ECLI:NL:RBOVE:2025:6741

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/08/338419 / HA ZA 25-308
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 224 RvArt. 3:303 BWArt. 209 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Overijssel wijst deels vordering zekerheidstelling in procedure met buitenlandse partij toe

In deze civiele zaak tussen een Nederlandse BV en een Australische rechtspersoon staat een geschil over de uitvoering van twee koopovereenkomsten centraal. De buitenlandse partij had bij verstek gewonnen, waarna de Nederlandse partij verzet instelde en incidentele vorderingen indiende, waaronder schorsing van de tenuitvoerlegging en zekerheidstelling voor proceskosten.

De rechtbank overweegt dat de schorsingsvordering onvoldoende belang heeft omdat geen concrete dreiging of uitvoering van tenuitvoerlegging plaatsvindt. De vordering tot verbod op executiemaatregelen wordt daarom ook afgewezen. De vordering tot zekerheidstelling op grond van artikel 224 Rv Pro wordt toegewezen omdat de buitenlandse partij de procedure bij de Nederlandse rechter is gestart en geen uitzonderingen van toepassing zijn.

De rechtbank bepaalt de zekerheid op € 10.897,00, gebaseerd op griffierecht, advocaatkosten en nakosten. Een vordering om niet-ontvankelijkheid bij niet-stellen van zekerheid wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag en onvoldoende onderbouwing. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd. De zaak wordt op 3 december 2025 voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidstelling toe en wijst de vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging af.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/338419 / HA ZA 25-308
Vonnis in incident van 19 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij in het incident, opposant in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.Th. de Haan,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerder],
gevestigd in [vestigingsplaats 2] (Australië),
verwerende partij in het incident, geopposeerde in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [verweerder],
advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [verweerder] d.d. 25 juni 2025, met 36 producties;
- het verstekvonnis van de rechtbank Overijssel van 6 augustus 2025;
- de verzetdagvaarding van [eiser] d.d. 9 september 2025;
- de conclusie van antwoord in de incidentele vorderingen van [verweerder] d.d. 8 oktober 2025, met producties 37 en 38;
- de akte van [eiser] d.d. 22 oktober 2025.
1.2.
Aansluitend is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

2.1.
Tussen [verweerder] en [eiser] zijn twee koopovereenkomsten tot stand gekomen. Over de uitvoering daarvan is tussen partijen een geschil ontstaan. In de op 25 juni 2025 door [verweerder] gestarte procedure vorderde [verweerder] – verkort weergeven – het volgende:
( i) een verklaring voor recht dat de beide koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden (primair), dan wel de beide koopovereenkomsten alsnog te ontbinden (subsidiair);
( ii) [eiser] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding tot een bedrag van € 171.895,00, te vermeerderen met rente.
( iii) [eiser] te veroordelen tot het betalen van de kosten die zijn gemoeid met de teruglevering van machines naar Nederland.
2.2.
Bij vonnis van 6 augustus 2025 (hierna: ‘het verstekvonnis’) is door de rechtbank Overijssel (hierna: ‘de rechtbank’) verstek verleend tegen [eiser]. In datzelfde vonnis heeft de rechtbank de door [verweerder] ingestelde vorderingen volledig toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Bij dagvaarding van 9 september 2025 is [eiser] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. In de verzetdagvaarding heeft [eiser] een tweetal incidentele vorderingen ingesteld.
2.4.
De eerste incidentele vordering is ingesteld op de voet van artikel 223 lid 1 Rv Pro. [eiser] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 augustus 2025 [bedoeld zal zijn: 6 augustus 2025, rechtbank], totdat in de verzetprocedure eindvonnis is gewezen. Daarnaast vordert [eiser] [verweerder] te verbieden om verdere executiemaatregelen te treffen op basis van het verstekvonnis.
2.5.
De tweede incidentele vordering is ingesteld op de voet van artikel 224 Rv Pro. [eiser] vordert:
( i) [verweerder] te veroordelen om uiterlijk binnen 14 dagen na het (te wijzen) vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten, tot een bedrag van € 14.109.00;
( ii) te bepalen dat indien [verweerder] niet binnen de onder (i) genoemde termijn zekerheid stelt, zij niet ontvankelijk zal worden verklaard in de hoofdzaak.
2.6.
[verweerder] voert verweer tegen beide incidentele vorderingen, en concludeert tot afwijzing.
2.7.
Gelet op de aard en inhoud van de incidentele vorderingen, ziet de rechtbank aanleiding om eerst en vooraf op de incidentele vorderingen te beslissen. [1]
2.8.
Op de stellingen van partijen in het incident wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

