ECLI:NL:RBOVE:2025:6884

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
08-263132-21 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en bedreiging in woning

Op 1 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 39-jarige man, die samen met een medeverdachte op 28 september 2021 in Enschede de woning van een slachtoffer binnendrong. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, onder bedreiging met een vuurwapen, de telefoon van het slachtoffer heeft gestolen. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar was en dat deze werd ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdachte en zijn medeverdachte hebben de ruit van de voordeur ingeslagen, het slachtoffer uit bed getrokken en onder bedreiging van geweld de telefoon afgenomen. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan diefstal met geweld en bedreiging, en legde een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-263132-21 (P)
Datum vonnis: 1 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
28 september 2021 in Enschede, al dan niet samen met een ander, met (bedreiging van) geweld spullen van [slachtoffer] heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 28 september 2021 te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te begeven,
- ( vervolgens) met een steen en/of een bijl, althans met een hard voorwerp het raam van de (voor)deur in te slaan,
- ( vervolgens) de woning van voornoemde [slachtoffer] te betreden,
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] (in haar slaapkamer) aan haar arm(en) (uit haar bed) te trekken,
- ( vervolgens) een pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen het been, althans op/tegen het lichaam van voornoemde
[slachtoffer] te houden,
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] bij/aan haar arm(en), althans haar lichaam vast te pakken/houden/grijpen/trekken,
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] op de bank te smijten/gooien/zetten,
- ( vervolgens) de telefoon en/of de laptop van voornoemde [slachtoffer] (af) te pakken en/of
- ( vervolgens) het pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp op/tegen het been, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te richten.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevraagd verdachte (partieel) vrij te spreken van de diefstal van de laptop. Ten aanzien van het overige heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit [verdachte] van het ten laste gelegde vrij te spreken nu niet kan worden bewezen dat geweld is gebruikt tegen aangever [slachtoffer] , dan wel dat daarmee is gedreigd. [slachtoffer] heeft op essentiële onderdelen wisselend verklaard en haar verklaring vindt bovendien onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen, zodat deze als onbetrouwbaar ter zijde dient te worden geschoven. Voorts heeft de verdediging betwist dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal (met geweld of dreiging daarmee) van de telefoon en dat het opzet van [verdachte] daarop was gericht.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Op 28 september 2021 omstreeks 21:00 uur ontving de politie een melding van een bedreiging met geweld in de woning aan de [adres 2] . Twee mannen zouden onder dreiging van een vuurwapen de bewoner [slachtoffer] uit bed hebben getrokken, de woning hebben doorzocht en een mobiele telefoon hebben weggenomen. Kort na de melding werden [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] samen in een auto door verbalisanten aangetroffen. In die auto werd een mobiele telefoon afkomstig uit de woning van [slachtoffer] aangetroffen. [verdachte] en [medeverdachte] erkennen dat zij de ruit van de voordeur van [slachtoffer] hebben ingeslagen en de woning hebben betreden, alwaar zij [slachtoffer] (in de slaapkamer) aantroffen. Zij voeren hiervoor als reden aan dat zij geld kwamen ‘terughalen’ van [slachtoffer] dat [slachtoffer] door middel van oplichting van [verdachte] zou hebben verkregen. [verdachte] ontkent geweld tegen [slachtoffer] te hebben gebruikt, hiermee te hebben gedreigd of een telefoon uit de woning meegenomen te hebben.
