is bedreigd. Zij heeft ook steeds verklaard dat de telefoon uit haar woning is meegenomen. De verklaring van [slachtoffer] vindt bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere stukken in het dossier zoals onder meer de verklaring van [medeverdachte] bij de politie dat hij als gevolg van het ingooien van de ruit bloedde, de verklaring van [verdachte] dat hij een alarmpistool had meegenomen, alsook de processen-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat de ruit is vernield, er bloed op verschillende plekken in de woning is aangetroffen, dat kort na het incident de uit de woning weggenomen telefoon in de auto bij [medeverdachte] en [verdachte] is aangetroffen en dat bij [verdachte] onder andere een alarmpistool is aangetroffen. De combinatie van deze omstandigheden maakt dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dan ook als betrouwbaar en in haar geheel bruikbaar voor het bewijs oordeelt.
3.3.3
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
[medeverdachte] zou zijn opgelicht door [slachtoffer] en wilde zijn geld ‘terughalen’. Hij verzocht [verdachte] hem daarbij te vergezellen, voor het geval het uit de hand zou lopen. Op 28 september 2021 zijn [medeverdachte] en [verdachte] samen naar de woning van [slachtoffer] in [adres 2] gereden. [medeverdachte] heeft met een voorwerp de ruit van de voordeur van de woning gebroken waarna hij samen met [verdachte] de woning is binnengegaan. Daar hebben zij [slachtoffer] uit bed getrokken en op de bank gezet. Zij werd vastgehouden terwijl haar woning werd doorzocht. [verdachte] heeft hierbij ook een pistool op haar hoofd gezet en deze op haar been gericht. Daarna hebben zij een telefoon meegenomen en samen de woning verlaten. Bij de aanhouding van verdachten wordt bij [verdachte] in zijn zakken een alarmpistool en ploertendoder aangetroffen.
3.3.4
Overwegingen rechtbank
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat tegen [slachtoffer] geweld is gebruikt, dat zij is bedreigd met een pistool en dat de telefoon uit de woning is weggenomen door [medeverdachte] en/of [verdachte] , zoals ten laste is gelegd. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van [slachtoffer] , welke zij betrouwbaar acht en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals hiervoor onder 3.3.2 is uiteengezet. [verdachte] had op dat moment een alarmpistool bij zich, maar ontkent hiermee te hebben gedreigd. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit handelen door [medeverdachte] en/of [verdachte] een diefstal met geweld en bedreiging van geweld op. [slachtoffer] is immers onder dreiging en vergezeld van de ten laste gelegde geweldshandelingen bestolen van de telefoon.
Een voorwaarde voor medeplegen van de diefstal met geweld is dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] en dat zij het opzet moeten hebben gehad op de diefstal met (dreiging van) geweld en het medeplegen ervan.
Dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wie ( [medeverdachte] of [verdachte] ) de telefoon uit de woning heeft weggenomen, staat, anders dan de verdediging stelt, niet in de weg aan bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal met (bedreiging van) geweld in vereniging. De gestolen telefoon is immers kort na het tenlastegelegde feit aangetroffen in de auto van [medeverdachte] , waarin [verdachte] als bijrijder zat. De telefoon lag op het dashboardkastje, en dus in het zicht van zowel [medeverdachte] als [verdachte] . [verdachte] heeft voor het voorhanden hebben van de telefoon geen (aannemelijke) verklaring gegeven, terwijl hij kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] de telefoon uit de woning hebben weggenomen, waarbij in de gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit de vereiste nauwe en bewuste samenwerking van het medeplegen is gelegen.
De verklaring van [verdachte] dat hij [slachtoffer] en haar vriend slechts op hun gedrag wilde aanspreken en geen intentie had om goederen onder (dreiging met) geweld weg te nemen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. [verdachte] is immers samen met [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] gegaan, terwijl [verdachte] onder meer een pistool bij zich had en [medeverdachte] handschoenen droeg. [medeverdachte] heeft vervolgens de ruit van de voordeur ingeslagen, waarna zij de woning betraden. Deze wijze van handelen laat zich niet rijmen met de stelling van [verdachte] dat hij uitsluitend het gesprek wenste aan te gaan. Bovendien leidt de rechtbank uit de door [medeverdachte] op 25 september 2021 verzonden berichten af dat hij voornemens was om naar de woning van [slachtoffer] en haar vriend te gaan en daarbij versterking mee te nemen met als doel hen te straffen voor de oplichting waarvan hij slachtoffer was geworden.
