Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:6568

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
C/08/336786 / FA RK 25-2013
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek hoofdverblijfplaats minderjarige bij grootmoeder

De moeder en grootmoeder van een onder toezicht gestelde minderjarige hebben de rechtbank verzocht om op grond van artikel 1:253a, tweede lid, Burgerlijk Wetboek de hoofdverblijfplaats van het kind bij de grootmoeder te bepalen. De minderjarige verblijft sinds juli 2024 in een pleeggezin en de ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot juni 2026.

De rechtbank constateert dat het juridisch niet mogelijk is om op verzoek van moeder en grootmoeder de hoofdverblijfplaats bij de grootmoeder vast te stellen, aangezien artikel 1:253a BW alleen ziet op geschillen tussen ouders met gezamenlijk gezag. Moeder oefent het gezag alleen uit en heeft niet de bevoegdheid om dit verzoek in te dienen. Tevens is het aan de gecertificeerde instelling (GI) om te beslissen over de plaatsing van het kind.

Materieel acht de rechtbank het ook niet in het belang van het kind om het huidige pleeggezin te verlaten en naar de grootmoeder te verhuizen, mede omdat het contact tussen grootmoeder en kind sporadisch is en de afstand groot is. De GI moet toezien op structureel contact tussen moeder en kind. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de grootmoeder te bepalen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/336786 / FA RK 25-2013
beschikking van 27 oktober 2025
inzake
[de moeder],
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
en
[de grootmoeder] ,
verder te noemen: grootmoeder vaderszijde of de grootmoeder,
wonende te [woonplaats 2] ,
verzoekster,
advocaat: mr. E.G. W. Hendriks,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
verder te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 3] ,
de heer en mevrouw [de pleegouders] ,
verder te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, en
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Hengelo (O).

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 01 augustus 2025;
- aanvullende stukken van mr. Hendriks, binnengekomen op 1 oktober 2025;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 27 oktober 2025 plaatsgevonden.
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader;
- de moeder en de grootmoeder, vergezeld door E.M. Kosanovic tolk en bijgestaan door hun advocaat;
- [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad;
- [naam 2] en [naam 3] namens de GI.
Aan mevrouw [begeleidster] , begeleidster van de moeder vanuit J.P. van den Bent, is bijzondere toegang verleend om tijdens de zitting aanwezig te zijn.
1.3.
De rechtbank constateert dat de pleegouders abusievelijk niet zijn opgeroepen als belanghebbenden voor de zitting.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit is geboren het minderjarige kind
[minderjarige], geboren te [woonplaats 3] op
[geboortedatum] .
2.2.
[minderjarige] is door de vader erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds 4 juli 2024 bij de pleegouders. Hier verbleef zij daarvoor ook al sinds het voorjaar 2022 tijdens de weekenden.
2.4.
Bij beschikking van 10 juni 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 30 juni 2026.
2.5.
De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 21 november 2024. Het hof heeft de onder 2.3 genoemde beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder en grootmoeder verzoeken de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] bij grootmoeder zal zijn.
3.2.
Volgens de moeder en de grootmoeder is het in het belang van [minderjarige] dat zij kan opgroeien bij grootmoeder. Er is sprake van een goede verstandhouding tussen de moeder en de grootmoeder. De moeder is vanwege persoonlijke problematiek niet in staat om alleen voor [minderjarige] te zorgen. Op dit moment verblijft [minderjarige] bij de pleegouders. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] bij familie kan wonen. Volgens de moeder is de grootmoeder in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en kan zij aansluiten bij de behoeften en belevingswereld van [minderjarige] . Ook grootmoeder is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij bij haar komt wonen. De grootmoeder ziet er geen problemen in dat zij verder weg woont. De grootmoeder en de moeder hebben dagelijks contact via FaceTime. Wanneer [minderjarige] bij de grootmoeder zou wonen zouden de grootmoeder, [minderjarige] en de moeder dagelijks kunnen bellen.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI is van mening dat [minderjarige] bij het pleeggezin moet blijven. [minderjarige] woont sinds juli 2024 voltijd bij de pleegouders. Hier wordt gezien dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt en op haar plek zit. Het is dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij hier kan blijven. Los van het feit dat het juridisch niet mogelijk is, hebben de grootmoeder en [minderjarige] al sinds maart 2025 geen structureel contact. Voor de grootmoeder bestaat de mogelijkheid om aan te sluiten tijdens de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Voor de GI heeft het opbouwen van structureel contact tussen de moeder en [minderjarige] prioriteit en daar zal zij de komende tijd op toezien en inzetten.

