ECLI:NL:RBOVE:2025:4899

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
11455618 \ CV EXPL 24-4062
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over betaling en tekortkoming bij de bouw van een carport

In deze zaak heeft partij A een schuur met carport gebouwd voor partij B en vordert betaling van het restantbedrag van de factuur. Partij B heeft de betaling opgeschort, omdat de carport niet aan de overeenkomst zou voldoen. Zij stelt dat haar auto, een BMW X5, niet onder de carport past, terwijl zij expliciet had gevraagd of dit mogelijk was. In reconventie vordert partij B herstel van de carport of betaling van de herstelkosten. Partij A betwist dat er een afspraak was dat de auto volledig onder de carport moest passen. De kantonrechter oordeelt dat partij B onvoldoende heeft aangetoond dat er een dergelijke afspraak was. De offerte vermeldde een diepte van 3,5 meter, waarop partij B akkoord heeft gegeven. Uiteindelijk is de carport zelfs vier meter diep geworden, wat voldoet aan de afspraken. De vordering van partij A wordt toegewezen, terwijl de vorderingen van partij B worden afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat partij B het resterende bedrag van de factuur moet betalen, evenals de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden ook aan partij B opgelegd. In reconventie worden de vorderingen van partij B afgewezen, en moet zij ook de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11455618 \ CV EXPL 24-4062
Vonnis van 22 juli 2025
in de zaak van
[partij A],
handelend onder de naam
[bedrijf],
zaakdoende te [vestigingsplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij B] B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. T. Geerdink.