[verdachte] heeft bovendien verklaard dat hij [medeverdachte] wilde helpen om zijn geld terug te halen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] en zijn medeverdachte de intentie hadden om (met toepassing van geweld) goederen uit de woning weg te nemen met als doel de door [medeverdachte] als gevolg van de oplichting geleden schade te beperken dan wel te compenseren.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] een telefoon van [slachtoffer] hebben gestolen, waarbij geweldshandelingen zijn verricht en met geweld is gedreigd. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [verdachte] en [medeverdachte] een laptop hebben gestolen. De rechtbank zal [verdachte] daarvan vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 september 2021 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander een telefoon die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te begeven,
- vervolgens met een hard voorwerp het raam van de voordeur in te slaan,
- vervolgens de woning van voornoemde [slachtoffer] te betreden,
- vervolgens voornoemde [slachtoffer] (in haar slaapkamer) aan haar arm(en) uit haar bed te trekken,
- een pistool op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te houden,
- voornoemde [slachtoffer] bij/aan haar arm(en), vast te houden,
- voornoemde [slachtoffer] op de bank te zetten,
- de telefoon van voornoemde [slachtoffer] (af) te pakken en
- het pistool, op/tegen het been van voornoemde [slachtoffer] te richten.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan [verdachte] een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
[verdachte] heeft, samen met een ander, door middel van geweld en bedreiging met geweld de telefoon van [slachtoffer] uit haar woning gestolen. Verdachten zijn de woning binnengegaan door een ruit te vernielen. Daar hebben zij op intimiderende wijze de telefoon uit de woning van [slachtoffer] weggenomen. Hierbij heeft [verdachte] een pistool tegen haar hoofd gezet en op haar been gericht. [verdachte] en zijn medeverdachte zijn met hun handelen geheel voorbij gegaan aan de gevoelens van [slachtoffer] en de gevolgen voor haar. Zij hebben uitsluitend oog gehad voor hun eigen belang, namelijk [slachtoffer] eigenhandig straffen voor hetgeen zij medeverdachte [medeverdachte] zou hebben aangedaan. Dat [slachtoffer] heeft toegegeven dat zij [medeverdachte] heeft opgelicht, weegt de rechtbank niet mee bij het bepalen van de strafmaat. Hetgeen [medeverdachte] en [verdachte] hebben gedaan komt namelijk neer op een vorm van eigenrichting waarmee de grenzen van het toelaatbare in ernstige mate zijn overschreden. Zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van [slachtoffer] zijn door [verdachte] en zijn medeverdachte ernstig geschonden. Namens [slachtoffer] is ter zitting aangevoerd dat zij zeer angstig is geweest, het feit een enorme impact op haar heeft gehad en dat zij daarvan nog geruime tijd de gevolgen heeft ondervonden. Door dit feit worden bovendien gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] zwaar aan. De rechtbank rekent het [verdachte] verder aan dat hij tijdens de zitting niet volledig verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij samen met zijn medeverdachte heeft gedaan. [verdachte] blijft immers volharden in zijn verklaring dat hij [slachtoffer] slechts heeft willen confronteren, zonder dat daarbij geweld of een pistool zou zijn gebruikt. [verdachte] heeft daarmee laten zien geen volledig inzicht te hebben in de ernst van zijn handelen.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] van 30 oktober 2025. Hieruit volgt dat [verdachte] veelvuldig, ook na het plegen van onderhavig feit, is veroordeeld voor het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank zal gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het over [verdachte] (meest recente en door de verdediging ter voeging verstrekte) opgemaakte reclasseringsrapport van 25 september 2025. Hieruit volgt dat bij [verdachte] in het verleden een stoornis in alcoholgebruik is vastgesteld. Verder lijkt sprake van persoonlijkheidspathologie, waarbij in ieder geval antisociale en narcistische kenmerken worden gezien. Tot vorig jaar juli was bij [verdachte] sprake van een patroon in het plegen van vermogens- en geweldsdelicten. Er bestonden aanzienlijke zorgen over de aard van deze feiten en [verdachte] werd om die reden besproken in het Veiligheidshuis, nu hij destijds nagenoeg voldeed aan de voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel. Waar hij voorheen een afwijzende houding had ten aanzien van hulpverlening, stelt hij zich sinds juli 2024, in het kader van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, meewerkend op en onderhoudt hij goed contact met zijn toezichthouder. Sinds mei 2025 verblijft [verdachte] in een beschermde woonvorm van Stichting Trai. Naast de begeleiding die hij hier ontvangt, volgt hij dagbesteding. Daarnaast wordt hij ambulant behandeld bij Terwille, gericht op zijn alcoholverslaving en het aanleren van adequate copingvaardigheden. Deze behandeling verloopt tot op heden goed en [verdachte] is ten tijde van het opstellen van het reclasseringsrapport twaalf weken abstinent gebleven, afgezien van een eenmalige terugval. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld tot hoog. Indien [verdachte] echter gedurende een langere periode laat zien dat hij de ingezette hulpverlening kan continueren en abstinent van alcohol blijft, worden de risico’s op termijn als lager ingeschat. De reclassering adviseert dan ook om aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Op te leggen straf
