ECLI:NL:RBOVE:2025:6741

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/08/338419 / HA ZA 25-308
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident met betrekking tot koopovereenkomsten tussen een in Australië gevestigde rechtspersoon en een Nederlandse besloten vennootschap

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Overijssel op 19 november 2025, gaat het om een incident tussen een in Australië gevestigde rechtspersoon, aangeduid als [verweerder], en een Nederlandse besloten vennootschap, aangeduid als [eiser]. De procedure is gestart door [verweerder] op 25 juni 2025, waarbij zij vorderingen heeft ingesteld met betrekking tot twee koopovereenkomsten. [verweerder] vorderde onder andere een verklaring voor recht dat de koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden en schadevergoeding van [eiser]. De rechtbank heeft op 6 augustus 2025 verstek verleend tegen [eiser] en de vorderingen van [verweerder] volledig toegewezen. Na verzet door [eiser] op 9 september 2025, heeft deze een tweetal incidentele vorderingen ingesteld, waaronder een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en een vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten.

De rechtbank heeft de vordering tot schorsing afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende belang heeft aangetoond bij deze vordering. De rechtbank oordeelt dat er geen concrete dreiging van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is. Wat betreft de vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten, heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de vereisten van artikel 224 Rv is voldaan, en heeft zij [verweerder] veroordeeld om zekerheid te stellen voor de proceskosten tot een bedrag van € 10.897,00. De proceskosten in het incident zijn gecompenseerd, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zaak is opnieuw op de rol gezet voor 3 december 2025 voor verdere behandeling in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/338419 / HA ZA 25-308
Vonnis in incident van 19 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij in het incident, opposant in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.Th. de Haan,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerder],
gevestigd in [vestigingsplaats 2] (Australië),
verwerende partij in het incident, geopposeerde in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [verweerder],
advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [verweerder] d.d. 25 juni 2025, met 36 producties;
- het verstekvonnis van de rechtbank Overijssel van 6 augustus 2025;
- de verzetdagvaarding van [eiser] d.d. 9 september 2025;
- de conclusie van antwoord in de incidentele vorderingen van [verweerder] d.d. 8 oktober 2025, met producties 37 en 38;
- de akte van [eiser] d.d. 22 oktober 2025.
1.2.
Aansluitend is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

2.1.
Tussen [verweerder] en [eiser] zijn twee koopovereenkomsten tot stand gekomen. Over de uitvoering daarvan is tussen partijen een geschil ontstaan. In de op 25 juni 2025 door [verweerder] gestarte procedure vorderde [verweerder] – verkort weergeven – het volgende:
( i) een verklaring voor recht dat de beide koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden (primair), dan wel de beide koopovereenkomsten alsnog te ontbinden (subsidiair);
( ii) [eiser] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding tot een bedrag van € 171.895,00, te vermeerderen met rente.
( iii) [eiser] te veroordelen tot het betalen van de kosten die zijn gemoeid met de teruglevering van machines naar Nederland.
2.2.
Bij vonnis van 6 augustus 2025 (hierna: ‘het verstekvonnis’) is door de rechtbank Overijssel (hierna: ‘de rechtbank’) verstek verleend tegen [eiser]. In datzelfde vonnis heeft de rechtbank de door [verweerder] ingestelde vorderingen volledig toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Bij dagvaarding van 9 september 2025 is [eiser] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. In de verzetdagvaarding heeft [eiser] een tweetal incidentele vorderingen ingesteld.
2.4.
De eerste incidentele vordering is ingesteld op de voet van artikel 223 lid 1 Rv. [eiser] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 augustus 2025 [bedoeld zal zijn: 6 augustus 2025, rechtbank], totdat in de verzetprocedure eindvonnis is gewezen. Daarnaast vordert [eiser] [verweerder] te verbieden om verdere executiemaatregelen te treffen op basis van het verstekvonnis.
2.5.
De tweede incidentele vordering is ingesteld op de voet van artikel 224 Rv. [eiser] vordert:
( i) [verweerder] te veroordelen om uiterlijk binnen 14 dagen na het (te wijzen) vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten, tot een bedrag van € 14.109.00;
( ii) te bepalen dat indien [verweerder] niet binnen de onder (i) genoemde termijn zekerheid stelt, zij niet ontvankelijk zal worden verklaard in de hoofdzaak.
2.6.
[verweerder] voert verweer tegen beide incidentele vorderingen, en concludeert tot afwijzing.
2.7.
Gelet op de aard en inhoud van de incidentele vorderingen, ziet de rechtbank aanleiding om eerst en vooraf op de incidentele vorderingen te beslissen. [1]
2.8.
Op de stellingen van partijen in het incident wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

