ECLI:NL:RBOVE:2025:6822

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
AK_25_3232
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing UWV-maatregelen Ziektewetuitkering

Verzoeker heeft bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening gevraagd tegen drie door het UWV opgelegde verlagingen van zijn Ziektewetuitkering. De maatregelen betroffen verlagingen van 25%, 37,5% en 100% over verschillende periodes.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de maatregelen van 25 september en 15 oktober 2025 onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat niet is gespecificeerd aan welke verplichtingen verzoeker niet heeft voldaan. Hierdoor is onduidelijk wat verzoeker moet herstellen. Daarnaast is aannemelijk dat verzoeker gelijk zal krijgen, gelet op het voornemen van het UWV om de bezwaren tegen eerdere maatregelen gegrond te verklaren.

Het UWV is niet ter zitting verschenen om nadere toelichting te geven. De voorzieningenrechter besluit daarom de werking van de maatregelen van 25 september en 15 oktober 2025 te schorsen totdat op de bezwaren is beslist. Tevens wordt het griffierecht en een vergoeding voor reiskosten aan verzoeker toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de UWV-maatregelen van 25 september en 15 oktober 2025 tot op de bezwaren is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3232
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 november 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Acture uit Nijmegen (de werkgever).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het UWV waarin hij de voorzieningenrechter heeft verzocht een deel van de opgelegde maatregelen te schorsen.
1.1.
Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft het UWV de ZW-uitkering van verzoeker verlaagd van 31 juli 2025 tot en met 30 november 2025 met 25%. (maatregel 1).
1.2.
Bij besluit van 25 september 2025 heeft het UWV de ZW-uitkering van verzoeker verlaagd van 4 september 2025 tot en met 3 januari 2026 met 37,5%. (maatregel 2)
1.3.
Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft het UWV de ZW-uitkering van verzoeker verlaagd vanaf 26 september 2025 met 100 %. (maatregel 3)
1.4.
Verzoeker heeft tegen alle opgelegde maatregelen bezwaar gemaakt en tevens bij bericht van 2 november 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.5.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift, waarin tevens is aangegeven dat zij niet ter zitting te zullen verschijnen.
1.6.
De werkgever heeft bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen.
1.8.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het UWV die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker. Voorts beoordeelt hij bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
2.2
De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan. Verzoeker heeft voldoende gedocumenteerd onderbouwd dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan als gevolg van de maatrelen, onder meer bij zijn verhuurder, fysiotherapeut en de rugpoli. Voorts heeft hij aangegeven dat hij inderdaad nabetalingen heeft ontvangen van het UWV afgelopen voorjaar, maar dat hij deze grotendeels heeft moeten terugbetalen aan het UWV. Hij kreeg de nabetaling als gevolg van toegekende Ziektewetuitkering, maar moest daarom een deel aan onterecht betaalde Werkloosheidwetuitkering terugbetalen.
Het UWV was niet ter zitting om dit te betwisten.
Het verzoek wordt toegewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opgelegde maatregelen 2 en 3 onvoldoende zijn gemotiveerd; de juridische en feitelijke basis zijn onvoldoende vermeld. Er is wel vermeld dat verzoeker niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, maar in de maatregel is niet gespecificeerd aan welke verplichting verzoeker niet heeft voldaan. Daardoor weet verzoeker niet precies wat hij moet herstellen, waarbij de voorzieningenrechter ook betrekt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er geregeld contact is met de werkgever.
De voorzieningenrechter acht het ook aannemelijk dat verzoeker gelijk zal krijgen gelet op het voornemen van het UWV van 14 oktober 2025. Uit dit voornemen blijkt dat het UWV voornemens is de bezwaren gericht tegen maatregel 1 en 2 gegrond te verklaren. Het UVW is ter zitting niet verschenen en heeft daarom hierop geen nadere toelichting kunnen geven.
Daarom wordt de werking van de maatregelen 2 en 3 geschorst totdat op de bezwaren is beslist door het UWV.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de besluiten van 25 september 2025 en 15 oktober 2025 zijn geschorst tot op de bezwaren is beslist.
4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het UWV het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Voorts komt verzoeker in aanmerking voor een vergoeding van zijn reiskosten, op basis van OV retour Zwolle-Hengelo, zijnde € 30,68. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst de besluiten van 25 september 2025 en 15 oktober 2025 tot op de bezwaren is beslist;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 30,68 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025 door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.