Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
[eiser],
Rechtbank Overijssel
In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Overijssel op 19 november 2025, gaat het om een incident tussen een in Australië gevestigde rechtspersoon, aangeduid als [verweerder], en een Nederlandse besloten vennootschap, aangeduid als [eiser]. De procedure is gestart door [verweerder] op 25 juni 2025, waarbij zij vorderingen heeft ingesteld met betrekking tot twee koopovereenkomsten. [verweerder] vorderde onder andere een verklaring voor recht dat de koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden en schadevergoeding van [eiser]. De rechtbank heeft op 6 augustus 2025 verstek verleend tegen [eiser] en de vorderingen van [verweerder] volledig toegewezen. Na verzet door [eiser] op 9 september 2025, heeft deze een tweetal incidentele vorderingen ingesteld, waaronder een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en een vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten.
De rechtbank heeft de vordering tot schorsing afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende belang heeft aangetoond bij deze vordering. De rechtbank oordeelt dat er geen concrete dreiging van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is. Wat betreft de vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten, heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de vereisten van artikel 224 Rv is voldaan, en heeft zij [verweerder] veroordeeld om zekerheid te stellen voor de proceskosten tot een bedrag van € 10.897,00. De proceskosten in het incident zijn gecompenseerd, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zaak is opnieuw op de rol gezet voor 3 december 2025 voor verdere behandeling in de hoofdzaak.