Tussen Stichting WBO Wonen en de gedaagden bestonden huurovereenkomsten voor een woning en een garage. WBO vorderde ontbinding van deze overeenkomsten, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand van €3.492,40 tot 1 juli 2025, vermeerderd met rente en incassokosten.
Gedaagde 1 erkende de betalingsachterstand maar verzet zich tegen ontbinding en ontruiming vanwege persoonlijke omstandigheden en een betalingsregeling met WBO. Gedaagde 2 verscheen niet en werd verstek verleend.
De kantonrechter oordeelde dat de achterstand en bijkomende kosten vaststaan en toewijsbaar zijn. Gezien het woonbelang van gedaagde 1 en de getroffen regeling werd ontbinding en ontruiming voorwaardelijk toegewezen. Gedaagde 1 moet binnen één jaar ontruimen indien de betalingsregeling of huur niet wordt nagekomen.
De gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €2.821,98 plus rente en proceskosten van €1.417,86. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.