Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:480

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
323958 / FT-RK 24/742
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 292 lid 3 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onduidelijke schuldenlast

Verzoeker, een 24-jarige rechtenstudent, heeft een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend nadat een faillissementsaanvraag tegen hem was gedaan. De schuldenlast wordt door verzoeker gesteld op € 39.000,-, bestaande uit vorderingen van vier schuldeisers. Verzoeker verklaart dat zijn beleggingen in cryptovaluta verloren zijn gegaan en dat hij uit schaamte te laat heeft geïnformeerd.

De rechtbank overweegt dat toewijzing van het verzoek vereist dat verzoeker te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Dit betekent dat onder meer gekeken wordt naar de aard en omvang van de schulden, het ontstaan daarvan en het gedrag van verzoeker. De rechtbank stelt vast dat de exacte omvang van de schuldenlast niet duidelijk is en dat de schuldenlijst mogelijk fors kan toenemen vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek.

Daarmee ontbreekt een totaalbeeld van de schuldenlast, waardoor niet kan worden beoordeeld of verzoeker te goeder trouw is geweest. Gezien deze onzekerheid wijst de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro. Verzoeker heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de totale schuldenlast en het ontbreken van aannemelijkheid van goede trouw.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 323958 / FT-RK 24/742
Datum vonnis: 27 januari 2025
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, verder te noemen: [verzoeker].

Het procesverloop

Bij rekest van 31 oktober 2024, ontvangen ter griffie op 4 november 2024, is door mevrouw [naam 1], de heer [naam 2], de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] het faillissement van [verzoeker] aangevraagd. Op 12 november 2024 heeft [verzoeker] een (defensief) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Het faillissementsrekest is van rechtswege geschorst.
Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is behandeld ter terechtzitting van 13 januari 2025. Ter zitting is [verzoeker] verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten:
[verzoeker] is een alleenstaande man van 24 jaar. Hij studeert rechten aan de Katholieke Universiteit in Leuven (België) en ontvangt maandelijks een bedrag van € 1.379,41 aan studiefinanciering.
In de periode van 2021 tot en met begin 2024 heeft [verzoeker] voor diverse particulieren beleggingen gedaan in cryptovaluta. De aanvragers van zijn faillissement stellen dat [verzoeker], via Whatsapp, heeft bevestigd dat zij nog geld van hem krijgen. [verzoeker] heeft het geld vervolgens nooit overgemaakt.
De totale schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens het verzoekschrift € 39.000,-, bestaande uit de vorderingen van de vier personen namens wie het faillissementsrekest is ingediend.
De behandeling ter zitting:
[verzoeker] heeft verklaard als grensstudent te staan ingeschreven bij de Katholieke Universiteit in Leuven.
Er is eerder sprake geweest van een faillissementsverzoek en tegen dat verzoek heeft [verzoeker] op kosten van zijn ouders verweer gevoerd, waarna het faillissementsverzoek begin 2024 is afgewezen. Volgens [verzoeker] beschikt hij thans niet over de financiële mogelijkheden om een advocaat in te schakelen. [verzoeker] heeft verklaard dat de beleggingen verloren zijn gegaan en dat hij er niets aan heeft overgehouden. Uit schaamte heeft hij te lang gewacht met het informeren van de betrokkenen over de verliezen.
In dat kader is [verzoeker] recentelijk ook gehoord in een strafrechtelijk onderzoek. Het schuldsaneringsverzoek dateert volgens [verzoeker] al van enige tijd geleden en voordat bekend was dat ook een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld.
[verzoeker] probeert zich te focussen op school, maar heeft hiervoor weinig energie. Als de schuldsanering een manier is op het op te lossen, dan wil hij er alles aan doen om het op die manier op te lossen.
De overwegingen van de rechtbank:
De rechtbank is van oordeel dat het schuldsaneringsverzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen en overweegt daartoe het navolgende.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Op grond van artikel 285 eerste Pro lid, aanhef en onder a Fw is vereist dat in het verzoekschrift dat ertoe strekt de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren, wordt opgenomen een staat met vermelding van de aard van de schulden, de namen en woonplaats van de schuldeisers en het bedrag die zij te vorderen hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] onvoldoende duidelijkheid verstrekt over de omvang van de totale schuldenlast. Volgens het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast € 39.000,-. De in het verzoekschrift vermelde schuldeisers betreffen de vier aanvragers van het faillissement. Uit hetgeen ter zitting is besproken volgt evenwel dat aannemelijk is dat de schuldenlast veel groter zal blijken te zijn dan in het verzoekschrift is vermeld. [verzoeker] is namelijk verdachte in een strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot door hem ten behoeve van derden gedane beleggingen in crypto. Beleggingen die naar zijn zeggen geheel teniet zouden zijn gegaan. Mocht komen vast te staan dat [verzoeker] strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld dan vloeien daaruit verdergaande (dan de eerdervermelde € 39.000) aansprakelijkheden voort.
De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat op dit moment geen totaalbeeld bestaat van de totale schuldenlast. Nu de exacte omvang van de schuldenlast niet vaststaat en niet kan worden uitgesloten dat de omvang van de schuldenlijst nog fors toeneemt, kan onvoldoende worden beoordeeld of [verzoeker] zijn te goede trouw aannemelijk heeft gemaakt.
Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b Faillissementswet.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. R.P. van Eerde, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 27 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]