3.3Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelenen de hierna weergegeven overwegingen over de mate van schuld en de aard van het letsel, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde.
Verdachte heeft bekend dat zij op 20 mei 2024 in Zwolle als bestuurder van een personenauto zonder enig rijbewijs te hebben en terwijl zij onder invloed was van alcohol een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door verdachte of haar raadsman is ten aanzien daarvan geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering in dit vonnis volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen van 20 mei 2024 (pagina 12 tot en met 13);
het proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2024 (pagina 15);het proces-verbaal van overtreding van 20 mei 2024 (pagina 27 tot en met 28);
het (aanvullend) proces-verbaal van rijden onder invloed van 25 december 2024, met proces-verbaalnummer PL0600-2024229652-1;
een schriftelijk bescheid, inhoudende een rapport van het Maasstad Ziekenhuis van
4 juni 2024 met het resultaat van het bloedonderzoek (pagina 52 tot en met 53);
6. een schriftelijk bescheid, inhoudende de letselrapportage van de forensisch arts
T. Gelderman van 30 december 2024 (pagina 57 tot en met 59);
feit 2 primair:
het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van overtreding van 20 mei 2024 (pagina 27 tot en met 28);
het (aanvullend) proces-verbaal van rijden onder invloed van 25 december 2024, met proces-verbaalnummer PL0600-2024229652-1;
een schriftelijk bescheid, inhoudende een rapport van het Maasstad Ziekenhuis van
4 juni 2024 met het resultaat van het bloedonderzoek (pagina 52 tot en met 53);
feit 3:
het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van overtreding van 20 mei 2024 (pagina 27).
Overwegingen en oordeel over de mate van schuld en de aard van het letsel
De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde over de mate van schuld en de aard van het letsel het volgende.
In de nacht van 20 mei 2024 bestuurt verdachte de personenauto van [slachtoffer]. [slachtoffer] zelf zit als bijrijder in zijn auto en geeft verdachte gedurende de rit instructies. Omstreeks 03:53 uur rijdt verdachte ter hoogte van de kruising met de Bankastraat en de Ambonstraat in Zwolle. In dit gebied geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, maar verdachte rijdt volgens de bevindingen van de politie ongeveer 60 kilometer per uur. Verdachte blijkt niet in staat te zijn de personenauto met de nodige voorzichtigheid te besturen en onder controle te houden. Bij het naderen van een rotonde is zij niet in staat de personenauto op de rijbaan te houden en hier tot stilstand te brengen. In plaats daarvan rijdt verdachte zonder te remmen rechtdoor over een voetpad en is zij met de personenauto rechts van de weg tegen een boom gebotst. Verdachte heeft met haar verkeersgedrag niet alleen meerdere overtredingen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 begaan, ook was zij niet in het bezit van enig rijbewijs en heeft zij de personenauto bestuurd terwijl zij fors onder invloed van alcohol was. Uit het bloedonderzoek dat enkele uren na het ongeval plaatsvond, volgt dat verdachte een alcoholpromillage van 1,53 promille had. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en dat het verkeersongeval dan ook aan haar schuld te wijten is. Het verkeersgedrag van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank zodanig ernstig dat sprake is van ernstige schuld.
Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] naast schaaf-/krasletsel in het aangezicht en een wond op zijn rechterknie ook hoofdletsel en een breuk in zijn linker bovenbeen opgelopen. De forensisch arts constateert met betrekking tot het hoofdletsel dat het gaat om kritiek letsel, omdat [slachtoffer] zich het ongeval (twee dagen later) niet kan herinneren en er ook sprake is van een hersenbloeding tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies. De beenbreuk heeft tot een operatie geleid; het plaatsen van een pen in het bot. De genezingsduur van het linkerbeen is door de forensisch arts geschat op circa acht tot twaalf weken, met littekenvorming van de operaties. De genezing van de neurologische verschijnselen na een hersenbloeding is volgens de forensisch arts per individu verschillend en niet in te schatten. Gelet op het vorenstaande is het letsel aan de zijde van [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank van dien aard dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.