3.3.2
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. [slachtoffer] heeft met drie verklaringen voldoende uitgebreid, gedetailleerd en in hoofdlijnen consistent verklaard over wat zich op 28 september 2021 in haar woning heeft afgespeeld. De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen op hoofdlijnen consistent zijn en onderling met elkaar overeenkomen, namelijk dat twee mannen in haar woning zijn geweest nadat de voordeur was vernield, haar uit bed hebben getrokken, zij is vastgehouden en door een donkere man met een wapen is bedreigd. Zij heeft ook steeds verklaard dat de telefoon uit haar woning is meegenomen. De verklaring van [slachtoffer] vindt bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere stukken in het dossier zoals onder meer de verklaring van [verdachte] dat hij als gevolg van het ingooien van de ruit bloedde, de verklaring van [medeverdachte] bij de politie dat hij een alarmpistool had meegenomen, alsook de processen-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat de ruit is vernield, er bloed op verschillende plekken in de woning is aangetroffen, dat kort na het incident de uit de woning weggenomen telefoon in de auto bij [verdachte] en [medeverdachte] is aangetroffen en dat bij [medeverdachte] onder andere een alarmpistool is aangetroffen. De combinatie van deze omstandigheden maakt dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dan ook als betrouwbaar en in haar geheel bruikbaar voor het bewijs oordeelt.
3.3.3
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
[verdachte] zou zijn opgelicht door [slachtoffer] en wilde zijn geld ‘terughalen’. Hij verzocht [medeverdachte] hem daarbij te vergezellen, voor het geval het uit de hand zou lopen. Op 28 september 2021 zijn [verdachte] en [medeverdachte] samen naar de woning van [slachtoffer] in [adres 2] gereden. [verdachte] heeft met een voorwerp de ruit van de voordeur van de woning gebroken waarna hij samen met [medeverdachte] de woning is binnengegaan. Daar hebben zij [slachtoffer] uit bed getrokken en op de bank gezet. Zij werd vastgehouden terwijl haar woning werd doorzocht. [medeverdachte] heeft hierbij ook een pistool op haar hoofd gezet en deze op haar been gericht. Daarna hebben zij een telefoon meegenomen en samen de woning verlaten. Bij de aanhouding van verdachten wordt bij [medeverdachte] in zijn zakken een alarmpistool en ploertendoder aangetroffen.
3.3.4
Overwegingen rechtbank
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat tegen [slachtoffer] geweld is gebruikt, dat zij is bedreigd met een pistool en dat de telefoon uit de woning is weggenomen door [verdachte] en/of [medeverdachte] , zoals ten laste is gelegd. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van [slachtoffer] , welke zij betrouwbaar acht en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals hiervoor onder 3.3.2 is uiteengezet. [medeverdachte] had op dat moment een alarmpistool bij zich, maar ontkent hiermee te hebben gedreigd. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit handelen door [verdachte] en/of [medeverdachte] een diefstal met geweld en bedreiging van geweld op. [slachtoffer] is immers onder dreiging en vergezeld van de ten laste gelegde geweldshandelingen bestolen van de telefoon.
Een voorwaarde voor medeplegen van de diefstal met geweld is dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] en dat zij het opzet moeten hebben gehad op de diefstal met (dreiging van) geweld en het medeplegen ervan.
Dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wie ( [verdachte] of [medeverdachte] ) de telefoon uit de woning heeft weggenomen, staat, anders dan de verdediging stelt, niet in de weg aan bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal met (bedreiging van) geweld in vereniging. De gestolen telefoon is immers kort na het tenlastegelegde feit aangetroffen in de auto van [verdachte] , waarin [medeverdachte] als bijrijder zat. De telefoon lag op het dashboardkastje, en dus in het zicht van zowel [verdachte] als [medeverdachte] . [verdachte] heeft voor het voorhanden hebben van de telefoon geen (aannemelijke) verklaring gegeven, terwijl hij kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] de telefoon uit de woning hebben weggenomen, waarbij in de gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit de vereiste nauwe en bewuste samenwerking van het medeplegen is gelegen.