1.Samenvatting

1.1.
[partij A] heeft een schuur met carport voor [partij B] gebouwd en vordert in conventie betaling van het restantbedrag van de factuur. [partij B] voert aan dat zij haar betaling heeft opgeschort, omdat de carport niet aan de overeenkomst voldoet. Zij heeft namelijk expliciet gevraagd of haar auto eronder zou passen, maar deze steekt ruim een meter onder de carport uit. Zij vordert in reconventie herstel van de carport of betaling van de herstelkosten. [partij A] betwist dat partijen hebben afgesproken dat de auto van [partij B] volledig onder de carport moest passen.
1.2.
De kantonrechter oordeelt dat [partij B] – gelet op de betwisting door [partij A] – onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen hebben afgesproken dat haar auto onder de carport moest passen. In de offerte en tekening staat dat de carport 3,5 meter diep zou worden en [partij B] heeft hier akkoord op gegeven. Bovendien heeft [partij B] niet onderbouwd weersproken dat de carport na overleg uiteindelijk zelfs vier meter diep is geworden. Hiermee is voldaan aan wat partijen hebben afgesproken. De vordering van [partij A] wordt toegewezen. De vorderingen van [partij B] worden afgewezen.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie en akte overlegging productie;
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[partij B] heeft [partij A] benaderd voor het plaatsen van een schuur met overkapping. Op 9 juni 2024 heeft [partij A] een offerte met tekening naar [partij B] gestuurd. Op de offerte staat vermeld dat het bouwwerk half schuur en half carport is, dat de kosten € 29.840,00 bedragen en dat 50% bij opdracht moet worden betaald en 50% binnen veertien dagen na oplevering. Op zowel de offerte als tekening staat vermeld dat de diepte van de carport 3,5 meter is.
3.2.
Op 17 juni 2024 heeft [partij B] via WhatsApp aan [partij A] medegedeeld dat zij hem de opdracht voor de schuur wil verstrekken en hem gevraagd of hij in augustus kan beginnen.
3.3.
Op 23 augustus 2024 heeft [partij B] via WhatsApp aan [partij A] gevraagd wat de afmetingen van de schuur precies zijn, omdat vanaf 40 vierkante meter een vergunning vereist is. [partij A] heeft daarop gereageerd dat hij tien bij vier meter denkt en dat hij het de volgende dag met de laser exact zal nameten.
3.4.
Op 13 september 2024 heeft [partij A] het bouwwerk opgeleverd.
3.5.
[partij B] heeft in totaal € 19.920,00 aan [partij A] betaald. Op 2 oktober 2024 is [partij B] namens [partij A] gesommeerd om het resterende bedrag van € 9.920,00 te betalen. [partij B] heeft daarop gereageerd dat het bouwwerk niet aan de vereisten voldoet, omdat het niet de juiste afmetingen heeft en dat zij niet gaat betalen zolang er geen oplossing wordt aangedragen om het bouwwerk passend te maken.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[partij A] vordert veroordeling van [partij B] tot betaling van € 9.920,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, betaling van € 871,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.
4.2.
[partij B] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[partij B] vordert primair veroordeling van [partij A] tot nakoming van de overeenkomst in die zin dat de carport zo wordt aangepast dat er in ieder geval twee auto’s van gemiddeld formaat onder passen. Subsidiair vordert zij betaling van een bedrag van € 6.703,40 aan herstelkosten. Daarnaast vordert zij – zowel primair als subsidiair – veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
4.5.
[partij A] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Betaling restantbedrag factuur
5.1.
[partij B] stelt dat [partij A] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens haar heeft zij expliciet gevraagd of haar auto – een BMW X5 – onder de carport zou passen en heeft [partij A] verklaard dat hij de afmetingen van een normaal parkeervak heeft aangehouden. Zij mocht daarom verwachten dat haar auto onder de carport zou passen. Op 13 september 2024 kwam [partij B] erachter dat haar auto ruim een meter onder de carport uitsteekt. Volgens haar voldoet de carport dan ook niet aan de overeenkomst en mag zij haar betalingsverplichting daarom opschorten.
5.2.
[partij A] betwist dat partijen hebben afgesproken dat de auto van [partij B] volledig onder carport moest passen. Volgens hem hebben partijen in eerste instantie afgesproken dat de carport 3,5 meter diep zou worden. Op initiatief van [partij A] is vervolgens afgesproken om de carport vier meter diep te maken. De planken die hij wilde gaan gebruiken, hadden namelijk (ongeveer) die lengte en dan zou de carport dieper worden. Hij heeft daar geen extra kosten voor in rekening gebracht. [partij A] heeft de diepte van de carport met een laser opgemeten en deze is volgens hem inderdaad vier meter geworden. Daarnaast steekt de goot ook nog eens verder uit, dus is er eigenlijk een oppervlak van meer dan vier meter overdekt. De carport voldoet volgens [partij A] dan ook aan wat partijen zijn overeengekomen.
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat [partij B] – gelet op de betwisting door [partij A] – onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen hebben afgesproken dat haar auto onder de carport moest passen. Dit blijkt nergens uit. In de offerte en tekening staat dat de carport 3,5 meter diep zou worden. [partij B] heeft hier akkoord op gegeven. Zij had eenvoudig kunnen controleren of haar auto daarmee volledig overdekt zou zijn. Nu niet vaststaat dat partijen hebben afgesproken dat haar auto er (volledig) onder zou passen, had zij dit zelf moeten controleren. Bovendien heeft [partij B] niet onderbouwd weersproken dat de carport na overleg uiteindelijk zelfs vier meter diep is geworden. [partij A] heeft deze diepte ook via WhatsApp aan [partij B] medegedeeld. Aangezien [partij A] heeft aangevoerd dat hij de carport met een laser heeft opgemeten en [partij B] de carport niet heeft opgemeten, gaat de kantonrechter ervan uit dat de carport vier meter diep is. Hiermee is voldaan aan wat partijen hebben afgesproken.
5.4.
Aangezien er geen sprake is van een tekortkoming van [partij A], zal [partij B] het restbedrag van de factuur voor de schuur met carport moeten betalen. Het gevorderde bedrag van € 9.920,00 zal daarom worden toegewezen.
Wettelijke handelsrente
5.5.
[partij A] vordert betaling van de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de hoofdsom. Aangezien in dit geval sprake is van een handelsovereenkomst, is de wettelijke handelsrente toewijsbaar. De rente is toewijsbaar vanaf het moment dat [partij B] in verzuim was met betaling. Aangezien op de factuur is vermeld dat de tweede helft van het factuurbedrag binnen veertien dagen na oplevering (wat op 13 september 2024 heeft plaatsgevonden) moest worden betaald, zal de rente worden toegewezen vanaf 28 september 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.6.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [partij A] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. In overeenstemming met het in het Besluit bepaalde tarief, zal een bedrag van € 871,00 worden toegewezen.
Proceskosten
5.7.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
1.319,22
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Herstel(kosten)
5.9.
Zoals in conventie is geoordeeld, is er geen sprake van een tekortkoming van [partij A]. De vorderingen van [partij B] tot herstel van de carport of vergoeding van de herstelkosten zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.10.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op € 339,00 aan salaris van de gemachtigde (2 punten × factor 0,5 × € 339,00).

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 9.920,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 871,00 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.319,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [partij B] af,
6.8.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 339,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.