Deze zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland aan de eigenaar van een rijksmonument, vanwege het zonder vergunning vervangen van kozijnen in de voorgevel.
Na controles in 2023 en 2024 constateerde het college dat er gevelwijzigingen waren uitgevoerd zonder omgevingsvergunning. Het college legde daarom op 6 mei 2025 een last onder dwangsom op met een hersteltermijn tot 29 juli 2025. De eigenaar maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om schorsing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de kozijnen niet vergunningsvrij zijn omdat de wijzigingen afwijken in detaillering, vormgeving, materiaal en kleur, en dat het college terecht stelt dat geen vergunning kan worden verleend voor de huidige staat. Tegelijkertijd erkende de voorzieningenrechter de onderbouwde noodzaak van het onderhoud en het spoedeisend belang van de eigenaar.
Daarom werd het besluit geschorst tot na de beslissing op bezwaar, zodat een volledige heroverweging kan plaatsvinden. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de eigenaar.