De verklaring van [verdachte] dat hij [slachtoffer] en haar vriend slechts op hun gedrag wilde aanspreken en geen intentie had om goederen onder (dreiging met) geweld weg te nemen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. [verdachte] is immers samen met [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] gegaan, terwijl [medeverdachte] onder meer een pistool bij zich had en [verdachte] handschoenen droeg. [verdachte] heeft vervolgens de ruit van de voordeur ingeslagen, waarna zij de woning betraden. Deze wijze van handelen laat zich niet rijmen met de stelling van [verdachte] dat hij uitsluitend het gesprek wenste aan te gaan. Bovendien leidt de rechtbank uit de door [verdachte] op 25 september 2021 verzonden berichten af dat hij voornemens was om naar de woning van [slachtoffer] en haar vriend te gaan en daarbij versterking mee te nemen met als doel hen te straffen voor de oplichting waarvan hij slachtoffer was geworden. [verdachte] heeft bovendien ter zitting verklaard dat hij zijn geld wilde ‘terughalen’, en [medeverdachte] heeft bij de politie verteld dat hij hem daarbij wilde helpen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] en zijn medeverdachte de intentie hadden om (met toepassing van geweld) goederen uit de woning weg te nemen met als doel de door [verdachte] als gevolg van de oplichting geleden schade te beperken dan wel te compenseren.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] een telefoon van [slachtoffer] hebben gestolen, waarbij geweldshandelingen zijn verricht en met geweld is gedreigd. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [verdachte] en [medeverdachte] een laptop hebben gestolen. De rechtbank zal [verdachte] daarvan vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 september 2021 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander een telefoon die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te begeven,
- vervolgens met een hard voorwerp het raam van de voordeur in te slaan,
- vervolgens de woning van voornoemde [slachtoffer] te betreden,
- vervolgens voornoemde [slachtoffer] (in haar slaapkamer) aan haar arm(en) uit haar bed te trekken,
- een pistool op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te houden,
- voornoemde [slachtoffer] bij/aan haar arm(en), vast te houden,
- voornoemde [slachtoffer] op de bank te zetten,
- de telefoon van voornoemde [slachtoffer] (af) te pakken en
- het pistool, op/tegen het been van voornoemde [slachtoffer] te richten.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] te veroordelen tot een taakstraf van 180 uren, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht aan [verdachte] een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
[verdachte] heeft, samen met een ander, door middel van geweld en bedreiging met geweld de telefoon van [slachtoffer] uit haar woning gestolen. Verdachten zijn de woning binnengegaan door een ruit te vernielen. Daar hebben zij op intimiderende wijze de telefoon uit de woning van [slachtoffer] weggenomen. Hierbij is onder meer een pistool tegen haar hoofd gezet en op haar been gericht. [verdachte] en zijn medeverdachte zijn met hun handelen geheel voorbij gegaan aan de gevoelens van [slachtoffer] en de gevolgen voor haar. Zij hebben uitsluitend oog gehad voor hun eigen belang, namelijk [slachtoffer] eigenhandig straffen voor hetgeen zij [verdachte] heeft aangedaan. Dat [slachtoffer] heeft toegegeven dat zij [verdachte] heeft opgelicht, weegt de rechtbank niet mee bij het bepalen van de strafmaat. Hetgeen [verdachte] en [medeverdachte] hebben gedaan komt namelijk neer op een vorm van eigenrichting, waarmee de grenzen van het toelaatbare in ernstige mate zijn overschreden. Zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van [slachtoffer] zijn door [verdachte] en zijn medeverdachte ernstig geschonden. Namens [slachtoffer] is ter zitting aangevoerd dat zij zeer angstig is geweest, het feit een enorme impact op haar heeft gehad en dat zij daarvan nog geruime tijd de gevolgen heeft ondervonden. Door dit feit worden bovendien gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] zwaar aan. De rechtbank rekent het [verdachte] verder aan dat hij tijdens de zitting niet volledig verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij samen met zijn medeverdachte heeft gedaan. [verdachte] blijft immers volharden in zijn verklaring dat hij [slachtoffer] slechts heeft willen confronteren, zonder dat daarbij geweld of een pistool zou zijn gebruikt. [verdachte] heeft daarmee laten zien geen volledig inzicht te hebben in de ernst van zijn handelen.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] van 2 oktober 2025. Hieruit volgt dat hij in 2023 en 2024 is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het over [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapport van 30 november 2023. Hieruit volgt dat bij [verdachte] sprake is van forse psychische kwetsbaarheid. Er is thans sprake van een zorgmachtiging. In dat kader ontvangt [verdachte] hulp en begeleiding. Daarnaast staat hij onder behandeling. Deze begeleiding en behandeling worden door de reclassering als beschermende factoren aangemerkt. Verder is gebleken dat [verdachte] in het verleden handelde vanuit naïviteit en beïnvloedbaarheid. Op dit moment lijkt hij beter in staat negatieve invloeden buiten de deur te houden, zodat op dat gebied geen zorgen (meer) bestaan. De reclassering ziet, gelet op de reeds ingezette zorg en het feit dat de verdenking van lange tijd geleden dateert, geen aanleiding tot reclasseringsbemoeienis.