5.Het mondelinge advies van de raad

5.1.
De raad heeft ter zitting geadviseerd om het verzoek van de moeder en de grootmoeder af te wijzen. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij kan opgroeien in een omgeving met de juiste ondersteuning en begeleiding van haar opvoeders. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt, waardoor het van belang is dat er sprake is van rust, veiligheid en stabiliteit. Bij de pleegouders komt [minderjarige] tot ontwikkeling en het is dan ook van belang dat zij daar blijft. De raad vindt wel dat het belangrijk is dat [minderjarige] contact blijft houden met haar familie, maar dat in dit geval structureel contact tussen de moeder en [minderjarige] prioriteit heeft.

6.De beoordeling

Het wettelijk criterium
6.1.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling omvat – voor zover in deze zaak van belang – de beslissing bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. [1]
Het oordeel
6.2.
De moeder en grootmoeder hebben verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat de hoofdverblijfplaats bij grootmoeder zal zijn. Zij hebben daartoe gesteld dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij bij haar familie kan opgroeien, nu de moeder niet in staat is om zelf voor [minderjarige] te zorgen.
6.3.
[minderjarige] is een vijfjarig meisje dat sinds juli 2024 in het kader van een ondertoezichtstelling met machtiging van de kinderrechter in een pleeggezin verblijft. Gezien wordt dat [minderjarige] hier goed tot ontwikkeling komt en de pleegouders aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De moeder verblijft in een vorm van begeleid wonen bij Ambiq in [plaats] en de oma woont in [woonplaats 2].
6.4.
Moeder is belast met het
eenhoofdigouderlijk gezag over [minderjarige] . Het onderhavige verzoek van moeder en grootmoeder is gegrond op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel ziet op geschillen tussen ouders met
gezamenlijkouderlijk gezag over de uitvoering van dat gezag. De rechtbank heeft dus enkel de mogelijkheid om een geschil te beslechten
tussen ouders met gezamenlijk gezag, die verzoeken om de hoofdverblijfplaats van hun kind bij een van de ouders te bepalen.
6.5.
Voor moeder bestaat derhalve niet de juridische mogelijkheid om op grond van artikel 1:253a BW het geschil tussen haar en de GI over de wijziging van de woonplek van [minderjarige] van pleegouders naar de grootmoeder aan de rechtbank voor te leggen.
6.6.
De kinderrechter heeft binnen de ondertoezichtstelling machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen. Feitelijk is zij in het huidige pleeggezin geplaatst. Het is aan de GI en niet aan moeder en of grootmoeder om met gebruikmaking van de huidige of een andere machtiging [minderjarige] vanuit het pleeggezin naar elders te plaatsen. Aan moeder en grootmoeder komt niet de bevoegdheid toe om wijziging van verblijfplek aan de GI en de rechter te verzoeken. Het hof heeft in hoger beroep bij beschikking van 24 november 2024 de beslissing van de kinderrechter over de kinderbeschermingsmaatregels bekrachtigd.
6.7.
Voor moeder bestaat wel nog de optie om aan de GI en vervolgens - in geval van weigering van deze instelling – aan de kinderrechter te verzoeken om de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beëindigen of te bekorten. Bij toewijzing van een dergelijk verzoek zou de ondertoezichtstelling blijven bestaan en zou [minderjarige] teruggeplaatst worden bij moeder en niet bij oma worden geplaatst. Een dergelijk verzoek is nu niet gedaan en indien dat wel het geval zou zijn geweest zou het door oma en moeder nu beoogde doel, te weten plaatsing bij oma, slechts mogelijk zijn met een op verzoek van de GI door de kinderrechter te verlenen machtiging voor plaatsing op adres bij oma.
6.8.
Beëindiging van de machtiging tot plaatsing in het pleeggezin is niet aan de orde. Het hof heeft die machtiging op 24 november 2024 nog bekrachtigd.
6.9.
Los van het feit dat het juridisch niet mogelijk is om op verzoek van moeder en of grootmoeder de hoofdverblijfplaats te bepalen bij grootmoeder, is het naar het oordeel van de rechtbank materieel ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij het huidige pleeggezin zou moeten verlaten om honderden kilometers van de moeder vandaan in [woonplaats 2] te gaan wonen bij een oma met wie ze tot nu toe slechts sporadisch contact heeft. Het is belangrijk dat de GI toeziet op een structurele omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Het is ook aan de GI om te bezien of en zo ja: hoe grootmoeder daarin moet worden betrokken. De GI kan daarover duidelijke afspraken maken.
6.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het verzoek van de moeder en grootmoeder afwijzen.

7.De beslissing

De rechtbank wijst af het verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij grootmoeder vaderszijde te bepalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025 in tegenwoordigheid van mr. J.L.A. Kleine Wiecherink, griffier.
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253a, tweede lid, sub b BW.