Schorsing tenuitvoerlegging
3.1.
[eiser] legt aan haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging de volgende argumentatie ten grondslag. [eiser] betoogt ten eerste dat zij in een verstekvonnis is veroordeeld, niet in een vonnis op tegenspraak. Een verstekvonnis dat bovendien nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en dus nog kan worden vernietigd. Ten tweede voert [eiser] aan dat zij een restitutierisico loopt, omdat [verweerder] een in Australië gevestigde rechtspersoon is. Indien [eiser] aan het verstekvonnis zou voldoen en dat verstekvonnis later zou worden vernietigd, zou het terughalen van de gelden die op basis van het verstekvonnis aan [verweerder] zouden zijn betaald problematisch worden, omdat tussen Australië en Nederland niet een verdrag bestaat waarin afspraken zijn gemaakt over de tenuitvoerlegging van gerechtelijke uitspraken.
3.2.
Het standpunt van [verweerder] is dat een grondslag voor toewijzing ontbreekt, omdat [verweerder] op 1 september 2025 heeft toegezegd dat – na het uitbrengen van de verzetdagvaarding – verdere tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zou worden gestaakt. Feitelijk is er volgens [verweerder] ook in die zin gehandeld. [verweerder] voert ten slotte nog aan dat er geen restitutierisico is voor [eiser], omdat [verweerder] niet in financiële problemen verkeert.
3.3.
[eiser] heeft in reactie daarop bij akte aangevoerd dat [verweerder] in haar conclusie van antwoord in het incident weliswaar voor het eerst heeft erkend dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zal worden gestaakt, maar dat zij desondanks een belang heeft bij de ingestelde vordering. Dat belang schuilt er volgens [eiser] in dat zij, in het geval dat [verweerder] alsnog de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zou gaan hervatten, daarmee voorkomt dat zij op dat moment alsnog een executiegeschil zou moeten starten.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van [eiser] worden afgewezen. Voor de rechtbank is daarbij doorslaggevend dat [eiser] zich niet in een situatie bevindt waarin tenuitvoerlegging van het verstekvonnis door [verweerder] aan de gang is of concreet dreigt. Van de zijde van [eiser] zijn geen feiten gesteld waaruit volgt dat [verweerder] na 9 september 2025 – toen de verzetdagvaarding is uitgebracht – nog handelingen heeft verricht in het kader van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. [eiser] heeft evenmin feiten gesteld waaruit volgt dat [verweerder] vóór 9 september 2025 handelingen in het kader van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis heeft verricht die haar bedrijfsvoering op dit moment beperken. Gelet daarop heeft [eiser], naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende belang bij haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. [2]
3.5.
De vordering van [eiser] tot het verbieden van [verweerder] om verdere maatregelen te treffen tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, stuit af op dezelfde argumentatie. Omdat niet is gebleken dat tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op dit moment aan de orde is of concreet dreigt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een verbod als gevorderd op te leggen. Ook bij deze vordering heeft [eiser] niet een voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW Pro.
Zekerheidstelling voor proceskosten
3.6.
[eiser] beroept zich op artikel 224 Rv Pro. Op grond van lid 1 van die bepaling is een partij zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden.
3.7.
Ter onderbouwing voert [eiser] aan dat [verweerder] gevestigd is in Australië en deze procedure bij de Nederlandse rechter – aanvankelijk – is begonnen. [eiser] voert ook aan dat de in artikel 224 lid 2 Rv Pro opgesomde uitzonderingen op het eerste lid zich niet voordoen.
3.8.
[verweerder] voert geen inhoudelijk verweer tegen deze vordering, anders dan dat het bedrag dat [eiser] noemt volgens haar onvoldoende is onderbouwd.
3.9.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van [eiser] worden toegewezen. Aan de vereisten van artikel 224 lid 1 Rv Pro is voldaan, omdat het in Australië gevestigde [verweerder] op 25 juni 2025 een procedure bij de Nederlandse rechter is begonnen. Gesteld noch gebleken is dat een van de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 224 lid 2 Rv Pro zich voordoet.
3.10.
Op de voet van artikel 224 lid 5 Rv Pro, moet de rechtbank de som vaststellen tot beloop waarvan door [verweerder] zekerheid moet worden verstrekt. De rechtbank gaat daarbij uit van een reguliere dagvaardingsprocedure, waarbij beide partijen één keer schriftelijk aan het woord komen en een mondelinge behandeling plaatsvindt. Het financiële belang van de zaak valt in categorie Tarief V – wat neerkomt op € 1.929,00 per punt. De berekening is dan als volgt:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
totaal
10.897,00
3.11.
[eiser] vordert ook om te bepalen dat [verweerder], in het geval zij niet binnen 14 dagen na datum vonnis zekerheid stelt zoals gevorderd, niet ontvankelijk zal worden verklaard in de hoofdzaak. Die vordering wordt door de rechtbank afgewezen. Artikel 224 Rv Pro biedt voor een vordering als deze geen aanknopingspunten. Bovendien heeft [eiser] deze vordering onvoldoende onderbouwd.
Proceskosten in het incident
3.12.
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren.

4.De beslissing in het incident

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [verweerder] om uiterlijk binnen 14 dagen na dit vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot een bedrag van € 10.897,00,
4.2.
compenseert de proceskosten,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de veroordeling als omschreven onder 4.1.,
4.4.
wijst af het anders of meer gevorderde,
4.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van woensdag 3 december 2025, voor opgave verhinderdata en dagbepaling mondelinge behandeling in de hoofdzaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 209 Rv Pro.
2.Artikel 3:303 BW Pro.