Op te leggen straf
De rechtbank is, gelet op de aard en ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passend kan worden beschouwd. De rechtbank ziet evenwel van deze oplegging af, omdat de redelijke termijn met ruim twee jaren is overschreden waardoor [verdachte] geruime tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de afloop van deze strafzaak, en gelet op zijn persoon. Om die reden zal worden volstaan met een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is verzocht, acht de rechtbank in dit geval niet passend, nu dit onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen voor het slachtoffer.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren met aftrek van het de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

7.De schade van de benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van
€ 3.000,00, bestaande uit immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 1.500,00.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair gelet op de verzochte vrijspraak en subsidiair wegens eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat [slachtoffer] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit.
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat wanneer is voldaan aan de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) beschreven criteria. De immateriële schade in onderhavige zaak wordt verzocht op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW: aantasting van de persoon op andere wijze. Volgens vaste rechtspraak is van een dergelijke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
De rechtbank overweegt dat concrete gegevens over de psychische schade en de omvang daarvan bij de benadeelde ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan brengen echter mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. De rechtbank overweegt dat [verdachte] een zodanig ernstige inbreuk heeft gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de benadeelde, dat de nadelige gevolgen hiervan voor de hand liggen. Zij is immers onverhoeds in haar eigen woning door verdachte en medeverdachte bezocht, waarbij ook geweld is gebruikt en een vuurwapen op haar is gericht. Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt in voldoende concrete mate dat het feit een aanzienlijke impact op de benadeelde heeft gehad. Zij was angstig, durfde lange tijd niet naar buiten en was voortdurend alert en waakzaam. Bij het bepalen van de hoogte van de schade heeft de rechtbank rekening gehouden met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend. Gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op het bedrag van € 1.500,00. De gevorderde immateriële schade komt daarmee gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt dat gelet op de betwisting van de (hoogte van de) schade en de in dat licht beperkte onderbouwing, een hogere immateriële schade nadere onderbouwing behoeft. Dat is echter een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
Hoofdelijkheid
[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat hij tegenover de benadeelde partij [slachtoffer] voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.6
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door [verdachte] niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 25 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat [verdachte] de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen;
- beveelt dat de tijd die [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
- veroordeelt [verdachte] tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende algemene voorwaarde niet is nagekomen dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]toe tot een bedrag van
€ 1.500,00(immateriële schade);
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2021, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
25 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. R.A. Heblij en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
Mr. De Waard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2021456859, onderzoek ‘Wolaap21’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 november 2025, voor zover inhoudend de verklaring van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:
Ik ben op 28 september 2021 samen met [medeverdachte] met mijn auto vanuit [plaats 1] naar de woning van [slachtoffer] in [adres 2] gereden. Bij de woning heb ik de ruit van de voordeur ingeslagen. Ik heb hierbij mijn hand verwond, waardoor deze is gaan bloeden. Ik droeg op dat moment handschoenen. In de woning troffen wij [slachtoffer] aan. Het klopt dat wij later die avond in [plaats 3] met de auto door de politie zijn aangehouden.