De rechtbank is, gelet op de aard en ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passend kan worden beschouwd. De rechtbank ziet evenwel van deze oplegging af, omdat de redelijke termijn met ruim twee jaren is overschreden waardoor [verdachte] geruime tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de afloop van deze strafzaak, en gelet op de positieve stappen die hij heeft gezet om zijn leven te verbeteren. Om die reden zal worden volstaan met een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is verzocht, acht de rechtbank in dit geval niet passend, nu dit onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen voor het slachtoffer.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank verbindt aan die proeftijd de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten: meldplicht bij het Leger des Heils, ambulante behandeling bij Terwille, begeleid wonen of maatschappelijke opvang bij Stichting Trai, alcoholverbod en meewerken aan dagbesteding, schuldhulpverlening en middelencontrole.

7.De schade van de benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van
€ 3.000,00, bestaande uit immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 1.500,00.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair gelet op de verzochte vrijspraak en subsidiair wegens eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat [slachtoffer] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit.
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat wanneer is voldaan aan de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) beschreven criteria. De immateriële schade in onderhavige zaak wordt verzocht op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW: aantasting van de persoon op andere wijze. Volgens vaste rechtspraak is van een dergelijke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
De rechtbank overweegt dat concrete gegevens over de psychische schade en de omvang daarvan bij de benadeelde ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan brengen echter mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. De rechtbank overweegt dat [medeverdachte] een zodanig ernstige inbreuk heeft gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de benadeelde, dat de nadelige gevolgen hiervan voor de hand liggen. Zij is immers onverhoeds in haar eigen woning door verdachte en medeverdachte bezocht, waarbij ook geweld is gebruikt en een vuurwapen op haar is gericht. Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt in voldoende concrete mate dat het feit een aanzienlijke impact op de benadeelde heeft gehad. Zij was angstig, durfde lange tijd niet naar buiten en was voortdurend alert en waakzaam. Bij het bepalen van de hoogte van de schade heeft de rechtbank rekening gehouden met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend. Gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op het bedrag van € 1.500,00. De gevorderde immateriële schade komt daarmee gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt dat gelet op de betwisting van de (hoogte van de) schade en de in dat licht beperkte onderbouwing, een hogere immateriële schade nadere onderbouwing behoeft. Dat is echter een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
Hoofdelijkheid
[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat hij tegenover de benadeelde partij [slachtoffer] voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.6
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door [verdachte] niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 25 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat [verdachte] de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen;
- beveelt dat de tijd die [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
- veroordeelt [verdachte] tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte] :
- zich meldt bij de reclassering van het Leger des Heils aan de [adres 4] . [verdachte] blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich, indien de reclassering dat nodig vindt, laat onderzoeken en ambulant behandelen door Terwille, Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de
reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal [verdachte] zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
- verblijft bij Stichting Trai of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak hij wordt gecontroleerd;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt dat hij moet meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. [verdachte] geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte] :
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]toe tot een bedrag van
€ 1.500,00(immateriële schade);
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2021, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
25 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. R.A. Heblij en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
Mr. De Waard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2021456859, onderzoek ‘Wolaap21’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 30 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
A: [alias 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) is bij mij thuis geweest.
V: Wanneer was dat?
A: 28 september 2021
A: Ik heb toen een alarmpistool meegenomen.
A: We zijn vertrokken vanaf [plaats 1] in de richting [plaats 2] .
A: In de auto van [alias 1] . We stonden aan de deur.
V: Welk adres was het?
A: Iets met [adres 3] .
A: Het alarmpistool zat in de linkerkant in mijn binnenzak van de jas.
A: [alias 1] sloeg een raam in.