Schorsing tenuitvoerlegging
3.1.
[eiser] legt aan haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging de volgende argumentatie ten grondslag. [eiser] betoogt ten eerste dat zij in een verstekvonnis is veroordeeld, niet in een vonnis op tegenspraak. Een verstekvonnis dat bovendien nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en dus nog kan worden vernietigd. Ten tweede voert [eiser] aan dat zij een restitutierisico loopt, omdat [verweerder] een in Australië gevestigde rechtspersoon is. Indien [eiser] aan het verstekvonnis zou voldoen en dat verstekvonnis later zou worden vernietigd, zou het terughalen van de gelden die op basis van het verstekvonnis aan [verweerder] zouden zijn betaald problematisch worden, omdat tussen Australië en Nederland niet een verdrag bestaat waarin afspraken zijn gemaakt over de tenuitvoerlegging van gerechtelijke uitspraken.
3.2.
Het standpunt van [verweerder] is dat een grondslag voor toewijzing ontbreekt, omdat [verweerder] op 1 september 2025 heeft toegezegd dat – na het uitbrengen van de verzetdagvaarding – verdere tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zou worden gestaakt. Feitelijk is er volgens [verweerder] ook in die zin gehandeld. [verweerder] voert ten slotte nog aan dat er geen restitutierisico is voor [eiser], omdat [verweerder] niet in financiële problemen verkeert.
3.3.
[eiser] heeft in reactie daarop bij akte aangevoerd dat [verweerder] in haar conclusie van antwoord in het incident weliswaar voor het eerst heeft erkend dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zal worden gestaakt, maar dat zij desondanks een belang heeft bij de ingestelde vordering. Dat belang schuilt er volgens [eiser] in dat zij, in het geval dat [verweerder] alsnog de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zou gaan hervatten, daarmee voorkomt dat zij op dat moment alsnog een executiegeschil zou moeten starten.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van [eiser] worden afgewezen. Voor de rechtbank is daarbij doorslaggevend dat [eiser] zich niet in een situatie bevindt waarin tenuitvoerlegging van het verstekvonnis door [verweerder] aan de gang is of concreet dreigt. Van de zijde van [eiser] zijn geen feiten gesteld waaruit volgt dat [verweerder] na 9 september 2025 – toen de verzetdagvaarding is uitgebracht – nog handelingen heeft verricht in het kader van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. [eiser] heeft evenmin feiten gesteld waaruit volgt dat [verweerder] vóór 9 september 2025 handelingen in het kader van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis heeft verricht die haar bedrijfsvoering op dit moment beperken. Gelet daarop heeft [eiser], naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende belang bij haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. [2]
3.5.
De vordering van [eiser] tot het verbieden van [verweerder] om verdere maatregelen te treffen tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, stuit af op dezelfde argumentatie. Omdat niet is gebleken dat tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op dit moment aan de orde is of concreet dreigt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een verbod als gevorderd op te leggen. Ook bij deze vordering heeft [eiser] niet een voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW.
Zekerheidstelling voor proceskosten
3.6.
[eiser] beroept zich op artikel 224 Rv. Op grond van lid 1 van die bepaling is een partij zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden.
3.7.
Ter onderbouwing voert [eiser] aan dat [verweerder] gevestigd is in Australië en deze procedure bij de Nederlandse rechter – aanvankelijk – is begonnen. [eiser] voert ook aan dat de in artikel 224 lid 2 Rv opgesomde uitzonderingen op het eerste lid zich niet voordoen.
3.8.
[verweerder] voert geen inhoudelijk verweer tegen deze vordering, anders dan dat het bedrag dat [eiser] noemt volgens haar onvoldoende is onderbouwd.
3.9.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van [eiser] worden toegewezen. Aan de vereisten van artikel 224 lid 1 Rv is voldaan, omdat het in Australië gevestigde [verweerder] op 25 juni 2025 een procedure bij de Nederlandse rechter is begonnen. Gesteld noch gebleken is dat een van de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 224 lid 2 Rv zich voordoet.
3.10.
Op de voet van artikel 224 lid 5 Rv, moet de rechtbank de som vaststellen tot beloop waarvan door [verweerder] zekerheid moet worden verstrekt. De rechtbank gaat daarbij uit van een reguliere dagvaardingsprocedure, waarbij beide partijen één keer schriftelijk aan het woord komen en een mondelinge behandeling plaatsvindt. Het financiële belang van de zaak valt in categorie Tarief V – wat neerkomt op € 1.929,00 per punt. De berekening is dan als volgt:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
totaal
10.897,00
3.11.
[eiser] vordert ook om te bepalen dat [verweerder], in het geval zij niet binnen 14 dagen na datum vonnis zekerheid stelt zoals gevorderd, niet ontvankelijk zal worden verklaard in de hoofdzaak. Die vordering wordt door de rechtbank afgewezen. Artikel 224 Rv biedt voor een vordering als deze geen aanknopingspunten. Bovendien heeft [eiser] deze vordering onvoldoende onderbouwd.
Proceskosten in het incident
3.12.
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren.

4.De beslissing in het incident

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [verweerder] om uiterlijk binnen 14 dagen na dit vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot een bedrag van € 10.897,00,
4.2.
compenseert de proceskosten,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de veroordeling als omschreven onder 4.1.,
4.4.
wijst af het anders of meer gevorderde,
4.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van woensdag 3 december 2025, voor opgave verhinderdata en dagbepaling mondelinge behandeling in de hoofdzaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 209 Rv.
2.Artikel 3:303 BW.