ECLI:NL:RBOVE:2025:4935

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
11546942 \ CV EXPL 25-514
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurkoopovereenkomst bedrijfsauto wegens niet-betaling en terugvordering

Eiser en gedaagde sloten een huurkoopovereenkomst voor een bedrijfsauto, waarbij gedaagde niet alle leasetermijnen betaalde. Eiser ontbond de overeenkomst rechtsgeldig op grond van de algemene voorwaarden. De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding terecht is en veroordeelt gedaagde tot betaling van € 20.182,37 plus rente en tot teruggave van de auto.

Gedaagde voerde verweer met een beroep op persoonlijke omstandigheden en onjuiste verwerking van betalingen, maar dit werd niet gegrond verklaard. De rechter matigde de dwangsom voor niet-teruggave van de auto tot € 500 per dag met een maximum van € 30.000.

Vergoedingen voor kosten van inname en aangifte bij politie werden afgewezen omdat deze nog niet zijn gemaakt. Gedaagde moet tevens de proceskosten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurkoopovereenkomst is ontbonden, gedaagde moet betalen en de auto teruggeven.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11546942 \ CV EXPL 25-514
Vonnis van 22 juli 2025
in de zaak van
[eiser] B.V., handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Janssen en Janssen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 2],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat deze zaak over?

[eiser] heeft met [gedaagde] een huurkoopovereenkomst gesloten voor het gebruik van een bedrijfsauto. [gedaagde] heeft niet alle termijnen betaald, waarna [eiser] de overeenkomst heeft ontbonden. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de achterstallige leasetermijnen en schadevergoeding vanwege de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst (bestaande uit de toekomstige leasetermijnen). Verder moet [gedaagde] de auto weer inleveren. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] ten aanzien van de eventuele kosten voor inname van de auto en het doen van aangifte bij de politie af.
3. De feiten
3.1.
Op 12 juli 2021 heeft [gedaagde] op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf 2] met [eiser] een overeenkomst gesloten met het opschrift “financial lease (huurkoop) overeenkomst” (hierna: de huurkoopovereenkomst). De overeenkomst strekt ertoe dat [eiser] een Peugeot 3008 met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto) aan [gedaagde] verkoopt en levert onder voorbehoud van eigendom totdat de leaseprijs volledig is voldaan. In de huurkoopovereenkomst is bepaald dat de leaseprijs € 35.163,52 bedraagt en moet worden voldaan in 72 maandelijkse termijnen. De algemene voorwaarden van [eiser] zijn op de huurkoopovereenkomst van toepassing verklaard.
3.2.
Niet alle vervallen leasetermijnen zijn betaald. [eiser] heeft per brief van 20 december 2024 aan [gedaagde] verklaard dat zij de huurkoopovereenkomst ontbindt.
3.3.
[gedaagde] heeft daarna nog enkele betalingen verricht. De auto is niet aan [eiser] afgegeven.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - na vermindering van eis:
- een verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de auto is ontbonden;
- [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de auto op straffe van een dwangsom;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 20.182,37 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar dan wel met de wettelijke (handels)rente over een bedrag van € 20.449,44, met dien verstande dat de eventuele verkoopopbrengst van de auto in mindering wordt gestrekt op de openstaande vordering;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 859,10 indien [eiser] tot inname van de auto moet overgaan;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 211,75 indien [eiser] tot aangifte bij de politie moet overgaan;
- één en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Hij voert aan dat zijn persoonlijke situatie nooit in overweging is genomen en dat hij graag een regeling zou willen treffen. De betalingen die hij heeft gedaan, zijn volgens [gedaagde] niet goed door [eiser] verwerkt. [gedaagde] heeft de auto nog niet ingeleverd, omdat hij daarvan zowel privé als zakelijk afhankelijk is.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