2.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 30 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
A: [alias 1] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) is bij mij thuis geweest.
V: Wanneer was dat?
A: 28 september 2021
A: Ik heb toen een alarmpistool meegenomen.
A: We zijn vertrokken vanaf [plaats 1] in de richting [plaats 2] .
A: In de auto van [alias 1] . We stonden aan de deur.
V: Welk adres was het?
A: Iets met [adres 3] .
A: Het alarmpistool zat in de linkerkant in mijn binnenzak van de jas.
A: [alias 1] sloeg een raam in.
A: Ik deed een slaapkamerdeur verder open en ik zag toen een vrouw. Dat was waarschijnlijk die [slachtoffer] .
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 28 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 11-14:
Plaats delict: [adres 2] .
Op 28 september 2021 stonden ineens twee mannen in mijn slaapkamer. Ze trokken mij uit bed en er werd een vuurwapen op mijn hoofd gezet. Door de donkere persoon werd de trekker overgehaald toen hij op mijn been richtte. Ik werd toen op de bank gesmeten en ze hebben mijn telefoon afgepakt. Dit was een Samsung S8. De donkere man richtte zijn vuurwapen op mij.
4.
Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] van 6 oktober 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 15-19:
De donkere man was in mijn huis aan het zoeken. De blanke man was de hele tijd bij mij. De blanke man zette mij op de bank. De donkere man richtte het vuurwapen op mijn been toen ik op de bank zat. De blanke man hield mij de hele tijd vast.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 28 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 27 en 28:
Op 28 september 2021 kreeg ik de opdracht om te gaan naar de [adres 2] . Aangekomen bij de woning zag ik dat de ruit van de voordeur was ingeslagen. Tevens zag ik bloed op de klink aan de buitenzijde.
6.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] ) van verbalisant [verbalisant 2] van 18 december 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 64-69:
Op 28 september 2021 omstreeks 23:10 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] . In de woonkamer zag meerdere op bloed lijkende druppels op de vloer.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 29 september 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 44-46:
Op 28 september 2021 [...]. Omstreeks 20.45 uur, diezelfde dag, hoorde ik via de portofoon dat collega’s in [plaats 3] een rode Fiat controleerden. Ik hoorde dat ze twee personen hadden aangehouden en bij hen een vuurwapen was aangetroffen. Ik zag dat het (vuur)wapen een pistool betrof. PL0600-2021456859-2601546, vuurwapen.
8.
Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 4] van 28 september 2021, op p. 55 en 56:
Het gaspistool werd inbeslaggenomen onder het nummer PL0600-2021456859-2601546 .
Dit gaspistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 in verband met artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
9.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 8 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 63:
Door mij werd een onderzoek ingesteld in de personenauto van de verdachten. Dit betrof een Fiat Punto, kleur rood. Op het dashboardkastje van deze personenauto werd door mij een mobiele telefoon van het merk Samsung, type S8, aangetroffen.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] van 7 oktober 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op p. 36-43:
De gegevens van de telefoon, merk Huawei, die bij de verdachte, [verdachte] , in gebruik en op 29 september 2021 in beslaggenomen is, zijn overgenomen. Hieruit is het volgende gebleken.
De volgende passage uit het chatgesprek, gevoerd middels de applicatie WhatsApp,
tussen de gebruikers [gebruikersnaam 1] .whatsapp.net [naam] en
[gebruikersnaam 2] .whatsapp.net [alias 2] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ):
[afbeelding]
11.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 7 oktober 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Op een gegeven moment kwamen jullie binnen in de woning […]
V: Waar was het alarmpistool en de ploertendoder die je voor je eigen veiligheid had meegenomen?
A: Nog steeds in mijn jaszak. Ik heb twee diepe binnenzakken, daar had ik het vuurwapen en de ploertendoder. De rits van mijn jaszak was bijna helemaal dicht.