A: Ik deed een slaapkamerdeur verder open en ik zag toen een vrouw. Dat was waarschijnlijk die [slachtoffer] .
A: In de auto reed [alias 1] snel weg.
A: Op een gegeven moment reden we de asfaltweg weer af en kwamen we op de snelweg terecht. Halverwege werden wij staande gehouden door de politie.
2.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 30 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 115-125:
V: Jij bent op 28 september 2021 samen met [verdachte] in [plaats 3] aangehouden.
V: We waren onderweg naar huis
V: Waar kwamen jullie vandaan uit [plaats 2] ?
A: Hoe heet die straat nou? Uiteindelijk bij [slachtoffer] .
V: U vraagt mij of deze [slachtoffer] aan de [adres 2] woont.
A: Ja dat kan.
A: Ik ben wel binnen geweest.
A: Ik heb het raam van de voordeur kapot gemaakt.
V: Wie trof jij aan in de woning.
A: Alleen [slachtoffer] .
V: Onder de bestuurderstoel lag een zwarte handschoen, besmeurd met vermoedelijk bloed.
A: Ja, ik had handschoenen aan toen ik bij [slachtoffer] naar binnen ging en het raam insloeg. Ik denk dat mijn bloed aan de handschoen zit.
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 28 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 11-14:
Plaats delict: [adres 2] .
Op 28 september 2021 stonden ineens twee mannen in mijn slaapkamer. Ze trokken mij uit bed en er werd een vuurwapen op mijn hoofd gezet. Door de donkere persoon werd de trekker overgehaald toen hij op mijn been richtte. Ik werd toen op de bank gesmeten en ze hebben mijn telefoon afgepakt. Dit was een Samsung S8. De donkere man richtte zijn vuurwapen op mij.
4.
Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] van 6 oktober 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 15-19:
De donkere man was in mijn huis aan het zoeken. De blanke man was de hele tijd bij mij. De blanke man zette mij op de bank. De donkere man richtte het vuurwapen op mijn been toen ik op de bank zat. De blanke man hield mij de hele tijd vast.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 28 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 27 en 28:
Op 28 september 2021 kreeg ik de opdracht om te gaan naar de [adres 2] . Aangekomen bij de woning zag ik dat de ruit van de voordeur was ingeslagen. Tevens zag ik bloed op de klink aan de buitenzijde.
6.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] ) van verbalisant [verbalisant 3] van 18 december 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 64-69:
Op 28 september 2021 omstreeks 23:10 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] . In de woonkamer zag meerdere op bloed lijkende druppels op de vloer.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 29 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 44-46:
Op 28 september 2021 [...]. Omstreeks 20.45 uur, diezelfde dag, hoorde ik via de portofoon dat collega’s in [plaats 3] een rode Fiat controleerden. Ik hoorde dat ze twee personen hadden aangehouden en bij hen een vuurwapen was aangetroffen. Ik zag dat het (vuur)wapen een pistool betrof. PL0600-2021456859-2601546, vuurwapen.
8.
Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 4] van 28 september 2021, op p. 55 en 56:
Het gaspistool werd inbeslaggenomen onder het nummer PL0600-2021456859-2601546 .
Dit gaspistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 in verband met artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
9.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 8 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 63:
Door mij werd een onderzoek ingesteld in de personenauto van de verdachten. Dit betrof een Fiat Punto, kleur rood. Op het dashboardkastje van deze personenauto werd door mij een mobiele telefoon van het merk Samsung, type S8, aangetroffen.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] van 7 oktober 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 36-43:
De gegevens van de telefoon, merk Huawei, die bij de verdachte, [medeverdachte] , in gebruik en op 29 september 2021 in beslaggenomen is, zijn overgenomen. Hieruit is het volgende gebleken.
De volgende passage uit het chatgesprek, gevoerd middels de applicatie WhatsApp,
tussen de gebruikers [gebruikersnaam 1] whatsapp.net [naam] en
[gebruikersnaam 2] whatsapp.net [alias 2] (de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte] ):
[afbeelding]
11.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 7 oktober 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Op een gegeven moment kwamen jullie binnen in de woning […]
V: Waar was het alarmpistool en de ploertendoder die je voor je eigen veiligheid had meegenomen?
A: Nog steeds in mijn jaszak. Ik heb twee diepe binnenzakken, daar had ik het vuurwapen en de ploertendoder. De rits van mijn jaszak was bijna helemaal dicht.