[eiser] heeft de overeenkomst ontbonden
5.1.
[gedaagde] heeft een achterstand in de leasetermijnen laten ontstaan en daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de huurkoopovereenkomst. [eiser] heeft [gedaagde] daarna in gebreke gesteld en de huurkoopovereenkomst op 20 december 2024 ontbonden. [eiser] was bevoegd om dit te doen op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden. In dit artikel zijn partijen afgeweken van de wettelijke regel van artikel 6:265 BW Pro. De kantonrechter moet aan de hand van wat partijen zijn overeengekomen toetsen of de ontbindingsverklaring van [eiser] doel heeft getroffen. [1] Aan alle voorwaarden van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden is voldaan. Daarin staat geen verplichting voor [eiser] om te onderzoeken of de ontbinding gerechtvaardigd is gelet op de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde]. De verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden, wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de auto afgeven aan [eiser]
5.2.
[gedaagde] moet de auto teruggeven aan [eiser]. De huurkoopovereenkomst is geëindigd en [eiser] is nog steeds eigenaar van de auto. Als [gedaagde] de auto niet afgeeft, moet hij een dwangsom betalen. Met het oog op de waarde van de auto zal de kantonrechter de dwangsom matigen tot € 500,00 per dag, met een maximum van € 30.000,00.
[gedaagde] moet nog € 20.182,37 aan [eiser] betalen
5.3.
[eiser] vordert in de dagvaarding betaling van een bedrag van € 20.573,53. Dit bedrag is opgebouwd uit de achterstallige facturen en een bedrag van € 18.884,80 als schadevergoeding op grond van voortijdige beëindiging van de overeenkomst. Verder is in dit bedrag € 311,47 aan rente begrepen en € 2.044,94 aan incassokosten. Na de dagvaarding heeft [gedaagde] een bedrag van € 391,16 betaald en [eiser] heeft zijn vordering daarom verminderd met dat bedrag.
5.4.
De kantonrechter constateert dat hiertegen geen, althans geen onderbouwd, verweer is gevoerd. [gedaagde] voert alleen aan dat zijn betalingen niet op de juiste manier zijn verwerkt. Vast staat dat [gedaagde] nog betalingen heeft gedaan op 15 november 2024, 31 december 2024, 20 januari 2025 en 17 februari 2025. [gedaagde] moest op het moment van die betalingen nog achterstallige en/of toekomstige leasetermijnen betalen, maar ook een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten en verschenen rente. Op grond van de wet (in artikel 6:44 BW Pro) worden met het geld dat [gedaagde] heeft betaald eerst de buitengerechtelijke kosten en rente voldaan en daarna pas de achterstallige termijnen. [eiser] heeft dit op de juiste manier gedaan.
5.5.
Dit alles betekent dat een bedrag van € 20.182,37 wordt toegewezen. De gevorderde overeengekomen rente van 18% per jaar vanaf 11 februari 2025 over het nog openstaande bedrag van de hoofdsom wordt ook toegewezen. Indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht door [eiser] moet de verkoopopbrengst in mindering worden gebracht op het openstaande bedrag.
De kosten van inname van de auto en de kosten van de aangifte bij de politie
5.6.
[eiser] heeft vergoeding gevorderd van kosten die zij moet maken als zij de auto zelf moet innemen en aangifte bij de politie moet doen van verduistering. Deze kosten worden afgewezen, omdat ze nog niet zijn gemaakt en het ook niet zeker is dat die kosten (tot het geëiste bedrag) zullen worden gemaakt.
De proceskosten
5.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.802,21

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Peugeot 3008 met kenteken [kenteken] (ccnr.[nummer]) is ontbonden;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de auto, Peugeot 3008 met kenteken [kenteken] (ccnr.[nummer]) aan [eiser], dan wel een door haar aan te wijzen derde, binnen 72 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hij met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 30.000,00;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.182,37, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar over dat bedrag, met ingang van 11 februari 2025, tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht wordt door [eiser], de verkoopopbrengst in mindering wordt gestrekt op de openstaande vordering;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.802,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.

Voetnoten

1.Dat heeft de Hoge Raad bepaald in een uitspraak op 7 juli 2023 (overweging 3.2.). Deze is te vinden op