Aveleijn huurde een kantoorruimte van gedaagde tot januari 2023. Na beëindiging van de huurovereenkomst bleef Aveleijn de huur betalen, wat resulteerde in een onverschuldigde betaling van €31.604,24 tot september 2024. Gedaagde betaalde dit bedrag en de wettelijke rente terug, waarna Aveleijn haar eis beperkte tot buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De kantonrechter oordeelde dat de buitengerechtelijke incassokosten terecht zijn gevorderd, ondanks erkenning van de hoofdsom door gedaagde, omdat incassowerkzaamheden noodzakelijk waren om tijdige betaling af te dwingen. Gedaagde had niet tijdig gereageerd op betalingsvoorstellen en betaalde de eerste termijn te laat.
De gevorderde incassokosten van €1.091,04 en de wettelijke rente daarover werden toegewezen. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten van €988,29 en wettelijke rente over deze kosten. Aveleijn werd veroordeeld in de kosten van het verwijzingsincident. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.