Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:5738

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
11444564 \ CV EXPL 24-4372
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:109 BWArt. 6:119a BWArt. 1.29 algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid telefonische opzegging overeenkomst wegens schriftelijkheidsvereiste

In deze zaak staat centraal of de overeenkomst tussen LNRS en de gedaagde rechtsgeldig is opgezegd. Gedaagde stelt dat hij de overeenkomst telefonisch heeft opgezegd en daarom de factuur niet hoeft te betalen. LNRS betwist dit en wijst op de schriftelijkheidsvereiste in de toepasselijke algemene voorwaarden.

De kantonrechter heeft in een tussenvonnis een bewijsopdracht gegeven aan gedaagde om aan te tonen dat de opzegging telefonisch heeft plaatsgevonden. Gedaagde heeft echter niet kunnen aantonen met welk nummer, met wie en wanneer het telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Ook kon hij geen gespreksopnamen of telefoonlogs overleggen.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht en dat de schriftelijkheidsvereiste geldt. Omdat de opzegging niet schriftelijk is gebeurd, is de overeenkomst niet rechtsgeldig opgezegd. Gedaagde is daarom tekortgeschoten in de nakoming en moet de factuur betalen. Tevens worden buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke handelsrente en proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van de factuur en bijkomende kosten wegens het niet rechtsgeldig opzeggen van de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11444564 \ CV EXPL 24-4372
Vonnis van 23 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LNRS DATA SERVICES B.V., ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst genaamd [bedrijf 2] B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: LNRS,
gemachtigde: A.D. den Boef,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 mei 2025
- de akte van [gedaagde] van 16 juni 2025
- de antwoordakte van LNRS van 4 juli 2025
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen partijen is in geschil of de overeenkomst tussen LNRS en [gedaagde] rechtsgeldig is opgezegd. Volgens [gedaagde] hoeft hij de factuur niet te betalen omdat hij de overeenkomst telefonisch heeft opgezegd. LNRS is het niet mee eens. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat overeenkomsten volgens de toepasselijke algemene voorwaarden enkel schriftelijk kunnen worden opgezegd. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat het niet duidelijk was of de overeenkomst telefonisch is opgezegd. [gedaagde] heeft een bewijsopdracht gekregen om dit aan te tonen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het leveren van bewijs en dat niet is komen vast te staan dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd. De vordering van LNRS zal worden toegewezen.

3.De verdere beoordeling

[gedaagde] is niet geslaagd in zijn bewijsopdracht
3.1.
In het tussenvonnis van 20 mei 2025 heeft de kantonrechter [gedaagde] de opdracht gegeven te bewijzen dat de overeenkomst telefonisch is opgezegd door na te gaan met welk nummer, met wie, wanneer en op welk tijdstip is gebeld met LNRS in september 2023. Indien [gedaagde] in zijn bewijsopdracht slaagt, dan staat vast dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd en dat hij de factuur niet hoeft te betalen. Indien [gedaagde] hierin niet slaagt, dan is de enkele stelling van [gedaagde] dat telefonisch is opgezegd onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de overeenkomst is opgezegd omdat die stelling dor LNRS betwist is.
3.2.
In de begeleidende brief bij de akte van [gedaagde] heeft hij aangevoerd dat het jaarcontract niet door hem is getekend, want de handtekening lijkt niet op die van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is dus geen sprake van een geldige overeenkomst. Bij zijn akte heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij niet beschikt over de technische middelen om zijn telefonische opzegging te onderbouwen met gespreksopnamen of telefoonlogs. Zijn telefoonprovider bewaart dergelijke gegevens niet langer dan een jaar na dato, waardoor verificatie over een gesprek in september 2023 niet mogelijk is. Daarnaast betwist [gedaagde] dat de overeenkomst per 1 januari 2024 stilzwijgend is verlengd, omdat van aanbod en aanvaarding geen sprake is. Bovendien is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagde] te binden aan een overeenkomst voor 2024 terwijl [gedaagde] in september 2023 reeds telefonisch had opgezegd en van de diensten in 2024 geen gebruik heeft gemaakt. Verder verzoekt [gedaagde] om omkering van de bewijslast. Het contact met LNRS verliep altijd telefonisch en zij is als professionele partij degene die beschikt over de technische en organisatorische middelen om gesprekopnamen te maken of bewaren. Tot slot doet [gedaagde] een verzoek tot matiging in de zin van artikel 6:109 BW Pro, omdat hij in 2024 geen gebruik heeft gemaakt van diensten van LNRS.
3.3.
Bij antwoordakte heeft LNRS aangevoerd dat [gedaagde] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. [gedaagde] heeft niet eens een begin van het gevraagde bewijs geleverd, want hij laat in het midden op welke dag in september 2023 is gebeld, met welk nummer is gebeld, met wie is gesproken et cetera. Tijdens de mondelinge behandeling op
24 maart 2025 heeft LNRS al laten weten, dat zij zonder die details geen onderzoek kan doen. Volgens LNRS heeft ondertekening plaatsgevonden via DocuSign en is dit gekoppeld aan het e-mailadres van [gedaagde] .
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. [gedaagde] heeft enkel gesteld dat het technisch onmogelijk is om bewijs te leveren. Daarentegen heeft [gedaagde] niets gesteld over met welk nummer hij heeft gebeld, met wie, wanneer en welk tijdstip. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd. LNRS heeft dat namelijk betwist en volgens artikel 1.29 van de toepasselijke algemene voorwaarden moet een overeenkomst schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Omdat [gedaagde] dit niet heeft gedaan en ook niet is gebleken dat [gedaagde] de overeenkomst op een andere wijze heeft opgezegd, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en zal hij daarom de factuur voor een bedrag van
€ 2.890,69 moeten betalen. LNRS heeft bij akte van 19 maart 2025 haar eis nog vermeerderd, maar zij heeft deze eis op de mondelinge behandeling laten vallen zodat de kantonrechter dit bedrag niet zal toewijzen.
3.5.
De kantonrechter gaat voorbij aan het pas na de bewijsopdracht geformuleerde standpunt dat er geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen, omdat de handtekening op de overeenkomst niet van [gedaagde] is of dat [gedaagde] niet heeft ingestemd met voortzetting van de overeenkomst per 1 januari 2024. Dit nieuwe verweer is te laat.
3.6.
De kantonrechter zal de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente toewijzen. Aan de wettelijke vereisten voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De kantonrechter zal de verdere wettelijke handelsrente toewijzen over € 2.890,69 vanaf 18 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De proceskosten
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LNRS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
116,39
- griffierecht
496,00
- salaris gemachtigde
714,00
(3 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.445,39.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan LNRS te betalen een bedrag van € 3.571,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 2.890,69, met ingang van 18 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.445,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
23 september 2025.