ECLI:NL:RBOVE:2025:4413

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
11764463 \ CV EXPL 25-1858
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis woning

Eisers, huurders van een woning van De Woonplaats, zijn bij vonnis veroordeeld tot ontruiming van de woning. Zij vorderen schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis in afwachting van hoger beroep, met als onderbouwing dat zij hulpverlening voor verslaving hebben ingeschakeld en het behoud van de woning noodzakelijk achten voor het slagen daarvan.

De kantonrechter stelt vast dat De Woonplaats een executoriale titel heeft en dat het uitgangspunt is dat vonnissen uitvoerbaar bij voorraad zijn, ook als hoger beroep is ingesteld. Afwijking hiervan is slechts mogelijk als het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij uitvoering.

Uit de feiten blijkt dat eisers ondanks meerdere kansen hun overlastgevende gedrag niet hebben aangepast en dat omwonenden nog steeds overlast ervaren. Dit belang van De Woonplaats en de omwonenden bij ontruiming weegt zwaarder dan het belang van eisers bij schorsing. Daarom wordt de vordering afgewezen en worden eisers hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen en eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11764463 \ CV EXPL 25-1858
Vonnis in kort geding van 4 juli 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: mr. J. Pearson,
tegen
WONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,
te Enschede,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Woonplaats,
gemachtigde: mr. M. Douwenga.

1.De procedure

1.1.
[eiser 1] huurt een woning van De Woonplaats en woont daar samen met [eiser 2] . Bij vonnis in kort geding zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld tot ontruiming van de woning. Zij vorderen in dit kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. De Woonplaats voert verweer.
1.2.
De vordering wordt afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt het belang van De Woonplaats bij ontruiming zwaarder dan het belang van [eiser 1] en [eiser 2] bij schorsing van de ontruiming.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de producties van De Woonplaats
- de mondelinge behandeling van 3 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van De Woonplaats.

3.De feiten

3.1.
[eiser 1] huurt de woning aan de [adres] van De Woonplaats. Hij woont daar samen met [eiser 2] .
3.2.
Bij vonnis in kort geding van 19 mei 2025 zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.3.
Op 12 juni 2025 is het vonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] betekend.

4.Het geschil

4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 19 mei 2025 in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Subsidiair vorderen zij schorsing in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, zolang er geen overlastklachten worden ingediend. Meer subsidiair vorderen zij schorsing tot minimaal drie maanden na betekening van dit vonnis, althans zodra hulpverlening vervangende woonruimte voor [eiser 1] heeft gevonden. Daarnaast vorderen [eiser 1] en [eiser 2] – zowel primair als (meer) subsidiair – veroordeling van De Woonplaats in de proceskosten.
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat hun belang om in de woning te kunnen blijven wonen, zwaarder weegt dan het belang van De Woonplaats bij ontruiming van de woning.
4.3.
De Woonplaats voert verweer. De Woonplaats concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Om een vordering in kort geding toe te kunnen wijzen, moet er sprake zijn van een spoedeisend belang bij het gevorderde. Aangezien het in dit geval om een executiegeschil gaat, volgt het spoedeisend belang uit de aard van de vordering. [eiser 1] en [eiser 2] zijn dus ontvankelijk in hun vordering.
Schorsing of opschorting tenuitvoerlegging
5.2.
De Woonplaats beschikt op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis over een executoriale titel om over te gaan tot ontruiming van de woning. De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord, is of de tenuitvoerlegging van het vonnis moet worden geschorst. Deze vraag zal de kantonrechter beantwoorden met toepassing van de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026).
5.3.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling – ook als er hoger beroep is ingesteld – uitvoerbaar moet zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet in het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling.
5.4.
Bij toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in het ten uitvoer te leggen vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen het vonnis ingestelde hoger beroep blijft buiten beschouwing. Wel kan de kantonrechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het vonnis berust op een kennelijke misslag.
5.5.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij hulpverlening voor hun verslaving hebben ingeschakeld en dat behoud van de woning nodig is om de hulpverlening te kunnen laten slagen. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt dit belang echter niet op tegen het belang van De Woonplaats bij ontruiming van de woning. De Woonplaats heeft namelijk een verplichting tegenover omwonenden, huurders van De Woonplaats, om hen rustig huurgenot te verschaffen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben vele kansen gehad om hun overlastgevende gedrag aan te passen, maar hebben dat niet gedaan. Uit de door De Woonplaats overgelegde e-mails van omwonenden blijkt dat [eiser 1] en [eiser 2] ook na het vonnis van 19 mei 2025 nog overlast hebben veroorzaakt. [eiser 1] en [eiser 2] ontkennen dit weliswaar, maar hebben dit niet onderbouwd weersproken. Van de omwonenden kan niet worden verlangd dat zij nog langer – in afwachting van het hoger beroep of het vinden van vervangende woonruimte voor [eiser 1] – in een overlastgevende situatie wonen. Dit brengt mee dat
De Woonplaats de tenuitvoerlegging van het vonnis mag doorzetten.
5.6.
De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] tot schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.7.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Woonplaats worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
totaal
678,00
5.8.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
6.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Marsman op 4 juli 2025.